Blog

Clara’s Ogen, Hoofdstuk 18, deel 3.

Clara's ogen

Door al dit gedoe was zijn lust om te schilderen wel bedorven, merkte hij. Na een half uur zt hij nog steeds naar het schilderij te staren, terwijl hij het liefst naar huis wilde rennen en naar Clara’s vreemde wereld vluchten. Hij keek om zich heen. Tim was aan het werk maar leek er geen plezier in te hebben. Bob zat bijna met zijn neus in de Vermeer om de lijntjes goed te krijgen, en Laura, met een koptelefoon op, zat op haar kruk te swingen alsof er niets aan de hand was.

Met een zucht begon Ron zijn spullen op te ruimen. Deze middag werd niets meer, dat wist hij.

“Fijne middag nog, allemaal,” zei hij. “Morgen verder.”

De anderen vroegen hem wat er aan de hand was, maar hij kon dat niet echt uitleggen.

“Het lukt gewoon niet vandaag. Zoals ik al zei, morgen verder.”

“Oké, man. Goeie reis,” zei Bob. Laura zwaaide even, en Tim had de hele wereld buitengesloten.

Terwijl Ron in de trein en de bus naar huis zat, werd zijn verlangen om bij Clara te zijn steeds groter. Tegen de tijd dat hij bij het appartementencomplex was, was hij aan het joggen en hij wilde niet wachten op de lift. Hij nam de trap met twee treden tegelijk en kwam hijgend aan in de woonkamer. “Ik moet echt meer bewegen,” zei hij tegen zichzelf.

“Ron!” Clara’s stem galmde met zoveel blijdschap in zijn hoofd dat zijn vermoeidheid op slag verdween.

“Lieverd! Ik ben er weer!”

“Ja, ik weet het, maar ben je niet erg vroeg terug?” vroeg ze.

Ron wist niet precies hoe zij dat wist, maar negeerde dat. Hij vertelde haar wat er was gebeurd en smeerde wat verf op zijn vingers. “En dus ben ik nu hier en kom ik maar je toe, Clara.” Hij legde het schilderij op de tafel en leunde eroverheen. Toen rook hij aan de verf en was hij klaar voor de vreemde duik door de vlekkerige tunnel.

Toen hij de zachte vloer onder zich voelde, liet hij een zucht ontsnappen en toen hij zijn ogen opende, zag hij Clara naast hem zitten. Ze leunde over hem heen. Haar grote ogen keken hem strak aan terwijl haar lippen steeds dichter bij de zijne kwamen. Ron stak zijn armen uit en trok haar boven op hem. “Ik houd van je,” fluisterde hij, vlak voordat hun lippen elkaar raakten.

“Ik houd ook van jou, Ron,” antwoordde ze toen de kus heel even onderbroken werd.

Uiteindelijk rolde ze van hem af en, terwijl ze naast hem lag met zijn arm om haar heen, vertelde ze dat ze had gevoeld dat hij het gebouw binnen was gekomen. “Misschien was dat omdat je zoveel haast had, want anders voel ik je pas als je bij de deur bent.”

“Hmm, dat is interessant.” Ron wist dat ze de deur kon vinden, omdat ze die door zijn ogen had gezien. Hij kuste haar haren. “Ik vind je mooi.”

Clara keek hem aan en voor de eerste keer zag hij haar blozen. “Dank je.” Ze keken een tijdlang in elkaars ogen. Toen vroeg ze wat hij die dag gedaan had.

Ron vertelde haar over het schilderij waar hij aan bezig was, en hoe hij ruzie had met een paar details die maar niet goed wilden worden. “Als ik, net zoals bij jou, dat schilderij in kon gaan, dan zou het een stuk makkelijker zijn, denk ik. Het origineel is nogal klein van formaat, dus zijn de details van een van de klokken heel moeilijk te vangen.”

“Waarom ga je dan niet dat schilderij in?” vroeg Clara. Ze ging rechtop zitten en keek wat verbaasd.

