Clara’s ogen. Hoofdstuk 9, deel 1.

Jeetje, ik heb weer een vergissing gemaakt. Heel hoofdstuk 8 is de revu al gepasseerd. Ik ben echt goed met bloggen, he? 😉

We pakken de draad op op het moment dat Ron even naar huis gaat.

Clara's ogen

9. Weer thuis

De volgende ochtend was Ron al vroeg op. Hij pakte snel de paar dingen in die hij mee wilde nemen en daarna pakte hij de plaatselijke bus naar de centrale vertrekhal van de lange-afstandsbus.

Hij was ruim op tijd, dus gunde hij zich in een restaurantje een ontbijt en wat extra koffie, en daarna vond hij zijn plek in de bus die hem naar huis zou brengen.

Toen de reis begon was de bus maar half vol. Het vertrek was perfect op tijd en Ron keek voor de tiende keer op zijn horloge. De reis zou zes uur duren en hij had zich daarop voorbereid met een hoop luistermuziek op zijn telefoon en de nodige dutjes. Een paar keer probeerde hij met Clara te praten, maar die was er niet. Dat idee maakte hem aan het lachen; ze was er eigenlijk nooit. Niet echt in elk geval. Ron vroeg zich even af of ze alleen in de buurt van New York kon ‘verschijnen’, maar toen hij dat bedacht kwam de bus net aan bij het busstation.

De passagiers verdrongen zich bij de deur om zo snel mogelijk buiten te komen. Dat werkte natuurlijk tegen, dus duurde het even voor Ron met zijn tas ook de bus kon verlaten. Hij stond amper buiten toen hij Shelley hoorde roepen. Ze zwaaide als een gek en kwam toen op hem af hollen.

“Hé broertje! Welkom thuis. Zeg eens wat op z’n New Yorks.” Ze lachte terwijl ze het zei.

“Zo ver ben ik nog niet, Shell, en ik denk ook niet dat dat ooit gaat komen. Ze praten allemaal zo snel daar, je wordt er helemaal gek van.”

Het duurde niet lang voordat ze in haar auto zaten en snel daarna waren ze op weg naar huis. Naar Midlothian. Het verkeer was heel aardig voor hen, en daardoor duurde het amper een half uur voor ze de borden richting Midlothian al zagen. Shelley stuurde de auto meteen naar het huis van hun ouders, want dat hadden ze gevraagd. Ron zou en moest daar blijven eten, en Shelley ook, en de ‘wereldreiziger’ moest alles vertellen over zijn belevenissen in de grote stad.

Ron had het idee dat hij nog lang niet alles verteld had toen Shelley aankondigde dat ze hem naar zijn eigen huis zou brengen.

“Wil je dat ik morgen even langskom?” vroeg ze terwijl Ron de veiligheidsgordel losmaakte.

“Ja, leuk, maar bel eerst even,” zei Ron. “Ik wil een stuk gaan lopen morgen. In de natuur. Dat gaat daar amper. Het lijkt daar een betonnen jungle vergeleken met hier.”

Shelley zei dat ze dat meteen geloofde, en dat was ook de reden dat ze nooit naar zo’n plek zou willen verhuizen. “Slaap lekker, broertje.”

“Dank je, Shell. Ook voor de ritjes en zo.”

Ze zwaaide terwijl ze wegreed. Toen draaide Ron zich naar zijn kleine huis. Hij was toch wel heel erg blij weer hier te zijn, om zijn eigen stek weer te zien. Snel ging hij naar binnen.

Zijn zus had het hier goed bijgehouden. Beter dan Ron ooit zou doen, moest hij voor zichzelf bekennen. Zonder te stoppen liep hij naar de kleine kamer waar al zijn half afgewerkte projecten op hem wachtten en haalde het doek met de ogen uit het rek. In de woonkamer maakte hij alle lampen aan, zette de schildersezel op en zette het schilderij erop. Daarna haalde hij de doek ervanaf.

Even moest hij een stapje terug doen terwijl hij naar adem hapte. Dat waren echt Clara’s ogen.

“Ron…” Clara’s stem was er zo plotseling en duidelijk dat hij zich omdraaide om te zien waar ze was.

“Clara.” Een glimlach trok over zijn gezicht toen hij haar stem hoorde.

“Ben je nu thuis? In je eigen huis?”

“Ja, daar ben ik nu. En ik weet niet of jij er iets van kunt zien.” Ron keek weer naar het schilderij. “Ik kijk nu naar de ogen die ik heb geschilderd. Jouw ogen.”

“Als je stilstaat dan kan ik ze zien, Ron. In de reflectie in je ogen…”

Ron stond dus stil, en probeerde niet te knopperen.

“Dat zijn mijn ogen.” Het klonk half als een constatering, half als een vraag.

“Ja, Clara. Dat zijn jouw mooie ogen.” Opeens baalde Ron dat het al zo laat was. Hij wilde aan haar gezicht beginnen, maar daarvoor had hij daglicht nodig, zodat hij de goede kleuren kon zien.

“Dank je dat je me dit liet zien, Ron.”

“Graag gedaan, Clara.”

“Moet je nu gaan slapen, Ron?”

“Eigenlijk wel, ja. En dan kan ik morgen aan je gezicht gaan werken.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7, deel 5.

Clara's ogen

De volgende ochtend belde Ron naar Barbara op kantoor, en vroeg of hij een paar dagen weg kon. Hij legde de nadruk op zijn ouders, maar dat bleek helemaal niet nodig te zijn.

