Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 3

Clara's ogen

“Ging het goed?” wilde Harvey weten. “Het viel me op dat de schilderijen op kantoor blijven. Dat is een goed teken.”

“Het ging snel,” zei Ron. “Heel snel. Ik had gedacht dat dit allemaal veel moeilijker zou gaan.”

“De baas houdt niet zo van moeilijk,” wist Harvey. “Dat houdt de gang van zaken alleen maar op. Als hij je werk goed vindt dan vindt hij het goed. Als niet, dan word je niet eens gevraagd om te komen. Ik heb heel wat mensen opgehaald van het vliegveld, en een groot deel daarvan werkt nog steeds voor hem.”

Ron vond dat waardevolle informatie.

De rit naar het hotel ging traag, want het avondverkeer was op gang gekomen. Uiteindelijk kwam de vaart weer terug, omdat veel auto’s naar andere straten afsloegen. Ron had intussen tijd genoeg om deze enorme stad in zich op te nemen. Hij hing even scheef in de auto om de bovenkant van de wolkenkrabbers te kunnen zien. “Die zijn echt hoog.” Hij moest dat feit gewoon even kwijt.

Harvey grijnsde. “Dat was de bedoeling ook.”

“Als ik dit zie, krijg ik meteen weer ideeën voor een schilderij,” zei Ron. “Iets in de trant van Dali. Niet dat ik daar zo dol op ben maar het zou geweldig worden.”

“Goed, meneer Brooks. Even een tip van iemand die het weet. Nooit Dali aankaarten als meneer Ostring in de buurt is. Hij heeft een absolute hekel aan dat werk, al moet hij er soms over praten in deze tak van sport.”

Nog meer belangrijke informatie, begreep Ron. Goed dat hij dit wist voor het diner vanavond.

Niet veel later stopte de auto bij het hotel. Harvey vroeg of Ron zich zou redden.

De schilder wist dat het allemaal wel zou lukken. Hij had de sleutel van de kamer – o nee, suite – bij zich en hij wist waar de lift was. Harvey zou op tijd weer in de lobby zijn om hem op te halen. Ron stapte uit en liep het hotel in.

“Juist. Lift…”

Uiteindelijk werd hij geholpen door iemand. De liften waren te goed verstopt voor een schilder uit Midlothian.

Eenmaal weer in de gigantische kamer maakt hij zijn koffer open en haalde er wat spullen uit die hij later aan zou doen. Een controle stelde hem gerust: geen verfvlekken.

Daarna nam hij zijn tijd in de enorme badkamer en daarna, gehuld in de schone kleding, ging hij op de bank zitten. Het zou nog even duren voor Harvey zou komen, dus belde hij zijn zus om te laten weten wat er tot dan toe was gebeurd.

Shelley was opgetogen dat het allemaal zo voorspoedig ging, maar waarschuwde hem wel om allerlei papieren goed te lezen voor hij er een handtekening opzette. Na het gesprek liet Ron de gebeurtenissen van die dag nog eens de mentale revue passeren. Tot nu toe was het geweldig gegaan. Hopelijk bleef dit zo, maar hij was reëel genoeg te beseffen dat er wel wat hobbels op de weg zouden zijn.

Toen hij dat allemaal bedacht had dwaalden zijn gedachten af naar de ogen van Clara, die thuis onder een laken op hem stonden te wachten. Samen met een stapel andere schilderijen die ook nog eens af moesten worden gemaakt. Een korte gedachte flitste door zijn hoofd maar voor hij helemaal doorhad wat die gedachte was, zoemde de huistelefoon.

“Uw chauffeur is aangekomen, meneer Brooks.”

Uw chauffeur. Ron grijnsde terwijl hij een colbertje aanschoot en op zoek ging naar de lift. De grijns was er nog steeds toen hij de lobby instapte.

Eenmaal weer in de limousine vroeg Ron simpelweg aan Harvey of meneer Ostring hem een positie aan zou bieden.

“Misschien wel, misschien niet. Dat weet ik echt niet, meneer Brooks. Dat weet alleen hij. Het feit dat u uit eten wordt gevraagd is wel een goed teken. Reken voorlopig alleen maar op een uitstekend diner, dan wordt u niet teleurgesteld.”

Dat klonk als een goed advies.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 2

Clara's ogen

Meneer Brooks was al de deur uit. Dat was een goed teken, vond Ron, die de deksel van de kist losmaakt en een van de doeken eruit viste. “Dit is er een die me heel dierbaar is, meneer Ostring.” Ron besloot niet meteen te familiair te zijn hier. Dit was tenslotte de man van het geld. Hij vertelde hoe hij de inspiratie had gevonden voor het werk en welke emoties hij had geprobeerd in de afbeelding te leggen.