“Wat?” Ron kwam ook overeind. “Omdat ik hierin kan komen – mijn eigen werk – betekent niet dat ik zomaar in elk willekeurig schilderij kan stappen, lieve Clara.”

Ze fronste, iets wat ze volgens hem nog nooit eerder had gedaan. “Jij bent niet van hier, Ron. Er is zoveel dat je niet weet.” Ze stond op en liep naar een van de muren. Die was van hetzelfde vreemde materiaal als de vloer. Clara tekende met haar vinger op de muur en daar verschenen lijnen. Ze draaide zich om naar hem. “Zie je Als je de afbeelding die je wilt bezoeken kunt tekenen, dan kun je daar ook binnengaan.”

Ron stond op en staarde naar de lijnen op de muur. “Je meent het, hè?”

“Ja, zeker. Ik meen het, Ron.” Clara veegde met haar open hand over de muur. De lijnen verdwenen waar ze die aanraakte. “Probeer het maar.”

Ron stond voor de muur en raakte die voorzichtig aan. Langzaam tekende hij een cirkel, veegde die uit en maakte daarna, heel grof, een afbeelding van de klok waar hij een probleem mee had. Alsof de muur wist wat hij bedoelde, verscheen de klok onder zijn hand. Ron draaide zich om en keek Clara aan, die stond te stralen. “Dit is geweldig! Alsof het zichzelf schildert!”

Met een brede glimlach op haar gezicht vroeg Clara hem om het hele schilderij te maken, want ze wilde het graag zien.

Rons handen vlogen over de muur; het schilderij van Dali verscheen net zo snel als hij het zich kon inbeelden.

“Denk eraan dat je hetzelfde verkeerd maakt als op dat andere schilderij,” waarschuwde Clara hem.

Hij knikte en wees naar het liggende klokje. Er liepen mieren over het klokje, en dat was zijn grootste probleem met dit schilderij. Die beestjes waren nu enkel vage kloddertjes. In recordtijd was de afbeelding compleet. Hij stapte achteruit en bekeek de bijzondere creatie. “Zo ziet het er nu uit.”

Clara pakte zijn hand. “En je weet wat je moet verbeteren, Ron?”

“Beslist. Ik weet het wel, maar ik krijg het niet goed.”

“Kom dan met me mee.” Ze stapte naar voren en trok hem mee. Terwijl ze de muur naderden leek het alsof het schilderij samenvloeide met de ruimte waar ze nu waren. De donkere vloer van de Dali spreidde zich uit onder hun voeten. Ron staarde ernaar, terwijl hij zich heel erg bewust was van Clara’s warme hand in de zijne.

Clara’s Ogen, Hoofdstuk 18, deel 2.

Clara's ogen

Laura keek zo vaak naar Ron dat hij het ongemakkelijk begon te vinden. “Is er iets met me?” vroeg hij uiteindelijk.

“Ja. Iets met jou,” zei ze. “Ik kan er nog niet bij met mijn verstand dat je me niet binnenliet toen ik een paar avonden geleden aan de deur stond.”

“Sorry. Ik was bezig.” Het klonk heel stom maar het was waar.

“Dat bleek. Wil je een keer een herhaling?”

Ron kon bijna niet geloven dat ze dat vroeg, terwijl Bob erbij zat en veinsde zijn bord te bekijken. “Nee, dank je. Dat is niets voor mij. Eerlijk, het ligt niet aan jou, hoor.”

Laura tilde haar koffie op. “Goed hoor. Ik dacht het gewoon even te vragen.”

Bob leek niet warm of koud te worden van het vreemde gesprek; hij at gewoon door en negeerde de rest van de wereld.

Na het eten was het groepje alweer snel op de bovenste verdieping van het gebouw. Daar vonden ze Tim, die met zijn rug tegen een van de hoge ramen zat.

“Hé, hoe is het met je?” Bob klonk bezorgd.

“Ik? O, prima hoor. Ik heb enkel het gevoel dat ik mezelf van kant moet maken.”

Ron en Laura keken elkaar even aan. “En waarom dat?” vroeg Ron aan de jongeman.