“Ron, als je denkt dat je even weg moet, dan moet je gewoon gaan. Als je ons maar laat weten wanneer je weg bent en weer terugkomt. En laat het de anderen even weten, zodat die zich geen zorgen maken. Het is geweldig dat je je ouders wilt gaan bezoeken. Die zullen beslist trots op je zijn,” was Barbara’s reactie.

“Dat zijn ze denk ik wel. Ze hopen dat ik het hier in de grote stad ga maken,” zei Ron en grijnsde.

“Charles Simmons had een hoge dun van je werk,” zei Barbara. “Ik weet zeker dat je hier op je plek zult zijn.”

Ron regelde dat hij drie of vier dagen weg zou zijn. Het duurde even voor hij een goede busverbinding had gevonden die ook nog betaalbaar was. Die avond vertelde hij de anderen over zijn korte vakantie en iedereen wenste hem goede reis en enkele schilders vroegen hem de groeten te doen aan zijn ouders en zijn zus.

Ross klapte Ron op de schouder. “Blij dat je je verstand terug hebt, jongen. Als ik dat terugvind ga ik ook even op een trip. Maar ja, iedereen zegt dat ik een verloren zaak ben, dus…”

“Ik snap dat wel,” zei Ron. “Dit is echt een gave plek om te werken, en dat het zo makkelijk is om even vrij te nemen… helemaal geweldig.”

Laura knikte. “Als er een droom waar kan worden dan gebeurt dat hier, Ron. Het is veilig, leuk betaald, een dak boven je hoofd en heel veel vrijheid. Ik kan daar wel mee leven.”

Marcus vertelde daarop wat verhalen over reizen die hij had gemaakt terwijl hij voor Ostring Art werkte. Sommige waren dolkomisch en sommige waren ontroerend. Hij beloofde dat hij eens wat foto’s zou laten zien, en ook een schilderij dat hij op zo’n reis had gemaakt. “Dat was toen ik in Californië was, bij de Redwoods, die enorme bomen. Meneer Ostring wilde het van me kopen maar ik kan er geen afstand van doen.” Uiteraard moest iedereen na die opmerking het schilderij zien, dus was het na het gezamenlijke avondeten even heel druk in Marcus’ appartement.

Iedereen vond dat Marcus het juiste besluit had genomen. Het schilderij had een bijna tastbare atmosfeer. Zoiets verkocht je niet. Omdat de bezoekers schilders waren hadden ze allemaal hun eigen ideeën om het schilderij nog beter te maken, maar Marcus lachte daarom. Hij was tevreden met zijn werk, en dat was waar het om ging.

Ron lag vroeg in bed die avond, en hij belde even naar zijn ouders en toen zijn zus om aan te kondigen dat hij een paar dagen thuis zou zijn. Hij had wel verwacht dat ze dat leuk zouden vinden, maar het nieuws leek aan te komen als het beste van het jaar.

Shelley bood aan om hem in Richmond van de bus te komen halen, ondanks dat hij daarvandaan met een andere bus makkelijk in Midlothian zou kunnen komen. “Dan hoef je niet zo te sjouwen en te zoeken, Ron.”

Hij zou weinig te sjouwen hebben, maar hij nam het aanbod dankbaar aan. Het was wel zo makkelijk en het gaf Shelley meer tijd om hem al het lokale nieuws te vertellen.

“Je bent opgewonden,” zei Clara toen hij het licht uit had gedaan en zijn ogen had gesloten.

“Dat klopt. Ik wist niet dat ik mijn familie zo zou missen, tot nu.”

“Is het leuk om familie te hebben?” vroeg Clara. Er was totaal geen emotie in haar stem, en dat maakte dat Ron zich afvroeg of ze wel wist wat familie eigenlijk inhield.

“Voor mij is het dat wel,” zei Ron voorzichtig.

“Dan ben ik blij dat je erheen gaat.”

“Ik ook. En ik breng het schilderij van jouw ogen mee terug. Dan kan ik je een gezicht geven, Clara.”

“Dank je, Ron. Slaap lekker.”

“Welte… ehm, goedenacht, Clara.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 8, deel 4.

Clara's ogen

Het verraste hem niet dat hij weer in het restaurant in het kleine winkelcentrum terecht kwam, waar de groep nooit heen ging. Het was wel iets duurder maar hij genoot van zijn avondeten en een extra biertje, en daardoor liep hij veel later naar buiten dan waar hij eigenlijk op gerekend had.

Eenmaal op straat, weg van de meeste straatverlichting, keek hij even omhoog naar de donkerblauwe hemel. Er waren al wat sterren te zien. Langzaam liep hij door, vaak omhoog kijkend, tot hij bij een bankje in het kleine park kwam. Daar ging hij zitten en bestudeerde de lucht.

“Sterrennacht,” fluisterde hij. In gedachten zag hij het uitbundige schilderij van Vincent van Gogh tegen de donkere hemel. Was dit dezelfde soort nacht die dat beroemde schilderij had geïnspireerd?

“Je vindt dit mooi, he?” vroeg Clara’s stem zacht.

“Ja, prachtig. Kun jij het ook zien?” Ron was niet verbaasd haar weer te horen.

“Ik zie iets vaags, Ron. Alleen de reflectie in je ogen van wat jij ziet. Je ziet iets dat donker is, maar het is een ander soort donker dan waar ik ben.”