Terwijl hij sprak viel het hem op de Jess wel heel dichtbij ‘de baas’ zat. Veel dichter dan een gewone secretaresse zou doen, voor zover hij wist. Nou ja, misschien waren de twee getrouwd. Dat zou natuurlijk zomaar kunnen.

Meneer Ostring vroeg een paar dingen over de doeken die Ron liet zien, over de soorten verf die hij had gekozen en een hoop andere schildertechnische dingen, wat wel aangaf dat deze man echt wist waar hij het over had. Ron voelde zich op zijn gemak bij deze man die, mager als hij was, een vertrouwen uitstraalde. Dit voelde echt en goed. Niet als een oplichterskliek. Die zouden een gebouw als dit nooit kunnen betalen. Wat hem ook opviel was dat zijn antwoorden blijkbaar de juiste waren.

“Ron…” Meneer Ostring leunde voorover, zijn ellebogen op de magere knieën. “Je hebt echt gevoel voor dit vak. Ik wil je uitnodigen voor een etentje vanavond. Dan kunnen we over de zakenkant van deze samenwerking praten. Als je daarna het gevoel hebt dat je mee wilt doen dan kunnen we morgen meteen over de contractenkant praten.”

Daar had Ron niet op gerekend. Contracten? Morgen? Kon het leven echt zo simpel zijn als je eenmaal in het juiste kantoor zat? “Dat klinkt geweldig, meneer. Ik ben alleen, ehm, nou, nogal verrast.”

“Verrast, Ron?”

“Ja. Ik had meer, weet u, moeilijke dingen verwacht. U hebt enkel naar mijn schilderijen gekeken, wat vragen gesteld en dat was het. Toch?”

“Maar dat is toch waarvoor je hierheen gekomen bent, Ron? Om te schilderen?” Meneer Ostring glimlachte. “We hebben onze scouts, Ron. Die zoeken het internet af naar talent. De hele dag. En als ze iemand ontdekken dan gaan we niet over een nacht ijs voor we iemand uitnodigen. We weten al heel veel over je, mijn beste. Jij bent een van de twee mensen die we het laatste jaar hebben uitgenodigd. Dat zou je wat moeten zeggen, Ron. Als die vakmensen in zes maanden tijd maar twee personen vinden die aan onze kwaliteitseisen voldoen.”

De man stond op. “Ik zal Harvey instrueren je naar het hotel te brengen zodat je je op kunt frissen. En dan is hij er om half acht weer, om je naar het restaurant te brengen.” Meneer Ostring keek naar de kist. “Zou je je schilderijen hier willen laten, Ron? Dan kan ik ze aan mijn partners laten zien morgenochtend.” Toen Ron fronste zei hij dat Ron de kist ook mee mocht nemen, maar dat zou wel het nodige sjouwwerk zijn, met het gevaar op beschadiging. “We zullen je werk hier in onze kluis bewaren. Daar kun je ze zelf inzetten als je wilt.”

Dat klonk dan wel weer goed. Ron accepteerde het aanbod en volgde de twee, met zijn kist, naar een andere kamer, waar een enorme kluisdeur werd geopend. Hij zette de kist op een schap en Jess hing er een kaartje aan dat dit de werken waren van Ron Brooks. De kluisdeur ging daarna dicht met een gedempte maar bevredigende dreun.

Harvey, de chauffeur, wachtte al op hem, dus nadat Ron meneer Ostring en Jess had bedankt ging de reis per lift naar de parkeergarage en vandaar weer naar het hotel.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 1

Clara's ogen

4. Het voorstel

De organisatie was gehuisvest in een gebouw dat leek op een stalen skelet dat bij elkaar werd gehouden door al het glas eromheen. Toen Ron vroeg of de architect dronken was geweest moest de chauffeur grinniken.

“Ik durf het niet te zeggen, meneer Brooks.”

Ze gingen naar binnen, werden meteen verder gestuurd door een receptioniste die veel te mooi was om waar te zijn, en begaven zich met de lift naar de elfde verdieping. Na een paar gangen werd Ron met zijn schilderijen in een wachtkamer achtergelaten, waarna de chauffeur een kantoor binnenging.

De schilder uit Virginia keek rond, maar voor hij alles had bekeken ging de deur open. Een wezen, nog mooier dan de receptioniste, kwam naar buiten en stelde zich voor als Jess, de secretaresse van meneer Ostring, en ze vroeg hem binnen te komen.

Ron droeg de krat met schilderijen het kantoor in. Jess sloot de deur achter hem terwijl Rons mond openviel toen hij de overdadige luxe in het kantoor zag. Het tapijt was zo hoog dat het moeilijk was om eroverheen te lopen. De muren waren bedekt met schilderijen in de meest extreme stijlen. Dat zei wel iets over de man die hier werkte.

