Ottomar. Deel 4. Over sterk zijn.

Otto en Hille

4 – De sterke staaltjes

Ontwaken was als de hel. Ik had het gevoel alsof ik in brand stond. Bewegen leverde nog meer pijn op maar daar kwam ik heel snel achter.

“Hij is wakker,” hoorde ik Hille zeggen.

“Mooi.” Dat was Straffe. “Pier is straks terug met wat flessen. En onze Ottomar heeft denk ik wel geleerd te luisteren.”

“Wat is er gebeurd?” vroeg ik.

“Je liep tegen de zon aan,” zei Hille. “Ik had nog gezegd…” Ik voelde haar koele hand op mijn voorhoofd. Ze vertelde me hoe zij gekeerd was door een vampier uit een ver land. Die was op een schip hierheen gekomen. Die vampier had Pier en Straffe ook gekeerd, en hij had hen drieën geleerd hoe ze nu moesten leven. “Het is echt belangrijk dat je luistert en leert, Ottomar,” zei ze, “anders overleef je de eerste maanden niet.”

Ik luisterde naar haar. Ze vertelde dat de eerste drie of vier maanden belangrijk waren om te wennen aan het vampier-zijn. Zonlicht was dodelijk in die periode, en na een paar maanden zou ik in de vroege ochtend of late avond naar buiten mogen om weer te wennen. ’s Nachts hoefde ik nergens bang voor te zijn want dan was er geen zon.

Het duurde niet lang voor Pier terugkwam. Het vreemde was dat ik had gehoord dat hij eraan kwam, iets dat ik me op dat moment niet eens realiseerde. Hij had, zoals Straffe al had gezegd, flessen bij zich. Een aantal met wijn en een aantal met bloed. Ik wilde niet weten waar hij dat bloed vandaan had en het schokte me te zien dat Hille op zo’n fles aanviel en die enthousiast leegdronk. Pier bracht me persoonlijk een fles wijn.

“Hier. Drinkt. Voelt ge u spoedig beter.” Hij grijnsde. Ik dronk van de wijn en voelde hoe kracht weer in mijn lijf stroomde. Nadat ik de hele fles leeg had gedronken voelde ik me echt beter.

De nacht daarop ging ik met de drie anderen naar buiten. Hille had opdracht gekregen om bij me te blijven en te zorgen dat ik niet weg zou lopen. Het eerste uitstapje was naar het kerkhof. Of ze dat deden om me te treiteren heb ik nooit uitgevonden. Wat me meteen opviel toen we naar buiten gingen was dat ik kon zien alsof het dag was. Ik vroeg aan Hille of dat normaal was. Ze beaamde dat dit normaal was ‘voor ons soort’.

“Er zijn nog meer dingen normaal nu. Of die snel genoeg normaal zijn,” zei ze. In de weken en maanden daarop kwam ik daar wel achter. Ik was altijd al sterk geweest maar nu leek mijn kracht eindeloos. Ik kon zonder moeite een paard optillen. Ook waren mijn reflexen veel sneller dan eerst en ik kon razendsnel bewegen. Dat was hoe Straffe me die ene avond te pakken had genomen. Het duurde een tijd voor ik dat allemaal onder controle had.

We bleven meestal op plaatsen waar de gewone mensen zich in de nacht liever niet ophielden. Zo werden we niet ontdekt maar soms moesten we Vlaardingen in. Pier was niet van plan om constant flessen voor mij te halen, en de anderen moesten ook hun deel doen om aan hun rantsoen te komen.

De eerste avond dat ik meeging op zo’n tocht kwamen we heel dicht in de buurt van het huis waar mijn familie woonde. Ik had verschillende keren tegen mijn medevampiers gezegd dat ik mijn familie wilde zien, maar zij hielden vol dat dat niet goed was.

“Ze denken dat je dood bent. En dat ben je ook.”

“Maar ze hebben nooit mijn lichaam gevonden,” had ik tegengeworpen.

“Er verdwijnen vaker mensen die nooit terug worden gevonden, jong,” waren Straffes woorden. “Deels door dieven en moordenaars. En deels door ons.”

#

De telefoon gaat. Niemand hoort dat behalve ik, want het ding staat heel zacht. Hard genoeg voor mij. Ik weet dat het Hille is. “Hé, hoe is het?”

