Clara’s Ogen. Hoofdtuk 5, het laatste deel

Clara's ogen

Het bed was nog steeds te zacht. Ron probeerde te lezen voor het slapengaan maar hij kon geen echt comfortabele houding vinden, dus legde hij het boek weg en deed hij de lamp uit. De geur van deze grote suite was nog steeds vreemd. Hij sloot zijn ogen en wachtte op de slaap, die niet lang op zich liet wachten.

Een stem die “hallo” zei maakte dat hij met een ruk rechtop ging zitten. Het duurde even voor hij zich realiseerde dat het helemaal niet donker was in de slaapkamer. Hij had het licht toch uitgedaan?

“Hallo?” vroeg hij terug, erg wakker voor iemand die net nog diep in slaap was geweest.

“Hallo,” zei de stem weer. Een vrouwenstem. Het gekke was dat het vrouwenlichaam, dat normaal bij een vrouwenstem hoorde, er niet was.

“Wie ben je?” Ron keek rond. Niemand. “En waar ben je?”

“Ik ben Clara en ik weet niet waar ik ben. Het is erg donker hier.”

“Ehm. Dit is niet echt, hè? Ik ben in een hotel in Manhattan, het is midden in de nacht en ik ken maar één Clara. Dat meisje uit Central Park.” En kennen was best een groot woord.

“Maar je kent mij ook,” zei de stem kalm. De stem was zacht en vriendelijk. Voor iemand die niet wist waar ze was, klonk de vrouw erg beheerst. “En je hebt al eerder met me gepraat.”

“Ehm.” Ron fronste. “Ik heb met je gepraat…” Hij snapte het niet. “Wacht even. De enige andere Clara waar ik mee heb gepraat is het schilderij. De ogen. En nu ga jij me vertellen dat jij dat bent?”

“Ik denk het wel. Ik weet het niet zeker. Maar ik hoor je stem als je tegen me praat.”

Ron probeerde zich te herinneren of hij misschien iets vreemds gegeten of gedronken had, want dit kon niet waar zijn. Hij stapte uit bed en liep naar de woonkamer. Die was net zo helder verlicht als de slaapkamer, maar er was niemand. Geen vrouw. Alleen hij. “Kun je me nog steeds horen?”

“Ja.”

“En… kun je me zien?”

“Nee. Ik zei toch dat het hier donker is?”

“O ja. Klopt.” Ron voelde zich nu opgelaten en tegelijk vreemd. Hoe kon hij nou in een hotel, midden in de nacht, tegen een onzichtbare vrouw praten die niet wist waar ze was. Misschien toch teveel bier, Ron? “En sinds wanneer ben je daar? Waar daar dan ook is?”

“Dat weet ik niet. Niet lang, denk ik.”

Ron ging op de bank zitten, in wat hij vermoedde dat zijn droom was. “En ben je in een kamer?” Terwijl hij het vroeg was hij niet zeker of hij hier wel in mee moest gaan. Dit sloeg nergens op. Hij zou terug naar bed moeten gaan en gewoon doorslapen.

“Misschien.”

“Je verwart me, Clara.”

“Sorry. Ik dacht dat het een goed idee zou zijn om met je te praten, maar als je je daardoor niet goed voelt…” Ze klonk een beetje gekwetst.

“Ook sorry, Clara. Ik wilde niet grof zijn. Ik zou nu eigenlijk moeten slapen. Waarom slaap jij trouwens niet?”

Even was het stil. “Ik geloof niet dat ik dat ooit gedaan heb. Is het fijn om te slapen?”

“O ja, beslist. Je gaat liggen en… wacht… weet je niet wat slapen is?”

“Nee.”

Ron stond op van de bank en liep terug naar de slaapkamer. “Ik denk dat dit gesprek nu lang genoeg heeft geduurd. Ik ben waarschijnlijk aan het slaapwandelen. Iedereen weet wat slapen is. Ik ga daar nu mee verder. Misschien krijg jij de smaak ook te pakken.”

Hij stond stil naast het bed maar de stem was verdwenen. Met een zucht gleed hij het bed in en trok het dekbed over zich heen. Zijn ogen vielen dicht.

De volgende ochtend werd hij wakker op de bank in de woonkamer.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 5, deel 5

Clara's ogen

Ron bracht de rest van de dag door in Central Park. Dat was vanaf het eerste moment zijn favoriete plek in deze betonnen jungle met de naam Manhattan. Hij vertelde zichzelf dat hij daar ooit aan zou wennen; dat hij enkel wat tijd nodig had. Midlothian in Virginia was een heel ander soort land dan dit. Waarschijnlijk woonden hier in New York meer mensen in een van de lange straten dan dat er in zijn hele geboorteplaats woonden.

De middag liet een nieuw publiek zien. Ron genoot van de verschillende mensen, de kleding, de kleuren en de ongelofelijke variatie in al die gezichten. Zoveel verschil op zo’n klein oppervlak…

Toen hij besloot terug te gaan dacht hij weer aan het meisje Clara die hem had geholpen met zijn telefoon. Hij vroeg zich af wat hem had bewogen om de kleur van de ogen te noemen die hij in zijn tekening had gebruikt. Waarschijnlijk kwam dat door de naam. Clara was geen veel voorkomende naam, dus om een Clara te ontmoeten was nogal bijzonder. Even stond Ron stil en dacht terug aan het gevoel dat hij thuis had gehad, die avond, met de tekening van Clara’s ogen naast hem op de ezel.