“Misschien kun je op een gegeven dag meer zien…” Hij hoopte dat van harte, want wat hij van haar donkere wereld begreep maakte hem verdrietig. Ze leek een geest, gevangen in een plek waar ze niet uit kon, de enige uitweg die ze soms had waren de gesprekken die ze met hem had, in zijn hoofd. Kwam dat allemaal alleen maar omdat hij haar ogen had getekend? Dat klonk zo gestoord dat hij er met niemand over durfde te praten. Zelfs niet met haar.

“Dat zou fijn zijn, Ron.” Er kwam een glimlach van Clara af. “Je bent een lieve man.”

Die woorden maakten hem wel blij, maar hij probeerde dat niet te laten merken. “Ik ben een softie. Ik wil iedereen helpen, zegt mijn zus.” Ron stond weer op en begon naar huis te lopen. Onderweg ging hun gesprek gewoon door, waarbij Clara meestal stil was en luisterde. Al zei ze niets, hij wist dat ze er was. Hij was intussen zo gewend geraakt aan haar stille aanwezigheid dat hij kon voelen of ze er was of niet, en dat vond hij fijn.

Ron had nooit de moed gehad om meisjes mee uit te vragen. Daardoor was hij een outsider geworden en werd hij als een ongevaarlijk raar individu gezien. Dat was dan weer de reden dat niemand hem uitnodigde om mee te gaan naar feestjes of andere gebeurtenissen. Hij had dat nooit erg gevonden, al had het Shelley wel eens tot wanhoop gedreven.

Zittend in de spaarzaam verlichte huiskamer vroeg Ron zich af of het wel goed was dat hij Clara voor zichzelf hield.

“Waar denk je aan, Ron?” Ze klonk… bezorgd.

Hij legde uit waar hij over zat te piekeren; over hoe hij gewend was geraakt aan Clara, en dat hij hier eigenlijk niet met anderen wilde ‘delen’.

“Maar ik wil helemaal niet met anderen praten, Ron,” zei ze. “Ik praat met jou. Jij bent mijn… vriend?”

Ron voelde iets, diep van binnen. “Ja. Ik ben je vriend. Ik geeft toe dat dit de eerste keer is dat ik een paar ogen mijn vriend heb genoemd, of moet ik vriendin zeggen, maar ik denk dat jij wel een vriend kunt gebruiken, Clara.”

“En jij ook, Ron.”

Dat had hij niet verwacht. Hij wist dat ze gelijk had, maar toen hij vroeg hoe ze daarbij kwam, ontweek ze het antwoord door hem te vragen wanneer hij tijd zou hebben om aan haar schilderij verder te werken.

Haar tegenvraag stuurde zijn gedachten meteen terug naar het rek met de schilderijen, thuis. Misschien, zo dacht hij, misschien kon hij er wel een paar dagen tussenuit. Even naar huis om zijn ouders en zijn zus te zien. Dan kon hij Clara’s doek meteen mee terug brengen naar New York. Zoals het er nu uitzag had hij genoeg tijd voor zichzelf om daaraan te werken als het eenmaal hier was. “Ik zal dat morgen eens uitzoeken, Clara. Ik zal je schilderij dan eerst moeten halen.”

“Dank je, Ron. Ik zou dat heel fijn vinden.”

“Dat doen vrienden voor elkaar.” Ron haalde een biertje uit de koelkast en toen hij weer zat begon hij zich haar gezicht voor te stellen. Haar jukbeenderen, de kleur van haar huid en misschien wat highlights in haar ogen.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 8, deel 3.

Clara's ogen

“Hallo, Ron.”

Het was niet zozeer Clara’s stem die hem liet schrikken, maar meer het feit dat ze dat hier deed, nu, in het park. “O! Hallo, Clara.”

“Liet ik je schrikken? Is dit geen goede tijd om te praten?”

“Dit is een prima tijd, ik had je alleen niet verwacht hier.” Ron zag de ogen en voelde hoe een glimlach zich over zijn gezicht verspreidde.

“Je bent blij me te zien,” zei ze. Het klonk als een constatering, niet als iets waar ze bijzonder trots op was.

“Dat klopt. Het is speciaal om met iemand als jij te praten.”

“Is dat echt zo?”

Rons glimlach werd nog wat groter. Hoe kon Clara zo naïef zijn? Het was net alsof ze zonder enige voorkennis in de wereld was gekomen, maar ze pakte dingen wel snel op. “Ja. Dat is echt zo.”

“Maakt dat mij speciaal, Ron?”

“Hmm. Ja, ik denk het wel.” De glimlach was vastbesloten op zijn gezicht te blijven wonen. Bij het laatste telefoontje naar huis had Shelley bevestigd dat het schilderij van de twee ogen nog gewoon stond waar hij het had weggezet. Daardoor was hij steeds zekerder dat er iets met dat schilderij was gebeurd. Alsof dat Clara tot leven had gewekt. Dat klonk in elk geval een stuk beter dan dat hij op een heel aparte manier hartstikke gek aan het worden was. Maar wat zou er gebeurd kunnen zijn om dit te laten gebeuren?

“Je voelt alsof je slaapt, Ron.”

“Ik zit te ontspannen. Ik zit in een park tegen een boom aan,” legde hij uit.

“Dat klinkt heel fijn.” Het was net alsof er een glimlach in haar stem klonk. “Mag ik een tijdje bij je blijven?”