“Waar ben je? Ik moet eruit vanavond.” Haar stem klinkt dringend. Ze heeft dorst. Ik zeg haar waar ik ben en dat ik zo snel mogelijk naar haar toe zal komen. “Graag. Ik wacht beneden op je…”

Ik zeg tegen mijn collega’s dat Hille me nodig heeft en neem hun goedbedoelde grapjes van onder de knoet zitten heel even in ontvangst. Dan leg ik een handvol geld op tafel, mijn deel van de gezamenlijke rekening, en ik ga snel naar buiten.

We wonen gelukkig niet ver hiervandaan. Omdat het al laat en donker is, zijn er niet veel mensen en auto’s onderweg. Ik kan goed snelheid maken en schiet van straat naar straat terwijl ik bedenk waar we de laatste keren zijn geweest voor haar. Binnen vijf minuten sta ik bij Hille, die haar armen om zich heen heeft geslagen.

“Fijn dat je er bent,” zegt ze en knuffelt me even, maar het voelt hard en koud.

“Je hebt te lang gewacht,” mopper ik.

“Ik dacht dat het wel ging.” Ze kijkt me aan met haar grote, donkere ogen. “Sorry.”

“Komt goed. Ik denk dat we een fatsoenlijke kans maken vanavond.” Ik zeg haar de naam van een bloedbank in de buurt waar we al maanden niet zijn geweest en ze knikt opgetogen.

“Dat was een goeie, vorige keer.” Ze pakt mijn hand en we beginnen te lopen, gewoon alsof we aan het wandelen zijn. Het is bijzonder dat zij vroeger zo voor mij zorgde en dat ik dat nu voor haar doe.

Na een kwartiertje zijn we bij het gebouw. Onderweg heb ik haar een beetje bezig gehouden door over het nieuwe programma te vertellen, en het uitje in de kroeg. Ze grinnikt als ik haar over de grappen vertel, maar haar ogen zoeken al de makkelijkste weg naar binnen. Achter de dikke muren en de stalen deur van de bloedbank ligt opgeslagen wat ze nodig heeft. Het zou te makkelijk zijn om die deur open te rukken. Het is ook te opvallend. Wij gaan via het dak, waar we met een stevige sprong op terecht komen. Het is drie hoog en daar is een luik dat gebruikt kan worden bij brand of andere ellende. Uit ervaring weten we dat het nooit afgesloten is, omdat het slot ooit kapot is gegaan en de reparatie veel te duur is.

Ik trek het luik open en glijd naar binnen. Uit gewoonte vang ik Hille op als zij ook naar beneden springt. Ze heeft dat niet nodig maar het voelt goed. Lang staan we daar niet; ze heeft bloed nodig. In het donker dat voor ons niet donker is lopen we een etage naar beneden en vinden de koelruimtes.

“O en A positief,” zegt Hille als we in de ruimte staan. Ze herhaalt de twee bloedtypes als een mantra. We weten het allebei al lang. We hebben velen van ons soort zien sterven doordat ze te vaak de verkeerde bloedsoorten tot zich namen. Het is geen prettig gezicht om een vampier op die manier de tweede dood door te zien maken. Het is niet als met een mens dat het ineens afgelopen is; de tweede dood duurt verschillende minuten en is pijnlijk.

Hille heeft vier zakken in haar handen.

“Vier? Vorige keer had je er twee,” zeg ik.

“Het is erg, Otto. Heel erg.” Ze kijkt me bijna smekend aan. Met deze bloedbank heb ik een soort ongeschreven deal dat we af en toe twee zakken meenemen. Vier is dus erg veel want ik weet dat ze om donors zitten te springen.

“Oké. Voor deze keer dan.” We verlaten de koeling en ik pak mijn portemonnee. Ik leg vierhonderd euro op een bureau; de vergoeding voor vier zakken. Het voelt als veel te weinig dus leg ik er honderd bij. Als ik zie dat Hille op het punt staat in een zak te bijten, schiet ik naar haar toe en houd haar tegen. “Hille. Buiten pas.” Als ze haar tanden eenmaal in zo’n zak heeft drinkt ze hem helemaal leeg, maar het maakt wel vaak troep en dat wil ik hier binnen niet.

Ottomar deel 3. Het gaat over drank.