“Je moet oppassen, jongen,” zei hij tegen zichzelf. “Je krijgt nog een Clara-obsessie.” Maar er waren heel wat ergere dingen dan een paar grijs-blauwe ogen, en met die zekerheid wandelde hij verder, terwijl hij naar een restaurant zocht waar hij wilde eten.

Toen hij dat gevonden had zocht hij een plekje weg van de ramen. Hij had zoveel indrukken opgenomen die ochtend dat hij dat allemaal even moest laten bezinken. Met de menukaart in handen staarde hij in het niets. Misschien had Vincent van Gogh zulke momenten ook gehad, dacht de schilder. Even terugtrekken van alle indrukken.

“Wat zal het zijn?” vroeg de serveerster, die hem uit zijn gedachten haalde.

Ron liet van schrik het menu op de tafel vallen. “O… Sorry… Ik zat even te denken…”

“Zouden er meer moeten doen,” zei de serveerster met een knipoog. “Kijk nog maar even. Kan ik intussen iets te drinken brengen?”

Ron vroeg een glas bier en bestudeerde daarna de kaart met aandacht. Toen zijn biertje er was bestelde hij iets eenvoudigs en daarna had hij weer tijd om na te denken. Meteen dacht hij aan Clara. De serveerster had blauwe ogen en die leken een beetje op die van zijn Clara. Dat verraste hem wel een beetje. Alweer Clara. Wat was dat toch met Clara?

Hij realiseerde zich dat hij nu een tijd in New York zou blijven en daar was hij helemaal niet op voorbereid! Snel belde hij naar zijn zus.

“Shell? Ik heb een contract. Getekend en al.”

“En dat heb je helemaal doorgelezen zeker.” Ze klonk niet overtuigd.

“Het belangrijkste wel,” zei hij stellig. “En ik blijf hier nu drie maanden voor wat werk. Daarna kijken we wat het vervolg is.”

“Drie maanden? Jezus, Ron! Waar ben je mee bezig?”

Hij deed zijn best haar gerust te stellen en vertelde over de toelage, het appartement en de plannen voor die drie maanden, en daarna vroeg hij of ze een paar dozen met kleren wilde opsturen.

“Dozen. Heb je mijn broer weer,” zuchtte ze. ‘”Ik regel wel een koffer, Ron. Da’s veel veiliger.”

Na het gesprek kwam de serveerster zijn bestelling brengen. Omdat het rustig was had ze wat tijd om met hem te kletsen – hij vond dat niet erg. Hij vertelde haar waarom hij in de stad was en dat hij eigenlijk zijn baan al in de zak had. Dat vond ze bijzonder.

“Niet veel mensen komen hierheen en krijgen het zo snel voor elkaar,” zei ze. Daarna liep ze weg om een nieuwe klant te helpen.

Ron wist hoeveel geluk hij had gehad en liet een aardige fooi achter.

Terug in het hotel trakteerde hij zichzelf op nog een biertje en ging toen met de lift naar de enorme suite die hij nog een nacht kon gebruiken.

Even keek hij televisie, maar het scherm was zo groot dat het voelde alsof iedereen bij hem in de kamer was. Dat was teveel van het goede, dus de TV ging uit. Hij pakte zijn telefoon en bladerde nog eens door de foto’s van die ochtend. Hij zag nu dat er veel bij zaten die niet zo goed waren, maar ze hoorden bij de herinnering aan deze dag.

Omdat hij zo vroeg op was gestaan die ochtend, besloot hij maar vroeg naar bed te gaan. De volgende dag zou best wel weer eens druk kunnen worden met ‘de verhuizing’. Morgen begon er een nieuw hoofdstuk in het boek van zijn leven.

Clara’s Ogen, hoofdstuk 5 deel 4 – en Kobie!

Kobie? Ja, er is een nieuw verhaal van Kobie de jonge heks verschenen, een paar dagen geleden. Je kunt hier meer lezen.

In het kort:

Kobies winkel draait goed en alles lijkt haar voor de wind te gaan. Tot de ruzie. Koen verdwijnt, en ze vindt hem terug in een vreselijke toestand. Wat is hier gaande? Wie is Appie van Leeuwen, en wat heeft hij te verbergen? Daarnaast is er ook nog een wisseling van personeel bij de Boekanier, en hoe gaat dat uitpakken? Als dan ook nog de ‘dames’ van het voormalige Genua-kamp op bezoek komen, wordt het helemaal een vreemde bedoening.

En nu verder met Clara en Ron!

Hier is het vervolg van hoofdstuk 5.

Clara's ogen

Toen hij bij een gigantisch raam stond en naar de drukke straat onder hem keek, ging de deur open.

“Hallo Ron. Fijn dat je er al bent.”

“Meneer Ostring, goedemiddag. Het is fijn dat ik hier mag zijn,” zei Ron.

“Ga zitten, ga zitten. Heb je over ons aanbod nagedacht?”

Ron had dat helemaal niet gedaan. De eerste ontmoeting met Manhattan had hem veel te veel bezig gehouden, maar hij voelde zich net zo zeker over deze kans als de avond tevoren. Daarom zei hij tegen meneer Ostring dat hij er goed over had nagedacht en dat hij graag op het aanbod inging.