Tim zuchtte terwijl hij van zijn kruk afkwam. Hij keerde zich naar de stad die voor hen lag. “Het voelt alsof dat de enige uitweg is. Alles wat ik wil doen is schilderen, en ik heb eens gekeken naar wat jullie maken. Als ik dat vergelijk met wat ik na vier jaar presteer, dan ben ik totaal mislukt. Iedereen zegt dat ik goed ben, maar…” Hij schudde zijn hoofd. “Welke andere keus heb ik dan nog?”

Ron stelde voor om het door anderen te laten doen, maar zijn grapje viel niet in goede aarde. Laura gaf hem een mep. “Hé, auw, jij slaat veel te hard voor een meisje…”

Hij liep naar de ezel waar Tim bezig was. De replica zat onder de verfspatten, zelfs het ‘origineel’ was besmeurd. Tim was duidelijk in z’n eentje door het lint gegaan. Ron veegde zo goed mogelijk de vlekken van het gelamineerde voorbeeld. Het was een Monet. “Dat is het pad in Monet’s tuin,” wist hij. “Monet is vreselijk moeilijk te kopiëren, Tim. Waarom heb je dat gedaan?”

Ron pakte een doekje en probeerde het canvas schoon te maken zonder het schilderwerk teveel aan te tasten, maar het hielp niet erg. Tim had zijn best gedaan om het werk te vernielen en dat was goed gelukt. Het was ook nog eens een groot doek, om dit te herstellen zou iemand minstens een week bezig zijn. Monet schilderde heel gedetailleerd, en in dit schilderij was de hoeveelheid kleur ook enorm.

“Niet veel aan te redden,” zei hij uiteindelijk tegen Laura en Bob. “Opnieuw doen is het snelste en beste.”

Laura keek Tim aan en gaf hem een draai om zijn oren. “Idioot!” brieste ze. “Je bent echt een idioot, Tim, en ik zou je een pak rammel moeten geven. Je hebt je contract al binnen. Je maakt prachtige replica’s – anders zou je hier niet staan – en nu haal je dit in je stomme kop?” Ze gaf hem nog een rake klap. “Wanneer moet dat klaar zijn?” vroeg ze, naar het schilderij wijzend.

Tim haalde zijn schouders op. “Woensdag, of donderdag.”

“Kunnen we dit echt niet repareren?” vroeg Bob.

“Doe je best,” zei Ron. “Ik moet deze Dali maandag af hebben, daar ben ik de rest van het weekend wel mee bezig.”

Laura schudde haar hoofd. “Ik ga hier niet aan beginnen. Hij heeft zelf het gat gegraven en is erin gesprongen. Nou moet hij er zelf maar uitklimmen. Ga door het stof voor meneer Ostring, zeg dat er iets mis is gegaan en dat je opnieuw moet beginnen. Als je aanbiedt om dat zonder de normale extra’s te doen dan komt het wel goed.”

“Maar er is niets misgegaan,” riep Tim. “Alleen ik!”

“Echt niet,” zei Ron. “Een poot van de ezel brak en daardoor ging er verf over het schilderij. Stom pech.”

“Maar de ezel…” begon Tim, maar voor hij meer kon zeggen had Ron een van de houten poten een trap gegeven. Die brak, en het hele spul ging tegen de vlakte.

“Zei je iets?” vroeg Ron rustig. “Poot gebroken. Houtworm of zoiets, wie zal het zeggen. Pak een andere ezel, haal een nieuw doek en begin, of ik geef je een schop onder je kont.” Daarna beende hij naar zijn eigen werk en ging zitten.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 18, deel 1.

Clara's ogen

18. Dali en de parel

Ron werd wakker. Clara was de hele nacht bij hem geweest, in zijn dromen. Warm, levend en echt. Het licht dat door de gordijnen drong herinnerde hem eraan dat hij een afspraak had met Bob, en dat de tijd van dromen ten einde was gekomen.

“Goedemorgen, lieve Ron,” fluisterde Clara toen hij aan het ontbijten was.

“Goedemorgen, lieve Clara.” Ron glimlachte. “Ik hoop dat je je niet verveeld hebt terwijl ik sliep.”