Otto en Hille

3 – Rode wijn, port en zonlicht

Vandaag is het een drukke dag. Er is nieuwe software in gebruik genomen waar wij als programmeer-team hard aan hebben gewerkt. We hebben ons kapot getest en we zitten nu bovenop de hoofdconsole om te zien of alles ook blijft werken. We hebben met zoveel mogelijk mensen tegelijk geprobeerd om het systeem te laten crashen maar dat is ons niet gelukt. Tot nu toe hebben de andere medewerkers het ook niet voor elkaar gekregen en dat doet ons deugd.

“Nog een half uurtje kijken, jongens,” zegt Gert, de programmaleider, “en dan geloof ik het wel. Dan gaan we dit vieren.” Een aantal anderen blijven bij de console hangen om te kijken hoe het systeem wordt gebruikt. Ik vind het wel best. Als het fout gaat dan is er niet veel nodig om dat te zien. Ik ga verder aan een stuk software waar ik graag aan knutsel. Het is iets dat geen haast heeft. Plots hoor ik iemand dichterbij komen. Vampiers horen nou eenmaal beter dan levende mensen, net als dat we een hoop andere dingen beter kunnen. Of in elk geval anders doen. Ik denk ‘beter’.

“Hé, Otto, ga je nog mee?” De collega geeft me een klap op een schouder om me te laten schrikken. Ik speel mee om niet op te vallen. Mijn zwaaiende hand laat mijn computermuis door de lucht vliegen en nog net op tijd bedenk ik dat die beter te pletter kan vallen dan dat ik het ding grijp. Dat ziet er menselijker uit, al zou ik dat ding wel tien keer uit de lucht kunnen plukken.

“Gert! Kostenpost Otto!” wordt er geroepen terwijl iedereen lacht. Goed zo, laat ze maar lachen. Hoe minder ik opval, hoe beter.

“Ik zeg toch dat zo’n ding aan een draadje beter is,” mopper ik terwijl ik de restanten van de uit-elkaar-gespatte muis opveeg. Goedkoop spul. Een tientje meer en je hebt een muis die tegen een stootje kan. Ze lachen weer. Ik ben nogal ouderwets in dit soort dingen. In de kast liggen nog stapels muizen dus de volgende dag kan ik zonder probleem weer verder.

We verlaten het kantoor, allemaal blij dat de programmatuur tot nu toe zonder storing draait. Ik heb aangeboden om vanavond nog even te gaan kijken of de nachtroutines ook goed gaan, want die draaien dan met heel wat meer informatie. We lopen vol goede moed naar de stamkroeg van het bedrijf. Raar dat een bedrijf een stamkroeg heeft eigenlijk, maar het is dichtbij en meestal wel leuk daar. Ze zijn daar onderhand ook gewend aan mijn rode-wijn-of-port-wensen, wat wel zo prettig is. Ik ben er vandaag weer aan toe.

*

“Kijk,” zei Pier toen ik aan de tafel was gaan zitten. “Ik zei dat ge stom waart geweest, ja? Wij zijn vampiers, gelijk gij nu zijt.”

“Wat zijn vampiers?” viel ik de man in de rede. Ik had nog nooit van zoiets gehoord.

“Vampiers zijn wezens die op mensen lijken maar die dood zijn geweest,” verklaarde Pier. “De meeste vampiers drinken mensenbloed om te kunnen leven.” Hij wees even naar Hille. “Da’s wat zij u gaf daarjuist.”

“Mensenbloed?” Ik staarde de man aan. Hij moest gek zijn want wie zou zoiets doen?

“Hij spreekt de waarheid,” zei Hille, die ook was aangeschoven. “Dat was mensenbloed. Gelukkig heb je niet te veel verspild want het is moeilijk om aan meer te komen zonder op te vallen.”

“Kijk,” zei Pier weer. Iets in zijn stem zorgde ervoor dat ik hem aan moest kijken. Later zou ik leren dat dat een van de vele trucjes was die vampiers ter beschikking hadden. “Soms zijn er vampiers die geen bloed kunnen verdragen. Zoals gij. En zoals ik. Want ik heb u gekeerd. Heel soms gaat dat over van de een vampier naar de ander. Ik heb er vier gekeerd nu en gij zijt de eerste die dit ook heeft.” De man reikte over de tafel naar een fles waar hij de kurk uittrok. “Hier. Een flinke teug en ge voelt u beter.”