“Dat is goed nieuws, Ron. Heel goed. Ik heb je werk vanmorgen aan mijn partners laten zien en die zien het helemaal zitten met je.” Daarna vroeg de man hoe Ron de ochtend had doorgebracht, en knikte enthousiast toen Ron over zijn wandeling vertelde. Hij keek ook met interesse naar sommige foto’s die Ron liet zien.

Voor een moment was Ron terug in Central Park toen hij een foto van het meer zag. In gedachten zag hij het meisje Clara weer, die hem had geholpen met zijn telefoon. Het was onmogelijk een korte glimlach te onderdrukken.

“Als je zeker bent van je zaak, dan kunnen we dit een stap verder brengen, Ron.” Meneer Ostring liep naar zijn bureau en pakte een officieel uitziende map uit een lade. Daar zaten twee kleine setjes papier in, op keurig briefpapier. “Dit zijn twee kopieën van het contract. Als je een van de sets wilt doorlezen…”

Ron pakte een van de setjes aan en begon te lezen. Het zat er allemaal nogal standaard uit, voor zover hij op de hoogte was met contracten. Er werd uitgewijd over de drie maanden, het adres van het appartement, de hoogte van de maandelijkse toelage en nog meer details. Het zag er allemaal prima uit. Vanaf bladzijde drie begon het ingewikkelde, saaie gedoe over aansprakelijkheid, rechten en plichten en meer van dat. Na twee alinea’s was Ron dat al zat en keek er verder maar vluchtig overheen. Het laatste stuk van het contract was dan weer wel belangrijk. Dat vermeldde dat het contract na drie maanden verviel en dat op dat moment iedere partij aan zijn verplichtingen had voldaan. Als hij dan besloot bij de organisatie te blijven zou er een nieuw contract opgesteld worden.

Er was niets op aan te merken, vond Ron, dus vroeg hij een pen en ondertekende de contracten. Meneer Ostring deed dat ook en daarop schudden ze elkaar de hand.

“Welkom bij onze organisatie, Ron. In elk geval voor drie maanden.”

Jess bracht drie glazen champagne.

“Ik weet zeker dat je een waardevolle toevoeging zult zijn voor onze groep creatieve experts.”

Het geluid van kristallen glazen tegen elkaar bezegelde het moment.

Na die korte ceremonie zei Jess dat Harvey al klaar stond om Ron terug te brengen naar het hotel, waar hij nog een nacht zou blijven. De volgende dag zou Harvey hem ophalen en naar het appartement brengen waar de volgende fase van Rons leven zou beginnen.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 5, deel 3.

Clara's ogen

Het meisje grijnsde en deed de routine nog eens voor, nu heel langzaam en overdreven. “En nou jij.”

Ron herhaalde de acties en zowaar, daar waren zijn foto’s.

“En nou niet vergeten, oké? Ik kom hier niet altijd langs als je zit te kloten.”

“Hé Clara, kom je nog?” riep een van haar vrienden. De groep was een stukje doorgelopen en iemand miste haar nu dan toch.

“Heet jij Clara?” vroeg Ron.

“Ja. Mag dat niet?” Ze stond op.

“Tuurlijk wel, maar Clara heeft blauwgrijze ogen,” flapte hij eruit.

Clara keek hem even onderzoekend aan. “Niet deze Clara.” Ze grinnikte even. “Veel plezier met je foto’s.”

“Dank je!” riep hij haar na terwijl ze naar haar vrienden holde. Wat een rare ontmoeting zeg, een Clara, midden in New York. Hij keek nog even naar de weglopende groep en bekeek daarna zijn foto’s. Die waren niet eens zo slecht geworden. Toen kreeg hij een idee. Hij schakelde de telefoon weer in en belde zijn zus. “Shelley! Je raadt nooit waar ik ben!”

“Je zit in de gevangenis en dit is het enige telefoontje dat je mag maken.” Shelley klonk geamuseerd.

“Nee. Ik zit in Central Park. Op een bankje. Bij een meer.”

“O. Dat klinkt niet best.”

“Waarom niet?” Ron had die reactie niet verwacht.

“Anders zou je toch aan het werk zijn? Of hebben ze je op de eerste dag al ontslagen, en zit je nu op de bus te wachten die je terugbrengt naar het vliegveld?”

Ron schoot in de lach en vertelde haar dat dit onderdeel was van zijn oriëntatie en hoe de vorige dag was verlopen. Ze was aardig onder de indruk van haar broer en beloofde het goede nieuws door te geven aan hun ouders. Na het telefoongesprek stond Ron op, vond de weg naar buiten en toen, met de kaart in de hand, ging hij op zoek naar het gevoel van Manhattan.

Zijn wandeling bracht hem naar de Gutenberg Speelplaats en daarvandaan kwam hij terecht bij het park genaamd Hellekeuken. Het was een boeiende plek waar mensen basketbal en handbal speelden. Misschien een goede plek om te onthouden, voor als hij zelf eens sportief wilde zijn.

Ron keek op zijn horloge toen zijn maag aankondigde dat honger in aantocht was. Al bijna middag? De tijd was omgevlogen, en om twee uur zou Harvey hem weer komen halen! Opschieten dus, terug naar het hotel om iets te eten. Hij had ook niet veel gegeten vanmorgen, en dat was ook nog eens erg vroeg geweest, dus volgde hij de kaart en vond hij zonder problemen de weg terug.

Ron zat in de lobby zijn ochtendfoto’s te bekijken toen de chauffeur binnenkwam.