“Natuurlijk.” Ron was intussen gewend geraakt aan Clara’s onzichtbare aanwezigheid. Elke avond zat ze bij hem op bed, voor hij in slaap viel, en soms kon hij haar nabijheid zelfs overdag voelen als hij er even aandacht aan schonk. Met zijn gedachten bij Clara genoot hij van de vreemde patronen die het zonlicht op zijn oogleden tekende, en hij vroeg zich telkens af hoe hij dat moois in een schilderij zou kunnen verwerken.

“Wat ben je aan het doen, Ron?” vroeg ze. “Ik zie dat je aan allerlei dingen denkt.”

Hij probeerde uit te leggen wat hij in zijn hoofd zag gebeuren, en al ging het meeste langs haar heen, ze bleef luisteren en leek daar genoeg aan te hebben. Hij merkte dat het onmogelijk was om sommige dingen met woorden uit te leggen. Het waren indrukken gevat in emoties, en daar was geen woordenboek voor. Om een reden die hij niet kende begreep Ron dat Clara wel erg goed bleek in het opvangen van zijn emoties. Hij dacht iets en zij ving dan zijn gevoel bijna feilloos op en zo bleven ze praten tot er opeens een koude wind over de schilder heen trok. Hij rilde, en ook dat werd door Clara opgevangen.

“Wat is dat?”

Weer was hij verwonderd. Wist ze niet wat kou was? Hij legde het uit en voor zijn gevoel knikte ze begrijpend toen hij zei dat hij onderhand eens iets te eten moest gaan zoeken. Ron wist al dat ze ook nooit at, nooit honger had, daar hadden ze het al vaker over gehad.

“Ga jij maar eten zoeken, Ron,” zei ze. “Dan spreken we elkaar later weer.” En daarmee was ze opeens weg. Net als zo vaak werd hij de leegte en stilte gewaar die ze achterliet. Even vroeg hij zich af of hij langzaamaan gek aan het worden was, maar schudde dat idee van zich af. Ron Brooks was niet het soort dat gek werd.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 8, deel 2

Clara's ogen

Op de zesde dag van zijn ‘stage’ werd er aan de deur gebeld. Ron maakte open en maakte zo kennis met Charles Simmons, een van de kunstcritici die veel voor Ostring Art deed.

“Aangenaam, Ron. Ik ben gevraagd om naar je eerste werk te komen kijken,” zei de man hartelijk, “en om te zien hoe het lukt met de test die Barbara je heeft gestuurd.”

Ze keken eerst naar de vijver met de eenden. Charles was ervan onder de indruk en besteedde er een hoop tijd aan. Hij wees zelfs een aantal details aan waar Ron erg trots op was. “Mooi werk, Ron. Echt heel fraai gedaan.”

Toen kwam de jonge vrouw van Lievens aan de beurt. Ron waarschuwde de man maar meteen om er niet teveel van te verwachten.

“Hmm. Ik zie wat je bedoelt.” Charles knikte bedachtzaam. “Dit is absoluut de verkeerde stijl voor jou.” Hij bekeek de foto en zag onmiddellijk zes plekken waar de lijnen en rondingen niet klopten.

“Ik wist dat vanaf het begin,” zei Ron. “Meer dan dit kan ik er niet van maken. Deze stijl heeft gewoon mijn hart en oog niet.” Hij voelde zich niet rot over deze ‘mislukking’. Het was gewoon zoals het was.

“Houd hier maar mee op, Ron. Zet het doek terug of maak het schoon en zet er iets anders op, iets waar je wel blij van wordt. Hier word niemand vrolijk van. Het zijn gelukkig alleen maar potloodlijnen. Ga naar buiten. Zoek een nieuw onderwerp. Maak hier iets moois van. We kijken wel of we iets kunnen vinden wat beter bij je past. Iets Van Gogh-igs, want dat stond in je dossier, klopt dat?”

Ron knikte en voelde zich opgelucht.

“Prima. We duiken wat op voor je en dan zullen we eens zien hoe goed je daarmee overweg kunt.” Charles vroeg daarna of hij het vijverschilderij mee mocht nemen om het aan de anderen te laten zien.

“Zeker, neem maar mee,” zei Ron. “En dank je voor je eerlijkheid en begrip.”

“Natuurlijk, Ron. Dat is hoe we het verst komen, toch? Als je een bakker bent moeten we zorgen dat je geen auto’s hoeft te repareren.” De man knipoogde.