Ik pakte de fles en rook eraan. Het was rode wijn maar van een slechte kwaliteit. Moest ik dat drinken? Aan de andere kant zou het wel de vieze smaak van het bloed uit mijn mond wassen dus deed ik wat me was opgedragen. Bijna voor niets want de vieze smaak werd vervangen door een andere, al was de oorsprong van de tweede wel beter.

“Beter, wat?” Pier keek me oprecht belangstellend aan. “Hoe ouder de wijn, hoe beter. Of port. Port is nog beter maar da’s bekans niet te betalen.” Hij stak een hand uit en wees naar de fles. Ik gaf hem de fles en hij dronk die ineens leeg.

“Zeg, heb je een naam?” vroeg Hille.

“Ottomar,” zei ik.

Hille knikte. “Altijd beter om een naam te weten.” Ze keek naar mijn kleding en betastte de stof van mijn jas. “Mooi. Duur. Goeie familie zeker.”

Ik reageerde daar niet op. Misschien waren ze gewoon op het geld van mijn familie uit, en op dat van Annegiens familie. Dat zou ze niet lukken! “Ik weet niet wat jullie van mij willen,” zei ik terwijl ik opstond en even op mijn benen wankelde. Wat voelde ik me toch raar. “Wat ik wel weet is dat ik weg moet. Ik hoor niet bij jullie dus eis ik dat jullie me laten gaan. Als jullie me niet tegenhouden zal ik jullie niet bij de schout rapporteren.”

“Haha, als we je niet laten gaan dan doe je dat ook niet,” zei Straffe, die zijn hoofd schudde. “Hille. Laat hem de deur zien.”

Hille stond op als of ze zijn dienstmeid was en liep naar een deur die in een duistere hoek van de keet zat. Even vond ik het vreemd dat ik die deur gewoon kon zien terwijl ik wist dat die in het duister verscholen lag. En hoe wist ik dat? Voor ik daar verder over kon nadenken was ik al bij de deur.

“Doe je ogen dicht,” zei Hille, die haar hand op de deurknop hield.

“Waarom? Staat de duvel buiten?” Ik begreep haar zorgen niet.

“Voor jou wel,” zei ze. “Weet je het zeker?” Ik knikte en sloot mijn ogen. Ik hoorde hoe ze de deur opende en meteen kreeg ik een dreun, alsof iets groots en zwaars pijnlijk tegen me aan klapte. De deur was dicht voor ik de grond raakte.

“Wat was dat?” wilde ik weten terwijl langzaam het pijnlijke gevoel wegebde. Ik knipperde met mijn ogen tot de vreemde witte vlekken weg waren. Waar kwamen die vandaan?

“Zonlicht,” zei Hille. “Als je pas gekeerd bent dan heb je daar last van. Dat moet je oefenen.”

“Oefenen? Zonlicht?” Ik krabbelde overeind en hield me met moeite staande tegen de muur. “Zonlicht is goed voor een mens. Ga aan de kant, ik heb dingen te doen.” Meer struikelend dan lopend begaf ik me naar de deur en trok die open.

Ottomar. Deel 2.

Welkom bij het vervolg van het verhaal van Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer.

Het stukje hieronder heet ‘Vuurdrinker’. Veel plezier!

Otto en Hille

2 – Vuurdrinker

Het was alsof ik vuur dronk. De vloeistof was warm en dik en gleed maar langzaam omlaag. Ik rukte me weg van de schaal en boog omlaag om het vuige spul uit mijn mond en keel te krijgen. Ik hoorde iemand lachen maar dat was niet aan mij besteedt. Met veel moeite wist ik het meeste van het goedje uit te spugen en keerde me naar de jonge vrouw die met kalm aankeek.

“Ik moest het proberen,” zei ze.

“Wat proberen,” zei ik. Mijn stem klonk alsof er grind in mijn keel zat. “Wie zijn jullie? Waar ben ik? En wat is er vannacht gebeurd?” Ik wilde opstaan maar dat lukte me niet.

De jonge vrouw zette de schaal op de grond. “Dat was niet vannacht. Dat was twee nachten geleden. Je bent er snel weer bij,” zei ze terwijl ze opstond. “Pier, jij moet hem vertellen wat er gebeurd is. Jij wilde de eerste beet, nu moet je ook de rest doen.”