“Goedemiddag, meneer Brooks. Bent u zover?”

Ron grinnikte. “Zeker weten. Weet je dat ik bijna te laat was?” Terwijl ze onderweg waren vertelde Ron de man over zijn ochtendwandeling door Manhattan en hoe leuk dat was geweest.

Snel waren ze bij de bestemming, waar Jess Ron alvast het kantoor van meneer Ostring binnenloodste. De man was er nog niet; iets met een lunchafspraak die uit liep, verklaarde ze. Maar Ron kon in het kantoor wachten. Dat was een stuk prettiger dan in de wachtkamer. “En als u iets uit de bar wilt hebben, er is genoeg,” zei ze.

Ron hield het bij een bitter-lemon en bekeek met aandacht een aantal schilderijen die aan de muren hingen. Sommige waren echt goed. Andere waren een stuk minder geslaagd. Daar had iemand geprobeerd een oude meester na te doen en was daarin totaal mislukt. Waarom een kunstliefhebber als meneer Ostring zoiets aan de muur wilde hebben snapte Ron niet.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 5, deel 2.

Clara's ogen

Na iets te eten en een beker koffie kon Ron de wereld aan en liep naar de uitgang, toen hij zich realiseerde dat hij eigenlijk geen idee had waar hij was. Manhattan was best groot. De vroege vogel aan de receptie was erg behulpzaam en gaf hem een kaar van de omgeving. De beste plek om heen te wandelen nu was Central Park, zei de man.

“Wij zijn op de 58e straat,” wees de man aan. Hij zette een kruisje op de kaart. “Als u de deur uit gaat en rechtsaf gaat en dan weer rechts bij de volgende kruising, dan loopt u zo het park in. Dat is niet missen al ben je blind.”

Ron grijnsde om die uitdrukking. Hij bedankte de man en begon toen aan zijn eerste solo-avontuur in New York.

Het vroege ochtendlicht was zo bijzonder hier dat hij na een paar honderd meter al stopte om rond te kijken. Het voelde bijzonder, dus pakte hij zijn telefoon, overtuigde het apparaat om de camera in te schakelen en toen maakte hij wat foto’s. Het apparaat klikte als een echt fototoestel dus moest het gelukt zijn. Daarna wandelde hij door naar 6th Avenue en sloeg rechtsaf. De man aan de receptie had helemaal gelijk: vanaf hier was het zo goed als onmogelijk om het park te missen.

Op zijn gemak slenterde hij door en liep uiteindelijk het park in. Ondanks het vroege uur waren er al heel wat mensen op de been. De meeste waren joggers en andere gezondheidsfanaten, maar er waren ook een hoop jongeren die blijkbaar niets beters te doen hadden dan rondhangen en er verveeld uit te zien.

Een paar van de groepen waren erg kleurrijk en zouden een prachtig thema zijn voor een schilderij, maar Ron betwijfelde of het hem in dank zou worden afgenomen als hij een foto maakte. Hij was tenslotte in New York, en hij had vaak gehoord dat een leven hier vaak niet veel waard was.

Langzaamaan kwam de zon op, en het park veranderde in een explosie van rood en oranje. Ron bleef foto’s maken van een boom die er een minuut geleden nog als een gewone boom uit had gezien. Nu leek die wel van binnen in brand te staan. Als hij zoiets ooit op een doek zou kunnen zetten dan zou hij de gelukkigste schilder van de wereld zijn.

Na de fotoserie begon hij weer te wandelen. Meer vertrouwend op zijn gevoel dan op bordjes kwam hij aan bij een groot meer. Volgens de infoborden was het gewoon The Pond genoemd. Het Meer. Lekker makkelijk. Er was een uitnodigend pad dat eromheen liep maar dat zou hem niet veel van de stad laten zien. En dat was nou net de bedoeling van meneer Ostring. Nou ja, Central Park was nou ook niet echt de stad maar voor een jongen uit Virginia, zoals Ron, was het een goede start. Hij besloot toch het pad te volgen.

Na een uurtje lopen en foto’s maken vond hij een bank waar hij op ging zitten. Hij wilde zijn foto’s bekijken maar de camera in zijn telefoon wilde die geheimen niet prijsgeven. Na de derde poging werd Ron ongeduldig en zat flink te mopperen op de moderne techniek toen een groep tieners voorbij kwam.

“Hé. Heb je een probleem?” vroeg een meisje uit de groep die naar Ron toeliep.

Hij keek op naar het meisje met de donkere huid. Ze had gitzwart haar en diep-bruine ogen. “Ik probeer de foto’s te bekijken die ik net heb gemaakt, maar ik ben hier niet zo handig in.”

“Dat zie ik,” zei het meisje terwijl ze naast hem ging zitten en de telefoon uit zijn handen graaide. “Kijk. Je drukt hierop, dan tik je hier, en hier, en dan hier en dan dat, en dan zie je je foto’s.”

“Ehm. Kun je dat nog eens doen, maar dan in slow motion?” Ron knipperde met zijn ogen. Hoe kreeg ze dat zo snel voor elkaar? Het was niet eens haar telefoon.

Clara’s ogen. Hoofdstuk 4 en 5

Clara's ogen

Na het diner werd Ron door Harvey teruggebracht naar het hotel. De chauffeur vroeg hoe het was gegaan.