Toen Charles vertrokken was keek Ron nog eens naar de poging het jonge meisje te tekenen. Het was echt te erg dus draaide hij het doek om. De achterkant van het doek was niet zo’n armoede om te zien. Hoe laat was het eigenlijk? Bijna vijf uur in de middag. Een beetje laat om nog op inspiratie uit te gaan, maar aan de andere kant zou een wandeling wel lekker zijn. Hij pakte zijn sleutels en een jas, liet Marcus weten dat hij niet mee zou eten, en ging toen op weg naar de eendenvijver. Het parkje was een prima doel en de stilte daar zou hem goed doen.

~~~

Ron wandelde op zijn gemak over de aangegeven paden en keek naar het gras en de bomen alsof ze nieuw voor hem waren. Dat was iets dat hij heel vaak probeerde te doen, om iets nieuws te ontdekken. Vaak werkte het niet, maar als het werkte dan was hij de koning te rijk. Hij had al een rondje om de vijver gelopen en per ongeluk een paar eenden bang gemaakt.

Een grote boom leek er speciaal voor hem neergezet. Zo’n uitnodiging kon hij niet afslaan, dus ging hij er op zijn gemak tegenaan zitten, strekte zijn benen uit en keek omhoog, naar de takken en bladeren, waardoor de laatste restjes zonlicht doorheen kwamen. Een beetje wind liet de takken bewegen, waardoor de zon telkens ergens anders omlaag kwam.

Ron knipperde wat met zijn ogen tegen het licht. Het betoverde hem. Op de een of andere manier leek dit wel een bizarre vorm van de nachtelijke hemel met z’n sterrenpuntjes. Dit was een vreemde bladerhemel met overgrote sterren. Hij deed zijn ogen even dicht en verbeeldde zich hoe zoiets in een schilderij te vangen was. Langzaam ontstond er een beeld in zijn hoofd, waar bladeren de vorm van de ‘sterren’ bepaalden, en hoe de nerven van die bladeren ook zichtbaar zouden zijn. Hoe meer licht, hoe meer nerven. Wat een geweldig idee.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7 en wat 8.

Clara's ogen

“En is dat ook in mijn ogen, Ron?” vroeg ze. Ze klonk bijna hoopvol. Het was de eerste keer dat hij een hint van emotie in haar stem opving.

“Jouw ogen, Clara, zijn de ramen naar jouw innerlijke schoonheid. Als iemand de tijd neemt om goed te kijken dan kan iedereen dat zien.” Ron was een beetje verbaasd. Misschien zou hij een schrijver kunnen zijn als hij zulke woorden kon produceren.

“Dank je, Ron. Dat je me zo mooi maakt.”

Terwijl ze dat zei, verbeeldde Ron zich dat er een glimlach om haar, ongetwijfeld sensuele, lippen speelde.

“Graag gedaan, Clara.”

“Heb je nu weer stilte nodig? Zodat je kunt slapen?” Ze klonk bijna bedrukt over het antwoord dat ongetwijfeld zou komen.

“Ja, dat klopt, Clara. Ik moet morgen weer werken. Schilderen.”

“Ik snap het. Maak je ooit eens een schilderij van mij, Ron? Zodat ik kan zien hoe ik eruit zie?”

“Beslist. Dat doe ik een keer. Zeker weten.” Ron dacht meteen aan het schilderij van Clara’s ogen, thuis in de reservekamer. In zijn verbeelding groeide daar heel snel een gezicht omheen, met het korte haar dat om haar hoofd danste als ze bewoog. Op een of andere manier kwam ze volledig tot leven terwijl hij aan dat beeld dacht.

“Waar denk je aan, Ron? Je moet nu gaan slapen.”

“Ik denk aan jou. Hoe je eruit zult zien op het schilderij. Je bent echt leuk, Clara, met een bijzondere, innerlijke schoonheid.”

“O…”

Ron fronste. Had ze zojuist verbaasd geklonken?

“Ik denk dat ik dat wel leuk vind, Ron. Dank je.”

“Graag gedaan,” zei hij.

“Nu moet je slapen, Ron. En ik blijf hier om naar je te kijken.”

“Welte… ehm… fijne nacht, Clara.”

“Fijne nacht, Ron.”

Hij trok de dekens over zich heen en rolde op zijn zij. Het laatste dat hij zich herinnerde was het gevoel alsof er iemand naast hem zat.

8. Evaluatie en een buskaartje

De dagen gingen schilderend voorbij voor Ron. De meeste avonden ging hij met de groep mee uit eten. Die groep wisselde telkens van grootte en samenstelling, en dat was best leuk. Ook praatte hij elke avond met Clara voor hij ging slapen. Soms was ze er ook ‘s ochtends even, maar geen van beiden had een idee waarom dat maar zelden gebeurde. Gelukkig was ook de koffer aangekomen die Shelley had gestuurd. Hij had weer schone kleren.

Het vijverschilderij was klaar en hij had ‘het kantoor’ gebeld om dat te laten weten. Barbara, die zijn vast contactpersoon leek te zijn, bedankte hem voor het belletje en zei dat er iemand zou komen kijken, maar na drie dagen was er nog niemand geweest. Er was wel een envelop met de post gekomen met daarin een foto van een schilderij. Er zat een handgeschreven briefje bij met het verzoek of hij dat schilderij kon reproduceren op een groot doek.

Ron kende het doek. Het was een schilderij van een jonge vrouw, gemaakt door Jan Lievens, een Nederlandse schilder die heel erg de stijl van Rembrandt volgde. Ron vroeg zich af waarom ze dit hadden gestuurd, dus ‘s avonds onder het eten vroeg hij dat aan iedereen.

Lavinia, een oudere, schuchtere vrouw van de derde verdieping, zei dat ze dat soms deden. Om te zien wat een nieuwe schilder wel en niet kon.

“Dit wordt een uitdaging,” zuchtte Ron. “Ik kan hier niets van. Dat spul van de achttiende eeuw is te statisch, te strak en te clean.”

“Daar moet je je geen zorgen om maken,” zei Lavinia. “Dit is een experiment. Doe wat je kunt, en als je tips nodig hebt dan kun je ons altijd vragen. Werkt het echt niet, dan bel je het kantoor op en zeg je het gewoon. Je verliest hier geen punten mee, hoor.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7, deel 3.

Clara's ogen

Vandaag was een goede dag geweest. Het was nog niet echt laat dus belde hij naar Shelley om haar over zijn dag te vertellen en om te horen welk nieuws er van thuis was. Met hun ouders ging alles goed en ze hadden haar verteld over zijn telefoontje, dus vond ze dat hij daar maar een gewoonte van moest maken.

“Hé, Shell, je hebt de sleutel van mijn huis nog, hè?”

“Wat een vraag. Hoe kan ik anders binnen om naar je post te kijken en om voor die paar planten te zorgen die je nog niet vermoord hebt? Waarom vraag je dat?”

“O ja. Planten. Ehm, in de reservekamer is een rek, tegen de achterste muur. Daar staan wat schilderijen in. Zou jij eens willen kijken of het meest rechtse in dat rek, met een doek erom, er nog staat? Er staan een paar ogen op.”

“Natuurlijk, ik zal ernaar kijken. Waarom, is het belangrijk?”

“Op een bepaalde manier wel, denk ik. Ik wil dat nog eens afmaken. Ik wil gewoon zeker zijn dat het er is.”

Shelley zei dat dat geen probleem was zolang hij haar niet vroeg om het af te maken, of het even te komen brengen.

“Dank je, Shell.”

“Geen punt, broertje. Houd je netjes, en dank je dat je even belde. Slaap lekker straks!”

Ron legde zijn telefoon weg en voelde zich tevreden. Hij wist niet precies waarom hij Shelley had gevraagd om naar dat schilderij te kijken maar hij was blij dat hij het had gedaan. Even dacht hij erover om nog een biertje te pakken maar de klok overtuigde hem dat het bedtijd was.