“Meneer Brooks.” De stem rukte Ron uit zijn verbazing en terug naar de reden waarvoor hij hier was. “Hoe aangenaam om u persoonlijk te leren kennen.” Dat was duidelijk Terence Ostring. Ron zag een magere, bleke man. Door zijn voorkomen leek hij meer dan twee meter lang, maar hij bleek maar een half hoofd langer te zijn dan de schilder. Terence Ostring was al achter zijn gigantische bureau vandaan gekomen en liep op Ron af, een hand al uitgestoken.

“O, juist,” zei Ron terwijl hij rondkeek naar een plek om zijn krat neer te zetten. Zo kon hij de man nooit de hand schudden.

“Zet de kist maar naast de bank,” zei Jess behulpzaam. “Dan maken we die zo wel open.”

Ron bedankte haar en liet de kist zakken. Daarna schudde hij de aangeboden hand. Die voelde aan als een dunne handschoen vol fijne botjes, dus zorgde Ron ervoor dat hij niet te hard kneep. In Midlothian werden handen stevig geschud. Als Ron hier echt iets wilde bereiken, kon hij beter voorzichtig zijn met zijn mogelijk nieuwe werkgever. “Aangenaam kennis te maken, meneer Ostring,” zei hij.

“Geheel mijnerzijds. Alstublieft, ga ergens zitten.” Meneer Ostring zwaaide zijn arm over de vele zitplaatsen in het kantoor. “Wilt u iets drinken?”

Ron vroeg om een biertje en was verbaasd toen Jess vroeg welke van de zeven soorten in de koelkast zijn voorkeur had. Ze noemde zelfs de namen op. Geen van hen zei hem iets dus koos hij voor het bier met de gekste naam. Met zijn bier (in een glas!) ging hij op de bank zitten, naast zijn schilderijen. Terence Ostring accepteerde een glas witte wijn van Jess, die er voor zichzelf ook een had ingeschonken. Daarna gingen de twee naast elkaar tegenover hem zitten.

De schilder wist niet of het nu aan hem was om met praten te beginnen, maar de man tegenover hem loste dat snel op. “Ron, ik ben benieuwd naar je werk. Laat eens wat zien.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 3, deel 3

Clara's ogen

De vlucht duurde iets meer dan een uur. Ron had vaker gevlogen dus was dit geen nieuwe ervaring maar het was toch wel iets om een enorme stad als New York onder zich te zien.

Toen hij eenmaal het vliegtuig verlaten had, was de mensenmassa waarin hij leek te verdwijnen ook gigantisch. Het was niets minder dan een wonder dat hij de weg naar de bagage-uitgifte vond en ook nog zijn geleende koffer terugvond. Toen ging hij op zoek naar de plek waar hij iemand zou ontmoeten die hem zou ophalen. Dat bleek makkelijker te zijn dan hij dacht, want er stond een rij mensen met naambordjes. En zijn naam stond op een van die bordjes.

De man achter het bordje herkende Ron en nodigde hem uit om mee te gaan naar de auto.

“Maar mijn schilderijen!” Ron wilde niet weg zonder zijn schilderijen.

“Geen zorgen, meneer Brooks, daar is al voor gezorgd,” zei de man terwijl hij zijn telefoon liet zien. “Zes schilderijen, netjes verpakt, staan klaar voor ons bij de auto.”

Ron zag een foto van een grote houten kist. Zaten zijn werken daarin? Dan zou het wel kloppen. Op weg naar de auto, wat een enorme limousine bleek te zijn, vroeg Ron hoe de man hem herkend had in die drukke hal.

“Er zit verf op uw mouw, meneer Brooks,” was het rustige antwoord. “En u zag er volslagen verloren uit.”

De man had gelijk: er zat inderdaad een grote verfveeg op zijn mouw. Had Shelley die niet gezien of had ze er niets van gezegd? Nou ja, hij zat er. Misschien kon hij dat een soort handelsmerk maken. Een verfvlek ergens op zijn kleren. Misschien als hij later een vertegenwoordiger had dat die van zoiets meer wist. Eerst dit maar eens doorstaan.

Er stond zowaar iemand van het vliegveld bij de auto. Met de kist met schilderijen. Die werd ingeladen en daarna begon deel twee van de reis. De auto gleed vlot door het verkeer.

“Ik heb de opdracht om u eerst naar uw hotel te brengen, meneer Brooks,” zei de chauffeur. “Dan kunt u zich wat opfrissen. Daarna hebt u een ontmoeting met meneer Ostring.”

Ron vond het allemaal prima.

De auto stopte voor de deur van een immens hotel in Manhattan. De chauffeur pakte Rons koffer. Ron pakte de kist met de schilderijen, ondanks de woorden van de chauffeur dat de schilderijen veilig zouden zijn in de auto. Ron vroeg zich af of die man wist wat er in New York zoal gebeurde.