De eerste beet? Onwillekeurig voelde ik aan mijn nek waar ik me de korte, brandende pijn herinnerde. Daar zat een plekje dat nog wel gevoelig was, maar niets waar ik me druk om hoefde te maken, wist ik. Mijn vingers kwamen schoon terug, zonder bloed. Schoon wilde in dit geval zeggen dat ze niet smeriger waren geworden, want ik zat onder het vuil van het vele vallen op het kerkhof.

Een kleine man in donkere kleren stond op van de tafel die ik niet eens gezien had. Hoe kon ik dit zien, vroeg ik me af. Er brandden geen kaarsen in deze kamer en de muren hadden geen ramen. De man plofte op de grond naast me neer. Met een grijns keek hij me aan. De man had al zijn tanden nog, viel me op. Net als de jonge vrouw, schoot me te binnen.

“Ik ben Pier,” zei de man. “Dat daar is Hille.” Hij wees naar de jonge vrouw die de schaal had opgepakt en wegliep. “En die daar is Straffe.” De man die nog aan de tafel zat hief een hand op en liet die met een dreun weer op het tafelblad vallen. “Luistert. Ik zeg dit maar ene keer. Ge zijt stom geweest om den kerkhof op te komen. Daarvoor moet ge boeten en dat is nu gedaan. Ge had den pech om ons te vinden – hah, of wij u – anders had ge er beter afgekomen. Ge had nog kunnen leven.”

De man sprak wartaal voor me dus vroeg ik of hij eindelijk eens wilde zeggen wat er eigenlijk aan de hand was. Ik moest weg, naar mijn huis en mijn werk. En naar Annegien die zich nu waarschijnlijk al vreselijke zorgen zou maken, net als mijn ouders en mijn twee zussen.

“Werk?” Pier, Straffe en Hille moesten daar allemaal om lachen. “Dat kunde ge vergeten, jong. Ge zijt nu gelijk ons. Ge zijt ‘nen vampier. Vampiers werken niet.”

“Wat?” Ik snapte niet waar de man het over had en ik besloot dat ik het niet wilde weten maar toen ik wilde opstaan hield hij me met één vinger tegen. Wat was die kleine man sterk! Ik schrok ervan.

“Niet weglopen, jong, of ge zijt met een paar uur kapot.” Pier stond op. “Kom. Aan tafel praat het beter.” Hij hield een hand uit en trok me overeind alsof ik niets woog. Op het moment dat ik op mijn eigen benen stond wist ik al dat er iets dramatisch anders was want alles aan en in me voelde vreemd.

*

Je kunt je niet voorstellen hoe het is om op zo’n manier wakker te worden. Zo ben je blij en verliefd en dronken en zo ben je gebeten door een vampier, dood geweest en kom je weer bij bewustzijn maar dan zelf als vampier.

Het gekke is dat vampieren in die tijd helemaal niet bekend waren maar er liepen er genoeg rond. Nu nog, al zul je ze niet zo snel herkennen. En nu niet aankomen dragen met dat oude sprookje van zonlicht, zilveren kogels – o nee, dat is voor weerwolven – en wijwater. Zonlicht is juist lekker warm voor ons soort en van wijwater word je enkel nat als ze met genoeg gooien. Dat spul is verder nergens goed voor.

Ik zal je straks wat meer vertellen over wat er in die tijd met Pier, Hille en Straffe gebeurde. Momenteel heb ik het geluk dat ik bij een groot bedrijf werk, als computerprogrammeur. We verzorgen de automatisering voor de bevoorrading van supermarkten en zo, en dat bevalt me prima. Daar snap je denk ik niets van want dat past niet in het stereotiep van de vampier maar ook wij gaan met de tijd mee. Het zou wat wezen zeg, om in deze tijd met een lange zwarte mantel aan rond te lopen, met een degen te zwaaien en al dat soort ouderwets gedoe meer. Dan kom je snel genoeg in de problemen, tenzij het carnaval is.