Ron grijnsde. “Als hij een contract uit zijn zak had getrokken dan had ik het waarschijnlijk meteen getekend. Dit voelt goed, Harvey. Als de grote kans waar ik op hoopte, en ik ga ‘m benutten ook.”

“Gefeliciteerd in dat geval, meneer Brooks.”

“Dank je…” Ron keek naar de voorbijglijdende lichtjes van Manhattan terwijl hij probeerde te begrijpen hoe dit allemaal zo plotseling kon gebeuren. Iemand had dus zijn magere verzameling schilderijen op internet gevonden en nu was hij in New York, met wat leek zijn eigen chauffeur en zijn eigen limousine, en een contract om te schilderen bijna in zijn zak? Het was allemaal bijzonder, maar wel bijzonder leuk.

Eenmaal terug in het hotel keek Ron nog eens rond. Een appartement hier zou beslist wat anders zijn, zeker voor drie maanden, dus zou hij zich deze luxe maar eens uitgebreid gunnen. Hij keek op de klok. Het was al middernacht geweest. Niet de beste tijd om Shelley te bellen, besloot hij. Dat moest dan maar tot morgenochtend wachten.

In de badkamer grijnsde hij naar zijn spiegelbeeld. “Ouwe boef,” zei hij, “je gaat ze allemaal platschilderen. Je kunt het. Je hebt het in je, Ron.”

Zittend op het bed probeerde hij de wekker te zetten, maar gaf dat al snel op. Zoals altijd was de techniek slimmer dan hij. Hij zou wel vanzelf wakker worden.

Het bed was zachter dan hij gewend was, maar dat maakte voor een paar nachten niet uit. De verwachte, onmiddellijke slaap bleef uit. In plaats van een reis naar dromenland bleef hij maar denken aan alles wat hem vandaag was overkomen. Uiteindelijk werd hij doezelig. Zijn oogleden werden zwaar en toen kwam de slaap.

5. De stad

Ron werd met een schok wakker. De hele nacht had hij ‘bezoek’ gehad van de grote ogen die hij getekend had. Die van Clara. Soms hadden ze droevig gekeken, soms afkeurend en soms hadden ze hem enkel gadegeslagen. De laatste keer dat ze hem ‘bezocht’ had was heel verrassend geweest, en de sensatie alsof hij in die ogen viel was wat hem gewekt had. Langzaam wreef de schilder over zijn gezicht.

“Clara, Clara,” zei hij zachtjes, “we moeten een betere manier vinden om elkaar te ontmoeten. Dit is niet praktisch, en het kost me teveel slaap. Dat heb ik nodig, meisje.” Hij draaide zich op een zij en keek naar de klok. Bijna vijf uur. “Jezus, nog midden in de nacht…”

Ron schopte de dekens weg en stond op. De laatste ervaring met die ogen had ervoor gezorgd dat hij voorlopig niet meer zou slapen, dat wist hij zeker.

Eerst maar eens douchen. Daar nam hij uitgebreid de tijd voor; het was tenslotte vroeg genoeg. Daarna trok hij snel wat aan, greep zijn jas en ging naar het restaurant in de hoop dat hij een klein hapje kon eten. Veel had hij niet nodig na het diner van de vorige avond maar hij zou en moest ontbijten.

Tot zijn vreugde was het restaurant al open en hij was niet eens de eerste of enige. Een aantal mensen zat rustig te eten. Een paar zagen eruit alsof ze net van een lange, zware nacht binnen waren gekomen.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 4

Ja, inderdaad. Vorige week helemaal vergeten. Daarom deze ronde een dubbele dosis!

Clara's ogen

De auto stopte voor een gebouw dat helemaal uit de toon viel naast de uitbundig verlichte etablissementen.

“Denk niet dat dit een grap is, meneer Brooks. Dit is de plaats om uit te gaan eten tegenwoordig,” zei Harvey terwijl hij de autodeur voor Ron openhield. “Loop de trap maar op en zeg de man bij de deur dat meneer Ostring u verwacht, dan komt het allemaal in orde.”

“Dank je, Harvey.” Ron knikte om zijn dankbaarheid te onderstrepen en liep toen de trap op.

Het restaurant was ongelofelijk luxe ingericht. Meneer Ostring was er al, net als Jess. Die zag er prachtig uit, en er was ook heel veel Jess te zien, merkte Ron op.

De drie werden naar een tafeltje gebracht waar ze iets konden drinken, en terwijl het diner werd geserveerd was meneer Ostring aan het uitleggen hoe hij en zijn compagnons werkten.

“Wij kiezen alleen het meestbelovende talent, Ron. Zoals je hebt gemerkt scharen wij jou daaronder. Je werk heeft een bepaalde flair en dat raakt me. Als we tot overeenstemming kunnen komen dan regelen we over drie maanden een kleine tentoonstelling voor je. In die tijd maak je nog wat doeken zodat we er twaalf tot vijftien hebben. Je beste werk. Denk je dat je dat gaat lukken in die tijd?”

“Dat zal geen probleem zijn, meneer. Ik heb nog wat werk liggen thuis dat nog niet af is. Als ik die-“

“Nee, Ron. We willen echt nieuw, vers werk. Het laatste nieuwe van je. Werk dat de energie weerspiegelt die je hier opvangt, in en om de stad. Als je met ons mee wilt werken voor die eerste tentoonstelling dan zorgen we voor een appartement voor je, hier in de stad. Daar kun je werken. Je krijgt een bescheiden toelage voor je werk en wij zorgen voor al het materiaal dat je nodig hebt.”