Eenmaal ingecheckt betrad Ron de suite die voor hem was gereserveerd. De ruimte was zowat even groot als zijn hele huis in Midlothian. Er was een aparte slaapkamer, een woonkamer om in te verdwalen en een badkamer met veel te veel spiegels. Hij had geen tijd om alles op zijn gemak te bekijken. Even waste hij zijn gezicht en daarna gingen ze weer naar beneden voor de volgende stop. Meneer Ostring.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 3, deel 2

Clara's ogen

Het leek alsof de uitnodiging uit de grote stad een schakelaar had omgegooid voor Ron. Opeens kwamen er zoveel mensen om een schilderij vragen dat hij de meeste vragers teleur moest stellen. Zoveel opdrachten zou hij nooit rond krijgen. Een plaatselijke krant wilde opeens een interview met hem, iets dat nog nooit eerder was voorgekomen. Het leek wel alsof heel Midlothian en de wijde omgeving erop gebrand was hem hier te houden, nu hij eindelijk kans op de doorbraak in New York had.

De tijd ging in een hogere versnelling en opeens was het nog maar een paar dagen voor de reis naar de grote stad. Ron voelde zich weer verrast toen hij zich dat realiseerde. Door de drukte van de afgelopen dagen was het hem bijna ontschoten.

De dag voor het vertrek stond hij in zijn slaapkamer en pakte wat spullen in een geleende koffer. Vanaf een stoel naast het bed keken Clara’s ogen naar hem, bijna beschuldigend. Hij keek even in die ogen, zuchtte en ging op het bed zitten.

“Sorry, Clara, ik weet dat ik je niet genoeg aandacht heb gegeven,” zei hij. “Het is echt druk geweest, weet je. Kijk niet zo. Ik weet dat je intussen een gezicht had kunnen hebben.” Ron stond op en pakte het doek van de stoel. “Ik beloof dat ik je persoonlijk kom ophalen als ik het voor elkaar heb in de stad.” Hij glimlachte en hoopte dat dat overtuigend overkwam. “En anders kom ik gewoon terug voor je. Afgesproken?” Met nog een zucht zette hij het doek weer neer. Toen hij zich omdraaide om verder in te pakken voelde het alsof de ogen in zijn rug brandden.

De rest van de dag probeerde Ron de ogen te negeren maar telkens als hij ze zag voelde hij zich schuldig, en dat gaf hem een onprettig gevoel. Hij had nog nooit zo’n emotionele band met een werk gehad als met dit, en dit waren enkel een paar ogen. Ten einde raad pakte hij een laken en legde dat over het doek. “Sorry, Clara,” zei hij in alle eerlijkheid, “maar ik kan er niet tegen als je zo naar me kijkt.”

Die avond ging Ron op bezoek bij zijn ouders. Zijn zus was er ook, en iedereen was behoorlijk trots op hem. Hij was de eerste van de familie die voor zoiets naar New York ging, op uitnodiging zelf. Ron beloofde nogmaals dat hij iedereen op de hoogte zou houden van wat hij meemaakt. Shelley onderstreepte dat ze hem eraan zou herinneren als hij het eens zou vergeten, en dat zorgde voor plezier alom.

Het bleek moeilijker dan hij had gedacht om afscheid te nemen van zijn ouders. Ze zouden niet meekomen naar het vliegveld, want dat was teveel gedoe voor ze. Ze waren tenslotte al op leeftijd.

Zijn zus had al aangeboden om hem naar het vliegveld te brengen. Ze was er al vroeg. Ron was al een tijdje op, dus waren ze erg vroeg bij de vertrekhal. De tickets lagen klaar voor hem en alles was in orde. Ron had zes schilderijen bij zich die hij aan Terence Ostring wilde laten zien. De mevrouw achter de balie bood aan om ervoor te zorgen dat ze goed ingepakt werden en veilig op reis konden. Ron nam dat aanbod graag aan. Daarna zochten ze een koffiebar op. Ron vond het prettig dat zijn zus er nog even was.

“Pas goed op jezelf, Ron,” zei Shelley. “New York is een grote stad en je hoort en leest er rare dingen over. Ik heb maar een broer en die wil ik graag houden .”

Ron grijnsde. “Pa en ma zullen beslist niet meer voor een broertje zorgen dus doe ik mijn best.” De tik die hij daarop kreeg had hij verdiend.

“Je weet wel wat ik bedoel, etterbak,” mopperde ze.

“Ik pas op. Beloofd. Met hart en penseel.” Ron hield een hand omhoog en de andere over zijn hart.

“Jij en die rare gelofte, ik snap hem nog steeds niet.” Shelley lachte. “Maar ja, er zit een penseel in en dat is heilig voor je, dus dat moet goed zitten.”