Wat ik je kan vertellen is dat het goed is om wat kennissen te hebben die je lot delen. Ik bedoel dan niet iemand van het kaliber van Pier of Straffe. Die zijn al lang geleden tegen de verkeerde aangelopen. Hmm, misschien wel de goede want die hoeven niet meer met de tijd mee. Ze zijn weg. Ja, ook dood, maar dat waren ze al een tijdje. In de 19e eeuw, toen elektriciteit uit werd gevonden, waren ze net even te nieuwsgierig en zijn toen geëlektrocuteerd. Ik was er niet bij toen het gebeurde maar naar wat ik heb gehoord was dat geen prettig einde. Het duurde een hele tijd voordat ze echt weg waren, vertelde iemand. Ja, elektra is een manier om vampieren uit te schakelen, als het voltage maar hoog genoeg is. Voorlopig maar niet aan denken, want ik voel me in deze tijd wel op mijn gemak, en Hille kan zich hier ook aardig redden.

We wonen sinds een tiental jaren weer bij elkaar en dat gaat nog goed. We weten niet hoelang nog, maar dat zien we wel. Om een of andere reden kunnen we nooit echt lang bij elkaar blijven. Elke dertig jaar of zo dan krijgt een van ons de kriebels en dan zien we elkaar weer een tijdje niet. Dat moet dan gewoon. Tegenwoordig, sinds de uitvinding van de telefoon en zeker met die smartphones, is het wel een stuk makkelijker om contact te houden als je niet bij elkaar bent. Hille heeft een tijdje in Engeland gewoond en ook in Frankrijk en Italië. Ze spreekt haar talen dan ook bijna perfect na al die eeuwen oefening. Ik mocht willen dat ik dat kon maar aan mij kan iedereen meteen horen waar ik vandaan kom.

Hille lacht me nog vaak uit omdat ik soms die oude woorden gebruik, van vroeger, terwijl ik vind dat dat best meevalt…

Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer-2

Otto en Hille

Hier is deel 2 van het eerste stukje van Ottomar en Hille. Mocht je het gemist hebben, hier is het eerste deel. De volgende bijdrage wordt heel deel 2, want het verhaal begint erg gesmeerd te lopen… De eerste alinea heb je al in stukje 1 gezien, maar om je herinnering op te frissen…

In het begin was het lastig om op het kerkhof te lopen want ook overdag durfde bijna geen goed mens zich op het kerkhof te wagen, dus waren de vele paden amper onderhouden. Overal lagen takken en twijgen, en op veel plaatsen lagen de restanten van het slechte leven, achtergelaten door rovers en ander slecht volk. Ik was al verschillende keren gevallen en door de port in mijn aderen werd het opstaan steeds lastiger.

Het eerste besef dat er echt iets niet pluis was op het kerkhof kwam tot me toen ik de stank rook. Die was opeens overal om me heen en in het duister kon ik niets zien. Ik had een sierdegen bij me, niets waard in een gevecht, maar ik trok het ding toch. Het had al vaker idioten en agressieve dronkaards verjaagd, dus hoopte ik op hetzelfde hier. Niets was minder waar.

Er schoot iets langs me. Ik voelde het meer dan dat ik het zag, want ik zei al dat het stekeduister was. Het wezen sloeg de sierdegen uit mijn hand en brak tegelijk twee van mijn vingers. Ik denk nu nog dat mijn geschreeuw vele goede mensen van het oude Vlaardingen de schrik aangejaagd heeft op die avond. Ik hoor het ze zeggen: niet pluis, vol gespuis.

De klap die ik van achteren kreeg was pijnlijk en smeet me neer in de smurrie op de grond. Toen werd me duidelijk dat mijn laatste uur geslagen had. Dit kon alleen verkeerd aflopen. Drie gedaantes waren bij me. Een van hen knielde op mijn rug om me vast te houden. De geur van goedkope, rode wijn die om hem heen hing zal ik nooit vergeten. De tweede gedaante greep een van mijn armen en trok daaraan tot die bijna uit de kom schoot. De derde gedaante knielde daarna bij me neer.

“Ge had hier niet moeten komen, zwakkeling,” zei de stem met een zwaar buitenlands accent in mijn oor. “Ge weet toch wat dit voor ‘ne plaats is? Maar ge hebt geluk. We zullen u laten gaan. Niet zomaar, niet nu, maar ge moogt hier weg als alles gedaan is dat gedaan moet worden.”

“Ga van me af,” wist ik nog te zeggen voor ik een stomp tegen mijn hoofd kreeg waardoor mijn persoonlijke deel van de nacht verlicht werd door allerlei sterren die ik nooit eerder gezien had. (Ik heb ze daarna ook nooit meer gezien gelukkig.) Het laatste wat ik me van dat moment nog herinner is die korte, brandende pijn in mijn nek waarna ik in slaap viel. Tenminste, dat dacht ik toen.