“Nee, helemaal niet,” zei ze. “Ik was bij je. Een tijdlang hield ik mijn ogen dicht, lag ik hier op de grond en dacht ik dat ik bij je was. Dat was fijn.”

Hij vertelde haar over zijn dromen. “Je was overal, altijd, en dat was… meer dan fijn,” zei Ron. Hij dronk het laatste beetje koffie op. “En nu moet ik jammer genoeg weg, mooie vrouw.” Hij vond het moeilijk dat te zeggen.

“Ik weet het, Ron. Je hebt daarbuiten dingen te doen. Maar ik ben hier als je terugkomt.”

Ron kon een glimlach niet tegenhouden. “En dan zijn we weer samen. Ik houd van je, Clara.”

“En ik van jou, Ron.”

De glimlach bleef zo lang op Rons gezicht plakken dat Bob hem zag. “Hé, Ron. Wat zie jij er blij uit. Mazzel gehad vannacht?”

“Dat wel, maar niet zoals jij denkt.”

“O? Wil je erover praten?” Bob was niet opdringerig, enkel geïnteresseerd.

“Nee, nu niet, dank je.”

De twee reisden naar de stad en al snel waren ze bezig op de bovenste verdieping. Er waren nooit veel mensen aanwezig op zaterdag, maar Ron was vastbesloten om de Dali dit weekend af te krijgen, en hij had ook beloofd om naar de parel van de Vermeer te kijken. Maar eerst ging hij zijn best doen op de Dali. Dit was uitzinnige en bijzondere kunst die veel aandacht verdiende.

De twee mannen spendeerden heel wat tijd aan de tijd van hun respectieve werken. In de loop van de ochtend kwamen er nog twee schilders binnen. Laura was een van hen, de ander een knaap genaamd Tim. Ron kende hem eigenlijk niet.

Bob verliet de open ruimte even en kwam terug met een grote pot koffie en een aantal bekers. “Even tijd voor ontspanning, lieden,” kondigde hij aan.

Terwijl iedereen bij elkaar zat en iets vertelde over zichzelf, kreeg Ron het gevoel dat ze een beetje familie waren. Toen hij daar een opmerking over maakte, zeiden de anderen dat ze dat gevoel ook hadden.

“We hebben allemaal verf in ons bloed,” zei Tim. Hij was iemand die bijna nooit met de anderen meeging om te eten. Het was best een aardige vent die amper iets zei, dus die opmerking wilde wat zeggen.

“Ik denk soms dat Verf een van mijn voornamen had moeten zijn,” grapte Bob.

“Dan verander ik mijn achternaam in McVerf,” zei Laura. “Mijn opa kwam uit Schotland.”

Het ontspannen gebabbel was goed voor ieders gemoed en na de koffie en wat toiletbezoeken was iedereen weer fris om aan het werk te gaan. Ron liep met Bob mee om naar de oorbel te kijken waar de man zoveel moeite mee had.

Samen gooiden ze er een half uur tegenaan om de parel beter te krijgen, en na die tijd vroegen ze Laura om ook mee te kijken. Zoveel tijd op zo’n klein stukje canvas had hen beiden onzeker gemaakt.

Laura keurde de oorbel goed, maar had wel opmerkingen over de structuur in het gezicht van het meisje. “De barstjes zijn niet duidelijk genoeg, Bob. Die lijnen zijn net niet donker genoeg, en daar, bij haar neus, ben je ze helemaal vergeten.”

“Verdorie.” Bob zuchtte diep. “En ik was al bij dat ik daar vanaf zou zijn. Nou, bedankt hoor.”

“Dit is een schilderij uit de late zeventiende eeuw, jongen, dat moet je eraan af kunnen zien.” Ze klopte hem op de schouder. “Je kunt dit beter.”

Bob knikte. “Weet ik. Met deze wil het gewoon niet. Misschien is het het licht… Als nog eens iemand tegen me zegt dat schilderen een koud kunstje is dan krijgt-ie een dikke penseel in zijn…”

“Ho, stop,” zei Ron. “Dat is niet de mindset om aan dit soort detail te werken, Bob. Neem even een pauze. Ga wandelen of zo.”