Op dat moment werd Rons vlucht omgeroepen dus moesten ze afscheid nemen. Shelley zei dat ze op hun ouders zou blijven passen (zoals altijd) en ze zou het hem meteen laten weten als er iets aan de hand was.

Hij bedankte haar voor alles en voelde zich best rot toen hij in z’n eentje door de douane ging en zijn ‘kleine zusje’ achter moest blijven. Goed, hij ging op avontuur en niet op weg naar het eind van de wereld. Hij was nu echt op weg naar New York en een mogelijk grote toekomst.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 3.

Dit is deel 1 van hoofdstuk 3.

Clara's ogen

3. De ogen van Clara

De volgende dag begon Ron met het checken van zijn e-mail. Twee keer per week was een record voor hem, maar nu had hij een geldige reden. Zijn moeite werd beloond want er was weer een e-mail van Terence Ostring. Het bevatte een compleet programma voor de reis naar New York, inclusief vluchttijden en de plaatsen waar hij de tickets op kon halen.

Voor de zekerheid kneep hij een paar keer in zijn arm. Dat deed best pijn en de e-mail was nog steeds dezelfde, dus dit moest echt zijn. Hij pakte zijn telefoon en belde Shelley om haar over de e-mail te vertellen.

Zijn zus was onder de indruk van de hele lijst aan informatie. “Dat is heel wat, Ron. Ik weet dat je best mooi schildert maar dit had ik echt niet verwacht.”

Best mooi. Nou ja, zij had andere kwaliteiten. “Dit had ik ook niet verwacht maar het is echt, zus.”

“En het is echt een retour, dat weet je zeker, hè?” Shelley zat altijd bovenop de details.

“Zeker weten. Ik moet naar Richmond International Airport en me daar melden bij de balie. Daar liggen de tickets.” Ron wachtte tot zijn zus weer wat zei. Of ze was bezig of ze zat te denken.

“Oké. Dat klinkt veilig genoeg. Zorg maar dat je je plastic tas met ondergoed klaar hebt liggen voor de grote reis naar New York, Ron.”

“Bedankt voor de hulp, Shell, ik waardeer dit echt. En ik laat je zeker weten hoe het gaat, maar het duurt nog twee weken, hoor.”

Na het gesprek moest Ron grijnzen. New York, en alles betaald. De steek van zijn zus, over die plastic zak, kon hem daarom niet deren.

Met een gebrek aan plannen voor de rest van de dag besloot hij de natuur in te trekken. Dat was een van de dingen waar hij dol op was, en dit soort uitstapjes leverde hem altijd weer inspiratie op voor een nieuw schilderij. Hij verbeeldde zich om daar samen met zijn idool, Vincent van Gogh, rond te lopen, alles te observeren en te proberen in de ziel van de wereld en het heelal te kijken, om dat later in een schilderij te vatten. Het was altijd moeilijk om te laten zien wat hij had opgevangen in zo’n wandeling, en het resultaat voelde altijd maar als een slap aftreksel van de echte ervaring. Zou er ooit iemand goed genoeg zijn om dat echt over te brengen? Om dat alles in kleuren en penseelstreken neer te zetten was een onmogelijke opgave.

“Geen wonder dat Vincent soms gek werd,” verzuchtte Ron, toen hij ergens in het zand ging zitten en van het zonlicht genoot dat door de bomen heen omlaag kwam. Hij keerde zijn gezicht naar de warmte en voelde de rust om en door hem heen stromen. En toen keek hij in Clara’s ogen.

De overgang vanaf niets naar die grote ogen was zo acuut dat hij ervan schrok. Zijn eigen ogen vlogen open en hij keek om zich heen. Natuurlijk was er niemand.

“Rustig aan, jongen,” stelde hij zichzelf gerust. “Vincent was geniaal. Geen wonder dat hij doordraaide. Wacht jij daar nou maar mee tot je het in New York gemaakt hebt.” Het waren prima woorden, maar zijn hart raasde nog steeds door de onverwachte aanblik. Ron stond op en wandelde een eindje langs de beek die door het bos liep. Hij wist dat hij op die manier met een leuke omweg weer bij zijn auto terugkwam, dus was dit een prima zet.

De verrassing had zijn bezoek aan het bos wel flink ingekort maar hij was daardoor overtuigd dat hij terug moest en die ogen moest inkleuren.

Clara’s Ogen. Deel 7

Clara's ogen

Met het gesprek achter de rug pakte Ron het blad papier op en keek naar de ogen. Of was het in de ogen? Hoe had hij deze ogen voor elkaar gekregen? Ze moesten groter, wist hij, op een goed canvas, en misschien zou hij er ooit eens een echt gezicht omheen tekenen. Maar die ogen waren nu het belangrijkste.