Het vreemde voor mij was dat ik geen hoofdpijn had toen ik mijn ogen weer opende. De port uit de kelders van Annegiens vader had meestal hoofdpijn tot gevolg dus dit was een bijzondere ervaring. De andere vreemde ervaring was het plafond dat eruit zag als ruwe, houten planken.

“Hij is wakker,” hoorde ik iemand zeggen. Dat vreemde accent… Dat had ik vaker gehoord. Toen wist ik het: de avond tevoren, op het kerkhof. Ik ging rechtop zitten en kwam halverwege. Daarna werd ik misselijk en viel achterover, terug op het harde matras.

Een moment later voelde ik een hand onder mijn hoofd. Toen ik opkeek zag ik het gezicht van een jonge vrouw. Ze was smerig en had grote, donkere ogen in een bleek gezicht.

“Hier. Zitten. Drinken. Anders krepeer je,” zei ze. Ik verschoot. Jongedames bezigden zulke taal niet!

“Dat houdt-ie niet,” riep iemand, maar de jonge vrouw hielp me overeind en hield een schaal voor mijn lippen. Ik dronk.

Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer

Ja. Dat is nog eens een naam. Welkom bij een experiment.

Ik ben van plan een vampierenverhaal te schrijven. Een verhaal over Nederlandse vampieren, waarvan Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer er een is. Elke week zal ik een blokje van een hoofdstuk plaatsen onder de tag #Ottomar.

Welkom in de vreemde wereld van Ottomar, of zoals hij nu heet: Otto van Bree.

Lees “Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer” verder

Even al het stof wegblazen…

Ja. Het is best een tijdje terug dat ik hier iets heb neergezet. Februari van dit jaar was het. (Zag ik net, dat had ik niet onthouden hoor!)

Waarom is het hier zo stil geweest? Omdat ik met heel veel Engelstalige boeken bezig ben geweest, en nog steeds ben. (En werk, en een studie, enzoverder.) Je kunt je tijd tenslotte maar één keer gebruiken. Tenzij je Hermelien bent, met bijbehorende ketting.

Een andere reden dat de Nederlandse boeken niet veel aandacht krijgen is dat dit niet veel aandacht krijgen. Je schrijft wel voor je plezier, dat is voor veel schrijvers in elk geval zo volgens mij, maar als ik zie dat de Engelse boeken veel meer mensen ook plezier bezorgen dan de Nederlandse, dan begint voor mij de verhouding tijd-plezier een beetje scheef te hangen. Aan een Nederlands boek ben ik evenveel tijd kwijt als aan een Engels boek, en als na vele maanden werk blijkt dat er in een half jaar wel 12 exemplaren van dat boek verkocht worden…

Misschien is de markt voor Nederlandse boeken al verzadigd, en zit niemand te wachten op de boeken die ik uitbreng.

Er ligt een begin van het derde Kobie-boek. Waarschijnlijk ga ik dat nog wel afschrijven (als in tot een einde brengen, niet ‘afschrijven’!), maar ik heb geen idee wanneer dat gaat gebeuren.

We gaan het meemaken.

In elk geval wens ik iedereen een fijne dag. Als Kobie 3 klaar is dan hoort de wereld het!

High-Tech Recherche. Het E-book.

Yep, het is zover. Het e-book is uit. Voor het zover was, moest ik nog wel even door een soort barrière heen. Wat was het geval…

Ik had het idee om dit e-book via een Amerikaans systeem te publiceren. Een goed systeem dus waarom niet. Echter… wat werd me duidelijk gemaakt door de controleurs? “De omslag kan niet want dit is pornografisch materiaal.”

Serieus??

Daarom heb ik het boek op een andere manier uitgebracht, en dat ging zonder problemen. Amerika is een bijzonder land wat de concepten van pornografie aangaat. Maar goed, het boek is er.

Het e-book is verkrijgbaar bij Amazon.de, Amazon.nl, MijnBestseller en bol.com. Bij Kobo staat het boek nog niet maar dat is een kwestie van even geduld.

Let wel: de paperbackversie heb ik nog niet klaar, dat duurt jammer genoeg nog wel even. Maar die komt!

En nu eens iets heel anders dan anders. Hou je vast.