Daar moest Ron even over nadenken. Hoe zou Shelley dit aanpakken? Hmm. Hij vroeg hoe hoog de bescheiden toelage zou zijn en schrok van de hoogte van het bedrag. Jess verzekerde hem dat het niet meer dan een normaal bedrag was voor het leven in New York. De deal was: zes tot acht schilderijen in drie maanden, en de vrijheid om te gaan en te staan waar hij wilde, om de vibe van de stad te pakken te krijgen. Alles bij elkaar klonk dit wel heel aangenaam, zeker omdat hij er geen klusjes bij hoefde te doen om rond te komen.

“We verwachten niet dat je onmiddellijk beslist, Ron. Denk erover. Slaap er een nachtje over. Harvey haalt je morgenochtend op om door de stad te toeren. Wij weten dat zoiets belangrijk is voor artiesten; om gevoel voor de omgeving te krijgen. Niet vergeten, je moet schilderen wat je hier opvangt, Ron. Op die manier kunnen we ook zien hoe snel je iets oppakt en je aanpast aan de omgeving. Hoe flexibel je schilderwerk is.”

Ron was onder de indruk hoe doordacht dit allemaal was. Ze namen nogal wat risico met iemand die ze amper kenden, dus hadden zij het voor het zeggen. Terwijl hij nog nadacht vroeg meneer Ostring of hij het werk van de oude meesters kende en waardeerde.

“Neem me niet kwalijk?”

Meneer Ostring glimlachte even. “Je kent ze beslist, Ron. Rembrandt, van Gogh, Monet, Botticelli…”

“O, zeker, beslist. Van Gogh is mijn grote voorbeeld in veel werken. Ik was enkel een beetje verbaasd door die vraag.”

“Mooi zo,” zei meneer Ostring. “Mag ik je uitdagen, Ron? Zou je van de schilderijen die je de komende maanden gaat maken iets in de stijl van drie meesters kunnen maken? Van Gogh is prima. En bijvoorbeeld Rembrandt en Da Vinci?”

“Leonardo da Vinci? Ik weet niet of ik zo goed ben,” bekende Ron. “Die man heeft een heel unieke stijl.”

Meneer Ostring knikte. “Dat klopt, maar zou dat geen geweldige uitdaging zijn? Ik beloof je dat het geen invloed zal hebben op de uitkomst als je er niets van kunt maken, maar we zijn altijd geïnteresseerd in hoeverre iemands reikwijdte is met z’n penseel.”

“Als ik me kan beperken tot Vincent van Gogh, dan ben ik uw man, meneer Ostring. Ik ben een grote fan van zijn werk en soms voel ik me een beetje als hem. Als u begrijpt wat ik bedoel.”

Jess keek Ron even aan en zei toen: “Je hebt wel allebei je oren nog.” Het was het eerste dat ze die avond zei.

“Dat klopt, en dat wil ik ook zo houden,” zei Ron.

Meneer Ostring glimlachte daar even om. “Je bent, denk ik, wat verbaasd om dit verzoek, Ron. De reden hiervoor is deze: soms krijgen we verzoeken om tentoonstellingen te doen in een bepaald genre, bijvoorbeeld dat van Rubens. Zoals je begrijpt is het ondoenlijk om een galerij vol met echte Rubensen te krijgen, dus als we een aantal mensen hebben die werk in die stijl kunnen produceren, dan wordt dat allemaal een stuk eenvoudiger. En dat is dan weer goed voor onze naam en voor de naam van de artiesten die hieraan meewerkten. We hadden eens een Rembrandt-achtige tentoonstelling en de reacties daarop waren adembenemend, was het niet, Jess?”

Jess knikte en leunde over de tafel. Haar toch al weinig verhullende jurk onthulde daardoor nog wat meer, waardoor Ron even niet wist waar hij moest kijken. “Het was indrukwekkend, Ron, en beslist een signaal dat de wereld nog niet genoeg heeft van de oude meesters. De kritieken waren geweldig.”

Ron had niet verwacht dat deze mensen zulke specifieke ideeën hadden over de werken die ze wilden hebben en het sprak hem allemaal ontzettend aan. “Als ik dit allemaal hoor dan kan ik bijna niet wachten om aan het werk te gaan,” zei hij in alle eerlijkheid.

“Dat is mooi, Ron.” Terence Ostring hief zijn glas. “Op het vooruitzicht van een een mooie samenwerking.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 3

Clara's ogen

“Ging het goed?” wilde Harvey weten. “Het viel me op dat de schilderijen op kantoor blijven. Dat is een goed teken.”

“Het ging snel,” zei Ron. “Heel snel. Ik had gedacht dat dit allemaal veel moeilijker zou gaan.”

“De baas houdt niet zo van moeilijk,” wist Harvey. “Dat houdt de gang van zaken alleen maar op. Als hij je werk goed vindt dan vindt hij het goed. Als niet, dan word je niet eens gevraagd om te komen. Ik heb heel wat mensen opgehaald van het vliegveld, en een groot deel daarvan werkt nog steeds voor hem.”

Ron vond dat waardevolle informatie.