Hij vond een nieuw doek, zette zijn ezel op en toen begon hij aan het moeilijke werk om de ogen zo perfect mogelijk opnieuw te creëren. Het kostte hem het merendeel van de ochtend om de ogen perfect na te maken. Ze waren nog niet eens ingekleurd maar dat maakte niet uit. Ze stonden er en ze keken naar hem.

Daarna moest hij zich snel omkleden. De middag was volgepland. Hij zou bij iemand het gras gaan maaien, ergens moest een zwembad worden schoongemaakt en daarna zou hij bij de plaatselijke school gaan helpen. Verschillende lokalen waren toe aan een nieuwe laag verf. Hij vond al die dingen leuk om te doen, zeker de school, want de muur van een van de lokalen moest met allerlei afbeeldingen worden versierd. En daar was hij goed in.

~~~

Het was avond. Ron zat lekker buiten, na een verfrissende douche. De ezel met het doek met de twee ogen stond naast hem. Hij bestuurde die ogen; het was alsof hij in iemands ogen keek. Onzin natuurlijk; het waren enkel lijnen op canvas. Hij zou ze makkelijk uit kunnen vegen en er een huis op kunnen schilderen. Maar dat zou niet gebeuren. Dat wist hij. Er was iets met die ogen dat hem diep van binnen raakte, en dat verwarde hem.

“Hoe zou de mens achter die ogen heten,” vroeg hij zichzelf af. De ogen waren beslist vrouwelijk, dus moest het een vrouwennaam zijn. “Alexis.” Nee, dat klopte niet. Alexis klonk voor hem naar een wild iemand en dit waren geen wilde ogen. “Wilma? Ben je misschien een Wilma?” Die naam klopte ook niet.

Bij zijn derde biertje was hij bijna door zijn arsenaal aan vrouwennamen heen maar de ogen waren nog steeds gehuld in anonimiteit. “Je bent een… Betty. Nee, die had ik al gehad. Carla?” Dat voelde eigenlijk wel goed maar niet precies goed. “Wacht. Ik heb het. Clara.” Terwijl hij de naam uitsprak voelde hij een rilling over zijn rug. Die ogen hoorden bij Clara. Daar zou hij een weddenschap op afsluiten. Hij wist toen ook de kleur van die ogen. Grijs-blauw. En dat zouden ze morgen worden, met goed licht.

“Je hebt mooie ogen, Clara,” zei hij. Ron glimlachte.

De rest van de avond keek hij naar Clara’s ogen, terwijl hij er een gezicht omheen dacht en zich afvroeg welke kleur haar ze zou hebben.

Clara’s Ogen. Deel 6

Clara's ogen

Hij zocht de laatste e-mail van Terence Ostring up and belde het nummer onderaan het bericht. De telefoon werd snel opgenomen door een dame die hem vroeg even te wachten. Minder dan een minuut later had hij de enige echte Terence Ostring aan de lijn.

Tot Rons grote verbazing wist de man precies wie hij aan de telefoon had. Na wat informeel gepraat vroeg Ron of de man uit New York kon verduidelijken wat hij of zijn organisatie zochten en hoe ze hadden besloten dat zijn werk het juiste was.

Terence zei dat de organisatie een programma had om verborgen talent een kans te geven. “We hebben een aantal mensen in dienst die het internet afzoeken naar mensen met de gave. Mensen zoals u, meneer Brooks. Uw werk heeft een bepaalde ‘touch’, een ‘touch’ die de wereld nodig heeft. Dat is waarom we u willen ontmoeten en ook uw laatste creaties willen zien. Zo kunnen we zien of uw stijl zich heeft veranderd. Verbeterd.”

Ron voelde dat iets hem wilde waarschuwen, dat er iets niet in de haak was, maar dat gevoel werd overstemd door de plotselinge roes die hem overviel na al die lovende woorden van iemand die hij niet eens echt kende.

“We begrijpen dat u een drukbezet man bent, meneer Brooks, maar zou het schikken om over, zeg, een week of twee een ontmoeting te arrangeren? We hebben uw e-mailadres in ons bestand dus kunnen we u de details over een paar dagen sturen.”

“En u gaat dat allemaal betalen, klopt dat?” Ron was trots op zichzelf dat hij daaraan dacht. Zonder Shelley’s hulp zou hij meteen ja hebben gezegd.