~~~

“Hallo. Ron.”

“Hoi, Clara. Ik heb op je liggen wachten.” Ron lag in bed, zijn handen achter zijn hoofd en zijn ogen dicht.

“Echt waar?” De ogen werden iets groter, alsof ze echt verrast waren. “Dat maakt me blij.”

“Ik probeer me voor te stellen hoe je eruit ziet,” zei hij. “Ik zie nu alleen je ogen. Begrijp me niet verkeerd, je hebt heel mooie ogen, maar ik ben gewoon benieuwd naar de rest van je.” Ron was verbaasd over zijn woorden. Clara was enkel een stem, en een paar ogen die hij zag als hij die van hem sloot.

“Kun je me vertellen hoe ik eruit zie, Ron?”

Ron had die vraag niet verwacht. “Weet jij dat niet, dan?”

“Nee. Het is hier nog steeds helemaal donker.”

Dit gesprek ging voor Ron weer een bekende kant op dus probeerde hij haar meer over haarzelf te laten vertellen, maar wat hij ook probeerde, ze hield vol dat ze niets over zichzelf wist.

“Hoe zou jij willen dat ik eruit zie, Ron?” vroeg Clara uiteindelijk.

Die vraag had hij niet verwacht dus moest hij daar echt even over nadenken. “Ik denk dat je lichtbruin haar hebt.” Hij hield van lichtbruin haar. “Kort, lichtbruin haar. En je hebt een leuk gezicht. Niet overdreven mooi of zo, dat past bij niemand. Gewoon een leuk, aardig gezicht. Jouw schoonheid zit aan de binnenkant, en dat is alleen te zien als je je hoofd op een bepaalde manier draait, in een bepaald licht.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7, deel 2.

Clara's ogen

De groep avondeters was maar zeven personen groot die avond. Er was een nieuw iemand bij deze keer. Ron zou zich deze vrouw beslist hebben herinnerd. Haar naam was Cornelia en alles aan haar was zwart. Haar ogen en haar, haar kleding, haar nagellak en oogschaduw. Zelfs de kettingen en ringen die ze droeg waren zwart, en dat alles stak dramatisch af tegen haar bleke huid.

Ze keek Ron strak aan. De blik in haar ogen gaf hem het gevoel dat ze hem als een kwade geest zag. “Jij…” zei ze, zonder daar verder iets aan toe te voegen. Voor hij iets kon zeggen of vragen, liep ze weg, en aan tafel zocht ze een plek op zo ver mogelijk van hem af. Dat was heel raar. De anderen behandelden hem in elk geval als een gewoon mens, niet als een spook of zo.

Net als de avond ervoor ging het gesprek hoofdzakelijk over wat iedereen aan het doen was. Laura was bezig met iets dat een Salvador Dali-achtig doek moest worden. Dat verbaasde Ron want hij wist wat voor een hekel meneer Ostring had aan Dali. “O, da’s makkelijk genoeg,” verklaarde Laura. “Wat hij niet mooi vindt wordt afgehandeld door Jess. Waarom hij zo door het lint gaat over Dali snapt niemand, maar er zijn klanten die er niet genoeg van krijgen. Ik vind het prima, ik houd van mijn Dali-spul.”

“Dus van ons wordt verwacht dat we ook werk maken waar mensen om vragen. In een bepaalde stijl.” Ron snapte het langzaamaan. Hij hoopte al dat er veel vraag was naar de stijl van Van Gogh.

“Dat en ook andere opdrachten. Meer specifieke dingen,” zei Marcus, een van de oudgedienden in de organisatie. Hij was begin vijftig en zag er meer uit als een zakenman in vrijetijdskleren dan als een schilder. “Je komt er nog wel achter, Ron. Zorg eerst maar dat je je eerste serie doeken af krijgt en dat je je tentoonstelling achter de rug hebt.”