De rit naar het hotel ging traag, want het avondverkeer was op gang gekomen. Uiteindelijk kwam de vaart weer terug, omdat veel auto’s naar andere straten afsloegen. Ron had intussen tijd genoeg om deze enorme stad in zich op te nemen. Hij hing even scheef in de auto om de bovenkant van de wolkenkrabbers te kunnen zien. “Die zijn echt hoog.” Hij moest dat feit gewoon even kwijt.

Harvey grijnsde. “Dat was de bedoeling ook.”

“Als ik dit zie, krijg ik meteen weer ideeën voor een schilderij,” zei Ron. “Iets in de trant van Dali. Niet dat ik daar zo dol op ben maar het zou geweldig worden.”

“Goed, meneer Brooks. Even een tip van iemand die het weet. Nooit Dali aankaarten als meneer Ostring in de buurt is. Hij heeft een absolute hekel aan dat werk, al moet hij er soms over praten in deze tak van sport.”

Nog meer belangrijke informatie, begreep Ron. Goed dat hij dit wist voor het diner vanavond.

Niet veel later stopte de auto bij het hotel. Harvey vroeg of Ron zich zou redden.

De schilder wist dat het allemaal wel zou lukken. Hij had de sleutel van de kamer – o nee, suite – bij zich en hij wist waar de lift was. Harvey zou op tijd weer in de lobby zijn om hem op te halen. Ron stapte uit en liep het hotel in.

“Juist. Lift…”

Uiteindelijk werd hij geholpen door iemand. De liften waren te goed verstopt voor een schilder uit Midlothian.

Eenmaal weer in de gigantische kamer maakt hij zijn koffer open en haalde er wat spullen uit die hij later aan zou doen. Een controle stelde hem gerust: geen verfvlekken.

Daarna nam hij zijn tijd in de enorme badkamer en daarna, gehuld in de schone kleding, ging hij op de bank zitten. Het zou nog even duren voor Harvey zou komen, dus belde hij zijn zus om te laten weten wat er tot dan toe was gebeurd.

Shelley was opgetogen dat het allemaal zo voorspoedig ging, maar waarschuwde hem wel om allerlei papieren goed te lezen voor hij er een handtekening opzette. Na het gesprek liet Ron de gebeurtenissen van die dag nog eens de mentale revue passeren. Tot nu toe was het geweldig gegaan. Hopelijk bleef dit zo, maar hij was reëel genoeg te beseffen dat er wel wat hobbels op de weg zouden zijn.

Toen hij dat allemaal bedacht had dwaalden zijn gedachten af naar de ogen van Clara, die thuis onder een laken op hem stonden te wachten. Samen met een stapel andere schilderijen die ook nog eens af moesten worden gemaakt. Een korte gedachte flitste door zijn hoofd maar voor hij helemaal doorhad wat die gedachte was, zoemde de huistelefoon.

“Uw chauffeur is aangekomen, meneer Brooks.”

Uw chauffeur. Ron grijnsde terwijl hij een colbertje aanschoot en op zoek ging naar de lift. De grijns was er nog steeds toen hij de lobby instapte.

Eenmaal weer in de limousine vroeg Ron simpelweg aan Harvey of meneer Ostring hem een positie aan zou bieden.

“Misschien wel, misschien niet. Dat weet ik echt niet, meneer Brooks. Dat weet alleen hij. Het feit dat u uit eten wordt gevraagd is wel een goed teken. Reken voorlopig alleen maar op een uitstekend diner, dan wordt u niet teleurgesteld.”

Dat klonk als een goed advies.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 2

Clara's ogen

Meneer Brooks was al de deur uit. Dat was een goed teken, vond Ron, die de deksel van de kist losmaakt en een van de doeken eruit viste. “Dit is er een die me heel dierbaar is, meneer Ostring.” Ron besloot niet meteen te familiair te zijn hier. Dit was tenslotte de man van het geld. Hij vertelde hoe hij de inspiratie had gevonden voor het werk en welke emoties hij had geprobeerd in de afbeelding te leggen.

Terwijl hij sprak viel het hem op de Jess wel heel dichtbij ‘de baas’ zat. Veel dichter dan een gewone secretaresse zou doen, voor zover hij wist. Nou ja, misschien waren de twee getrouwd. Dat zou natuurlijk zomaar kunnen.

Meneer Ostring vroeg een paar dingen over de doeken die Ron liet zien, over de soorten verf die hij had gekozen en een hoop andere schildertechnische dingen, wat wel aangaf dat deze man echt wist waar hij het over had. Ron voelde zich op zijn gemak bij deze man die, mager als hij was, een vertrouwen uitstraalde. Dit voelde echt en goed. Niet als een oplichterskliek. Die zouden een gebouw als dit nooit kunnen betalen. Wat hem ook opviel was dat zijn antwoorden blijkbaar de juiste waren.

“Ron…” Meneer Ostring leunde voorover, zijn ellebogen op de magere knieën. “Je hebt echt gevoel voor dit vak. Ik wil je uitnodigen voor een etentje vanavond. Dan kunnen we over de zakenkant van deze samenwerking praten. Als je daarna het gevoel hebt dat je mee wilt doen dan kunnen we morgen meteen over de contractenkant praten.”

Daar had Ron niet op gerekend. Contracten? Morgen? Kon het leven echt zo simpel zijn als je eenmaal in het juiste kantoor zat? “Dat klinkt geweldig, meneer. Ik ben alleen, ehm, nou, nogal verrast.”

“Verrast, Ron?”