“Uiteraard. U vliegt hierheen, en weer terug, op onze kosten, en wij zorgen ook voor de transfer naar en van het hotel, en voor het hotel. We zien u als een gewaardeerd gast.”

Ron fronste even. Eigenlijk zou hij het hier met Shelley over moeten hebben, maar dit klonk naar een snoepreisje zonder voorwaarden. Hij besloot de gok te wagen. “Als u de details kunt sturen zou dat prachtig zijn. Ik zorg ervoor dat ik over twee weken de ruimte heb.”

“Fantastisch, meneer Brooks,” zei Terrence. “U krijgt de informatie binnen drie dagen. Mijn dank voor het gesprek en uw tijd.”

Ron legde de telefoon neer en feliciteerde zichzelf. De ogen op het blad keken hem aan. Het voelde bijna beschuldigend. “Waar kijk jij naar?” vroeg hij de tekening. “Dit is een kans op de grote doorbraak. Dat doe je niet zomaar even.” Hij zorgde voor een kop koffie en belde toen naar zijn zus om te zeggen wat hij geregeld had.

“Daar issie weer hoor, de impulsieve broer die ik ken,” zei Shelley.

“Ik kan nog altijd afzeggen hoor,” schoot Ron in de verdediging.

“Alsof dat gaat gebeuren. Ik ken je lang genoeg, broertje. Als je maar zorgt dat je je telefoon altijd bij je hebt zodat je mij kunt bellen. Oké?”

“Beloofd, Shell. En het duurt nog even, dus heb ik genoeg tijd om de telefoon op te laden.”

Ze lachte. “Je hebt geluk dat ik mijzelf toegang heb gegeven tot jouw online kalender. Ik ga er elke dag een herinnering inzetten zodat je niet vergeet te bellen.”

“Huh? Heb ik een online kalender?” Ron krabde zich op zijn hoofd en knipoogde naar de twee ogen die hem nog steeds in de gaten leken te houden. Er was iets met die ogen en hij nam zich voor om erachter te komen wat dat was. Hij was meteen weer zo met die tekening bezig dat hij Shelley’s antwoord compleet miste. “Ja, dank je, zus,” gokte hij.

“Ron! Verdomme! Luister nou eens naar me als we aan het praten zijn! Ik zei dat je me op de hoogte moet houden van wat daar met New York gebeurd. Ook als je voor die reis wat hoort.”

“O, zeker. Absoluut. Beloofd. Ik zal je bellen. Enne, dank je nogmaals.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 2. Deel 5.

Clara's ogen

2. Terence Ostring

Die nacht droomde Ron van ogen. Hij werd een paar keer wakker en telkens vanwege diezelfde ogen. Eerst dacht hij dat hij zich wat verbeeldde, maar na de derde keer kwam hij overeind en wreef even over zijn gezicht. De klok met de grote, rode cijfers liet hem weten dat het bijna half drie ’s nachts was. Slaapdronken stond Ron op en ging naar beneden.

Die ogen… ze achtervolgden hem. Hij wist zeker dat hij ze al eerder had gezien. Hij kneep zijn eigen ogen dicht tegen het felle licht van de huiskamerlamp en weer waren daar die grote kijkers. Het waren dezelfde die hij de dag ervoor even snel had getekend. Grote, sprekende ogen, met grijs en blauwe vlekjes. Ron pakte een glas water en ging aan de tafel zitten. Daar lag de tekening. “In elk geval zijn jullie de hele tijd bij me,” zei hij tegen het blad. “Zij zou bellen, hè? Mooi niet, hè? Mooie zus…” Hij had het nog niet gezegd of hij voelde zich schuldig. Shelley was de allerbeste zus die hij zich kon wensen.

Weer keek hij naar de twee ogen op het papier. Hij kon zich niet herinneren hoeveel paar ogen hij al getekend en geschilderd had, maar deze twee hadden een diepte, een echtheid die hij nooit eerder voor elkaar had gekregen.

“Ik heb een voorstel,” zei hij tegen de tekening. “Je komt mee naar boven. En dan mag je blijven slapen.” De ogen keken zwijgend terug van het papier. Hij pakte het dikke vel op en ging terug naar zijn slaapkamer. Daar zette hij de tekening op een stoel en plofte op bed.

Die nacht droomde hij nog een paar keer over die ogen maar gelukkig sliep hij nu door tot de ochtend.