Iedereen was het ermee eens dat die tentoonstelling een bijzondere ervaring was. Zoiets was adembenemend, vooral als je bedacht dat het in New York was. Ron wist dat Laura daar ook mee bezig was, net als een paar anderen aan de tafel.

“Werken voor Ostring Art is geweldig zolang je de juiste instelling hebt,” ging Marcus verder. “Ze hebben veel klanten met stevige bankrekeningen dus is er genoeg werk voor mensen als wij, die voor hun levensonderhoud willen schilderen.”

Ron kreeg het gevoel alsof hij in een gespreid bed was gevallen, met een schatkist vol goud aan elke kant. Schilderen voor zijn levensonderhoud. Dat was wat hij wilde, al zolang hij de eerste keer een penseel had vastgehouden. Dit kon echt wel eens de kans zijn waar hij op had gewacht.

Na het eten liep Ron naar huis met Ross en Marcus. “Kunnen jullie me meer vertellen over die Cornelia? Ze vermijdt me alsof ik een ziekte ben.”

Marcus schoot in de lach. “Cornelia is ongevaarlijk, maar ze is zo gek als een deur. Ze heeft zichzelf wijsgemaakt dat ze dingen ziet die anderen niet kunnen zien. De meesten van ons zijn al beschuldigd van zwarte toverkunsten, dus ben je in goed gezelschap. Als zij iemand vertrouwd dan zijn wij meteen op onze hoede.”

Ron moest daar om lachen en ging met de mannen mee om nog een biertje te pakken voor het slapen gaan. Marcus vertelde wat meer over zijn ervaringen met de organisatie en dat klonk Ron als muziek in de oren. Toen hij naar zijn eigen appartement ging wist hij dat hij de jackpot getroffen had.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7, deel 1.

Ja, dit is echt van hoofdstuk 7. 😉

Clara's ogen

7. Het leven wordt serieus

Ron werd wakker. Alles was stil. Het viel hem meteen op dat Clara’s ogen er niet meer waren. Net als de ochtend ervoor vroeg hij zich af of het niet allemaal rare dromen waren.

Hij voelde zich beslist nog niet klaar om de realiteit tegemoet te treden maar hij deed het toch maar. Er moest aan een schilderij worden gewerkt en hij wilde een van de nummers bellen die in de map op het bureautje zaten, om even contact te hebben met ‘de organisatie’. Het was voor Ron best vreemd om zo’n tijdelijke aanstelling te hebben maar hij zat voorlopig hoog en droog.

Na een ontbijt en veel koffie haalde hij de ezel tevoorschijn en zette het eenden-in-de-vijver-doek erop. Een tijdje bekeek hij de afbeelding en mijmerde iets over een zwemmend leven. Toen pakte hij de penselen en de verf, en ging hij aan het werk.

De eenden en het water kregen kleur en detail, en toen hij daar tevreden over was nam hij even een pauze. Dit was een goed moment om te bellen, besloot hij.

“Ostring Art, goedemorgen, U spreekt met Barbara, hoe kan ik U helpen?” zei een vriendelijke stem.

“Hallo, ik ben Ron. Ron Brooks. Ik ben nogal nieuw in de organisatie en ik wilde even contact maken met… iemand.” Opeens voelde dit heel raar.

“Hallo Ron!” Barbara klonk alsof ze elkaar al jaren kenden. “Hoe gaat het? Voel je je al een beetje thuis?”

“Ja hoor, alles prima. Ik heb al een aantal van de anderen ontmoet en de meeste lijken me aardige mensen.” Ron stelde zich voor dat Barbara ondertussen op een computer zat te hameren om al zijn gegevens op te roepen. “Ik wilde gewoon even vragen hoe vaak het gebruikelijk is om me te melden bij jullie.”

“Ah, juist. Je kunt altijd even bellen, Ron. Als er iets is, als je je niet lekker voelt of hulp nodig hebt, of gewoon om even een praatje te maken.” Daarna vroeg ze waar hij mee bezig was. Toen ze over de eenden hoorde, zei ze dat ze dol was op eenden. Waarschijnlijk was ze dol op alles waar een bellende schilder over vertelde, maar het klonk wel aardig. “Als je je eenden zat bent dan moet je het maar laten weten, Ron. We hebben een aantal opdrachten van klanten liggen, en ik zie dat meneer T je al heeft geaccordeerd voor zulke opdrachten.”

“Meneer T?” Ron was even in de war.

“Meneer Ostring,” zei Barbara met een giechel. “Zijn voornaam is Terence maar wij zeggen altijd meneer T. Maar vertel dat niet verder, alsjeblieft!”

“Nou snap ik het.” Ron moest even lachen. “Ik zal het laten weten als ik klaar ben met de vijver. Dat zal nog wel een paar dagen duren. Het is niet zo complex maar het heeft wel een prettig gevoel.”

Barbara wenste hem veel succes en beëindigde het gesprek. Daarna ging Ron weer volop aan de slag.

Toen Ross op de deur klopte om hem te waarschuwen voor het avondeten, merkte Ron dat hij vergeten was te lunchen. Geen wonder dat hij zich niet zo geweldig voelde.

“Man, je bent hier aan het werk, je bent geen slaaf, dat moet je snappen hoor,” zei Ross. “Zorg voor jezelf, niemand anders doet dat voor je.”

Ron knikte; thuis was hij zo slordig niet, maar dit was allemaal zo nieuw. Hij liet het werk zien waar hij mee bezig was.