Misdaad!

De meeste mensen die mijn Nederlandse boeken kennen, kennen me als een schrijver van fantasy en science fiction. Degenen die ook mijn Engelse boeken kennen weten dat daar ook wat Steampunk bij zit.

Een hele tijd geleden ben ik begonnen aan een totaal ander soort boek. Een misdaadverhaal. Voor degenen die zitten te wachten op moord, doodslag en andere akelige dingen: doorlopen naar de volgende boekwinkel, daar gaat mijn verhaal niet over.

Daar gaat mijn verhaal over. Da’s trouwens ook de titel van het boek (en een deel van de omslag). Het gaat over high-tech spullen die gejat worden. Maar dat is niet alles.

Wat deze en gene mogelijk niet van mij weet, is dat ik vaak een levensstijl hanteer waar niet veel mensen van op de hoogte lijken te zijn.

Naturisme.

Ik denk dat veel mensen dit wel kennen onder de naam ‘nudisme’. Wat ook veel mensen ervan weten komt van het internet, en wat daar onder nudisme en naturisme wordt aangeboden, laat de echte naturisten en nudisten de haren te bergen rijzen.

Zoek eens op naturisme. 10 tegen 1 dat je een of andere porno website tegenkomt.

Dat heeft helemaal niets met naturisme of nudisme te maken.

De naakte waarheid.

“De naakte waarheid” is de ondertitel van mijn misdaadroman.

Zoals je denk ik intussen wel hebt begrepen, speelt naturisme (het echte, niet de porno-variant) een rol in het boek. Met dit boek wil ik op een eerlijke wijze die manier van leven onder de aandacht brengen. Een aantal vooroordelen en mythes daaromtrent ontmantelen.

Op die manier moet Gerben Benders, de rechercheur in het verhaal, ook de zowat onmogelijk diefstallen ontmantelen.

Het boek in het kort.

Gerben Benders is een rechercheur, en een goede. Daarom wordt hij op een zaak gezet die iedereen voor raadsels stelt: bij een bedrijf dat speciale, high-tech componenten maakt, wordt gestolen. Met alle beveiliging die aanwezig is, lijkt dat onmogelijk maar het gebeurt.

Aan Gerben de opdracht om uit te zoeken wie achter de diefstallen zit. Het onderzoek brengt hem op een plek waar hij nooit had verwacht ooit te komen. Dat op zijn beurt maakt dat hij iets ontdekt over zijn vrouw, iets waar ze het nooit over heeft gehad.

Op meer dan een manier neemt dit boek je mee op een ontdekkingsreis. Waar houdt die reis op? Bij ‘de naakte waarheid’.

Zo. Dat gezegd (oké, geschreven) hebbende wens ik je een fijne dag! Wil je meer weten over “High-Tech Recherche”, laat het me dan weten via een reactie hieronder, de contactpagina of een e-mailtje.

Een review op verzoek. Hoe was Kobie?

Een tijdje geleden heb ik het eerste boek over Kobie Ketelaars gepubliceerd.

Omdat ik heel nieuwsgierig was naar de reactie van lezers, heb ik een aantal mensen gevraagd het boek eens te lezen (en ja, ze kregen dat dus gratis van me) om me te laten weten wat ze van het boek vinden.

Vandaag kreeg ik een reactie binnen die ik graag met iedereen wil delen:

Met veel plezier heb ik het boek ‘Heksentraining’ van Paul Kater gelezen.

Een magisch boek over een magisch boek en een middelbare scholiere in een gewoon gezin, maar naarmate het boek vordert wordt het leven van de scholiere steeds minder gewoon (en alles om haar heen ook).

Een aanrader!

De spanning wordt steeds verder opgebouwd en na verloop van tijd wordt het steeds moeilijker om het boek weg te leggen.

Ik kan niet wachten op deel 2!

Het is denk ik niet verwonderlijk dat ik hier heel erg blij mee en trots op ben.

De reviewer gaf eerlijk aan dat hij niet bang was dat het niet zo goed zou zijn, omdat hij al meer dan 20 delen van mijn Engelse serie Hilda the Wicked Witch had gelezen. (Dat gaf mij al een goed gevoel!)

Gelukkig viel dat dus allemaal nogal mee. 🙂

Wil je meer weten over Kobie? Kijk dan eens hier!