~~~

Ron zat nog aan zijn ontbijt toen de telefoon ging. “Met Ron. Brooks,” zei hij. Waarom vergat hij zijn achternaam toch zo vaak?

“Hé schilderbroertje. Ik zei toch dat ik terug zou bellen?”

“Hé Shellebel!

“Ha ha, die is zelfs leuk. Wie heeft die voor je bedacht? Zeg, over dat bedrijf in New York. Het bestaat echt, en Terence Ostring is er een hoge piet of zo. Ik heb zijn LinkedIn-profiel even bekeken. Als je hem bezoekt, breng je hem dan voor me mee? Ik kan wel een paar dingen bedenken die ik met hem wil doen.”

“Als hij leuk is en hij woont in New York dan is hij waarschijnlijk een homo, zus. Ik waarschuw je maar vast.”

Shelley was overtuigd dat ze Terence wel zou bekeren als het zover was. “Bel hem eerst maar eens op, Ron, en probeer erachter te komen wat ze echt van je willen. Als je dat weet neem je geen beslissing maar dan praat je eerst met je grote zus.”

Ron beloofde dat hij dat zou doen en bedankte haar voor al haar hulp.

Na het ontbijt keek hij naar zijn computer maar voordat die werd aangezet ging de schilder naar zijn slaapkamer en haalde de tekening met de twee ogen naar beneden. Toen schakelde hij het apparaat in.

Clara’s Ogen. Deel 4

Calara’s ogen, het laatste deel van hoofdstuk 1

Clara's ogen

Deel 4. Het laatste stuk van hoofdstuk 1.

Veel plezier!


Geachte meneer Brooks,

Ik benader u uit naam van een organisatie die op zoek is naar veelbelovend talent. Een van onze mensen ontdekte uw werk ‘Zonnewende’ op het internet, en we zijn geïnteresseerd in dat soort werk. Zou u zo vriendelijk willen zijn om ons een reactie te sturen als u in New York een ontmoeting zou willen hebben met onze organisatie?

Met vriendelijke groet,

Terence Ostring

Ron las het bericht nog een keer. New York? Nee, dat was totaal onmogelijk. Iemand had hier een blunder gemaakt. ‘Zonnewende’ was niet eens zo goed, en iemand daar vond het mooi? Hij keek naar de rest van de e-mail. Daar stond echt een adres en een telefoonnummer uit New York. New York… Dat klonk toch wel geweldig. Misschien een beetje te mooi, maar als dit waar was dan kon dit zijn ticket naar het leven zijn waar hij van droomde.

Hij klikte op de ‘antwoord’-knop en schreef een antwoord naar Terence Ostring. Hij keek de tekst een paar keer na, veranderde het een en ander en verstuurde het bericht. Ze kregen waarschijnlijk honderd van zulke mails per dag, maar niet geschoten was altijd mis.

Daarna ging hij terug naar het verwijderen van de spammails en toen dat achter de rug was kon hij zijn computer met een gerust hart weer uitzetten.

~~~

Een week later besloot Ron om nog een foto van een werk online te zetten. Hij had een paar nachten buiten gezeten om de sterrenhemel nog eens goed in beeld te brengen, en de wereld mocht het resultaat nu zien. Toen hij dat voor elkaar had, dacht hij weer aan e-mail.

Hij startte het programma en begon de lijst te bekijken. De schrik sloeg hem bijna om het hart toen hij een reactie van Terence Ostring zag staan. Wederom in de spammail.

“Geachte meneer Brooks,

Dank u voor uw reactie op mijn vorige e-mail. We zouden u graag persoonlijk begroeten in New York, op een moment dat u uitkomt. Als u ons laat weten wanneer uw agenda het toelaat, dan kunnen wij vervoer regelen voor u en een paar van uw werken. Uiteraard zorgen we dan ook voor een passende accommodatie.

In afwachting van uw antwoord,

Terence Ostring

De schilder staarde verbluft naar het scherm. Dit moest een geintje zijn. Een uitnodiging om naar New York te komen, met vervoer en hotel? Hij was geneigd om de telefoon te pakken en het nummer onderaan de mail te bellen, gewoon om zeker te zijn dat dit een grap was, maar iets hield hem tegen. In plaats daarvan belde hij zijn zus.

“Ron, ik zit op mijn werk. Ik heb geen tijd voor grappen,” siste zijn zus.

“Dit is geen grap, Shell. Ik zie dit op mijn scherm en ik heb een verstandig iemand nodig die me verteld dat ik dit moet gaan doen.” Ron wist dat hij niet een goede was om dit soort dingen te beredeneren. Hij vertrouwde daarvoor altijd op zijn zus, en tot nu toe was dat nog altijd een goed idee geweest.

“Je bent serieus, he? Oké, stuur die mail eens even door. Dan kijk ik even in mijn pauze. Misschien kan ik iets over dat bedrijf vinden.” Ze vertelde hem precies wat hij moest doen om de mail door te sturen. “Hebbes. Ik bel je als ik wat weet, Ron.”

“Dank je, Shell. Je hebt er een van me tegoed.”

“Ik zal hem in bij die duizend andere leggen,” zei ze.

Ron kon de grijns horen en bedankte haar nog eens. Toen legde hij op en zette hij de computer uit. Genoeg technologie voor vandaag. Nu was het tijd voor iets serieus. Hij zocht een schoon vel papier op, klemde dat op zijn schetsboek, en greep een paar tekenpotloden. Daarmee ging hij naar buiten, draaide zijn stoel richting het bos in de verte, en begon een paar ogen te tekenen.