“Knap werk, Ron,” zei Ross. “Ik zou het water groener maken. Jij bent gek op blauw, hè? Misschien een paar bloemen erbij, om het wat op te fleuren.”

“Ja, misschien,” zei Ron, die al wist dat dat nooit zou gebeuren. Dat zou het evenwicht in de afbeelding verstoren.

“Nou, kom je mee? Ik heb honger en jij zult ook wel wat kunnen verdragen.”

Ron grijnsde. “Reken maar.” De lunch overslaan was niet gepland en zijn maag liet dat nu merken.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 6, deel 6.

Juist. Ik zie dat ik ergens een fout heb gemaakt in de nummering van de hoofdstukken. Alles van hoofdstuk 8 is… hoofdstuk 6!

Je zou bijna denken dat ik een mens ben, met zo’n vergissing… Nou ja, we gaan gewoon door. Met het laatste deel van hoofdstuk 6.

Clara's ogen

“Heb ik je bang gemaakt? Dat wilde ik niet. Het spijt me.”

Ron slikte eens hard en probeerde zijn gejaagde ademhaling onder controle te krijgen. Hij ging op het bed zitten. “Ja, ehm, weet je, ik verwachtte dat niet. Je zo opeens te zien, bedoel ik. Je ogen dus. En waarom zie ik alleen je ogen?” Hij voelde zich heel raar. Tegen wie zat hij eigenlijk te praten?

“Dat weet ik niet. Misschien heb ik alleen maar ogen,” zei de stem.

“Dat zou echt raar zijn. Iedereen heeft meer dan alleen ogen. De enige ogen die ik ken die er zo uitzien zijn…” Ron klapte dicht terwijl hem een onmogelijk gevoel bekroop. Zijn huid werd even koud. Dit kon niet. “Nee, dat kan echt niet. Nee. Ik heb gewoon teveel gedronken. Onmogelijk.”

“Wat is onmogelijk?” vroeg de vrouwenstem.

Ron deed zijn ogen weer dicht en zag de twee ogen weer. Er was geen ontsnappen aan. Hoezeer hij dit niet wilde, dit waren de twee ogen die hij zelf had getekend en ingekleurd. De ogen op het doek, thuis. Clara’s ogen. “Nee, ik ben gek aan het worden. Ik ben niet tegen de ogen van mijn eigen schilderij aan het praten. Toch?”

Even was het stil in Rons hoofd. Daarna: “Dus ik ben niet echt?”

Dat was echt iets waar Ron geen antwoord op kon geven. “Dat weet ik niet. Misschien dat een psychiater daar een antwoord op heeft maar… Je klinkt echt terwijl je niet echt kunt zijn. Je bent een onafgewerkt schilderij!”

Er viel een diepe, ongemakkelijke stilte die meer zei dan duizend woorden hadden kunnen doen.

“Clara?”

“Ik ben er nog. Ik begrijp niet wat je bedoelt. Je noemt me Clara. Hoe kan ik jou noemen?”

“Ik ben Ron.” De schilder verbaasde zichzelf door dit bizarre gesprek gaande te houden. Een gesprek dat helemaal niet kon bestaan. Misschien droomde hij toch. Misschien was hij zo snel in slaap gevallen dat het echt niet echt was. Tegelijk waren de ogen die hem aankeken wel erg prettig om naar te kijken en de stem was heel vriendelijk. Lief. Te lief, bijna. Misschien moest hij dit maar even laten doorgaan en ervan genieten.

Hij kroop weer in bed en deed het licht uit. De ogen waren er nog steeds.

“Hallo, Ron. Wat ben je aan het doen?”

“Ik probeer te slapen.”

“O. O ja. Ik herinner me dat. Dat deed je net ook al.”

“En jij doet dat nog steeds niet, hè?”

Clara’s ogen knipperden even. “Nee. Vind je het goed als ik naar je kijk terwijl je slaapt?”

“Ehm.” Dat was een rare vraag. “Nee, ik denk niet dat dat erg is. Het wordt, denk ik, op een gegeven moment wel erg saai.”

“Als het saai wordt dan ga ik. Je kunt nu beginnen met slapen, Ron.”

“Dank je, Clara.” Ron rolde op een zij en grinnikte. Wat een raar gesprek. Toen probeerde hij nergens aan te denken, om in slaap te komen, maar haar ogen bleven in de zijne kijken.

“Slaap je nu?” vroeg ze.

“Nog niet. Als ik slaap ben ik stil.”

“Maar je was net ook stil, Ron.”

Ron haalde diep adem. Hoe kon hij het concept van slapen uitleggen aan een stem met twee zwevende ogen die totaal geen idee had? “Het idee achter slapen is dat je een hele tijd niets hoort en ziet en doet. Tot je weer wakker wordt. En dan hoor en zie je weer dingen.”

“Die tijden heb ik ook Ron. Soms heel lang. Als dat slaap is dan vind ik slaap niet fijn.”

“Dat is jammer, Clara, want ik houd van mijn slaap, en ik heb dat ook nodig. Anders ben ik doodmoe morgen en dan kan ik niets doen.”

“O. Dan moet je je slapen maar doen, Ron. En ik zal stil zijn terwijl ik naar je kijk.” Haar stem was zo zacht en lieflijk dat Ron bijna smolt. Het was een stem waar hij verliefd op kon worden, enkel door hoe ze klonk.

“Dank je, Clara,” fluisterde hij. Daarna viel hij zo snel in slaap dat hij niet eens wist of ze nog antwoordde.