“Ja. Ik had meer, weet u, moeilijke dingen verwacht. U hebt enkel naar mijn schilderijen gekeken, wat vragen gesteld en dat was het. Toch?”

“Maar dat is toch waarvoor je hierheen gekomen bent, Ron? Om te schilderen?” Meneer Ostring glimlachte. “We hebben onze scouts, Ron. Die zoeken het internet af naar talent. De hele dag. En als ze iemand ontdekken dan gaan we niet over een nacht ijs voor we iemand uitnodigen. We weten al heel veel over je, mijn beste. Jij bent een van de twee mensen die we het laatste jaar hebben uitgenodigd. Dat zou je wat moeten zeggen, Ron. Als die vakmensen in zes maanden tijd maar twee personen vinden die aan onze kwaliteitseisen voldoen.”

De man stond op. “Ik zal Harvey instrueren je naar het hotel te brengen zodat je je op kunt frissen. En dan is hij er om half acht weer, om je naar het restaurant te brengen.” Meneer Ostring keek naar de kist. “Zou je je schilderijen hier willen laten, Ron? Dan kan ik ze aan mijn partners laten zien morgenochtend.” Toen Ron fronste zei hij dat Ron de kist ook mee mocht nemen, maar dat zou wel het nodige sjouwwerk zijn, met het gevaar op beschadiging. “We zullen je werk hier in onze kluis bewaren. Daar kun je ze zelf inzetten als je wilt.”

Dat klonk dan wel weer goed. Ron accepteerde het aanbod en volgde de twee, met zijn kist, naar een andere kamer, waar een enorme kluisdeur werd geopend. Hij zette de kist op een schap en Jess hing er een kaartje aan dat dit de werken waren van Ron Brooks. De kluisdeur ging daarna dicht met een gedempte maar bevredigende dreun.

Harvey, de chauffeur, wachtte al op hem, dus nadat Ron meneer Ostring en Jess had bedankt ging de reis per lift naar de parkeergarage en vandaar weer naar het hotel.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 4, deel 1

Clara's ogen

4. Het voorstel

De organisatie was gehuisvest in een gebouw dat leek op een stalen skelet dat bij elkaar werd gehouden door al het glas eromheen. Toen Ron vroeg of de architect dronken was geweest moest de chauffeur grinniken.

“Ik durf het niet te zeggen, meneer Brooks.”

Ze gingen naar binnen, werden meteen verder gestuurd door een receptioniste die veel te mooi was om waar te zijn, en begaven zich met de lift naar de elfde verdieping. Na een paar gangen werd Ron met zijn schilderijen in een wachtkamer achtergelaten, waarna de chauffeur een kantoor binnenging.

De schilder uit Virginia keek rond, maar voor hij alles had bekeken ging de deur open. Een wezen, nog mooier dan de receptioniste, kwam naar buiten en stelde zich voor als Jess, de secretaresse van meneer Ostring, en ze vroeg hem binnen te komen.

Ron droeg de krat met schilderijen het kantoor in. Jess sloot de deur achter hem terwijl Rons mond openviel toen hij de overdadige luxe in het kantoor zag. Het tapijt was zo hoog dat het moeilijk was om eroverheen te lopen. De muren waren bedekt met schilderijen in de meest extreme stijlen. Dat zei wel iets over de man die hier werkte.

“Meneer Brooks.” De stem rukte Ron uit zijn verbazing en terug naar de reden waarvoor hij hier was. “Hoe aangenaam om u persoonlijk te leren kennen.” Dat was duidelijk Terence Ostring. Ron zag een magere, bleke man. Door zijn voorkomen leek hij meer dan twee meter lang, maar hij bleek maar een half hoofd langer te zijn dan de schilder. Terence Ostring was al achter zijn gigantische bureau vandaan gekomen en liep op Ron af, een hand al uitgestoken.

“O, juist,” zei Ron terwijl hij rondkeek naar een plek om zijn krat neer te zetten. Zo kon hij de man nooit de hand schudden.

“Zet de kist maar naast de bank,” zei Jess behulpzaam. “Dan maken we die zo wel open.”

Ron bedankte haar en liet de kist zakken. Daarna schudde hij de aangeboden hand. Die voelde aan als een dunne handschoen vol fijne botjes, dus zorgde Ron ervoor dat hij niet te hard kneep. In Midlothian werden handen stevig geschud. Als Ron hier echt iets wilde bereiken, kon hij beter voorzichtig zijn met zijn mogelijk nieuwe werkgever. “Aangenaam kennis te maken, meneer Ostring,” zei hij.

“Geheel mijnerzijds. Alstublieft, ga ergens zitten.” Meneer Ostring zwaaide zijn arm over de vele zitplaatsen in het kantoor. “Wilt u iets drinken?”

Ron vroeg om een biertje en was verbaasd toen Jess vroeg welke van de zeven soorten in de koelkast zijn voorkeur had. Ze noemde zelfs de namen op. Geen van hen zei hem iets dus koos hij voor het bier met de gekste naam. Met zijn bier (in een glas!) ging hij op de bank zitten, naast zijn schilderijen. Terence Ostring accepteerde een glas witte wijn van Jess, die er voor zichzelf ook een had ingeschonken. Daarna gingen de twee naast elkaar tegenover hem zitten.

De schilder wist niet of het nu aan hem was om met praten te beginnen, maar de man tegenover hem loste dat snel op. “Ron, ik ben benieuwd naar je werk. Laat eens wat zien.”