“Of lunchen,” zei Tim vanachter zijn ezel. “Is het tijd voor.”

“Goed plan, Tim. Wie gaat er allemaal mee?” Laura was meteen voor dat idee. Tim schudde zijn hoofd, maar wenste hen een prettige maaltijd.

De drie schildervrienden zochten het restaurant in het gebouw op maar dat bleek gesloten te zijn. Vanwege te weinig klandizie in het weekend, duidelijk. Ze vonden verderop in de straat een zaak die open was en waar ze van harte welkom waren.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 17, deel 2.

Clara's ogen

De anderen van de schildersgroep waren al vertrokken toen ze in het appartementencomplex kwamen, dus gingen ze meteen door naar het restaurant. Aan het eind van een lange tafel waren nog twee stoelen vrij. Bijna iedereen had al gegeten en stond op het punt te vertrekken, maar een paar mensen bleven nog even plakken om met de laatkomers over hun projecten te praten.

Ron vertelde hen over de hint van de bonus die meneer Ostring had genoemd. “Gebeurt dat vaker?”

Laura knikte. “Zeker. Als er iets speciaals is, dan staan ze al snel met iets extra’s te wapperen.” Ze grijnsde. Het was duidelijk dat ze er al ervaring mee had. Bob, voorheen Ross, zorgde voor Rons pilsje, en na een snelle hap eten ging de rest van de groep ook naar huis.

~~~

“Hallo, Ron,” zei Clara toen hij binnenkwam.

“Hallo, lieve Clara.” Hij glimlachte en voelde een enorme aandrang om zijn armen om haar heen te slaan. “Ik heb heel wat aan je gedacht vandaag.” Dat was niet overdreven. Bijna elk moment dat hij niet had geschilderd, waren zijn gedachten bij haar geweest.

“Dat vind ik zo fijn, Ron. Ik heb aan jou gedacht. Heel vaak. Kun je naar me toekomen, Ron? Of ben je moe? Je was zo lang weg dat ik me een beetje zorgen maakte.” Haar stem was zacht en zorgzaam.

“Ik wil graag naar jou toekomen, lieverd,” zei Ron, terwijl hij al rondkeek naar wat verf die hij op zijn vingers kon smeren. Hij zorgde dat het de goede soort verf was, met dezelfde geur. Gelukkig had hij daar een hoop van liggen.

Ron legde haar schilderij op tafel, knipte de lamp aan en deed wat verf op zijn hand. Hij legde de tube weg en rook aan zijn vingers. Daarna leunde hij op tafel, om op het draaierige gevoel te wachten. Terwijl hij begon te vallen wist hij dat hij daar nooit aan zou wennen…

De vlekken schoten langs hem heen en daar was de hand die hij greep. Een moment later lag hij op zijn rug in Clara’s… wereld. Wereld, want een kamer was het niet echt.

Zij zat op haar knieën naast hem en hield zijn hand vast terwijl hij rechtop ging zitten.

“Dit is echt een rare manier om hierheen te komen,” zei hij met een knipoog.

Clara reageerde daar niet op. Ze omhelsde hem en kuste hem op de mond. Ze had zo’n haast dat ze over de vloer rolden. “Mijn Ron, mijn Ron,” zei ze, tussen de kussen door. “Ik ben zo blij dat je hier weer bent, dat ik je weer kan voelen.”

Ron lag op zijn rug met Clara bovenop hem. Haar haren hingen als een korte sluier om haar gezicht. Haar glimlach en haar ogen was alles wat hij op dat moment zag. “Had ik nog maar een paar extra armen, dan kon ik je vasthouden en tegelijk je gezicht strelen.”

Ze glimlachte weer. Toen bracht ze langzaam haar gezicht naar het zijne, tot haar wang op zijn lippen rustte. “Nu houd je me vast en streel je tegelijk mijn gezicht,” fluisterde ze. Toen draaide ze haar hoofd en kuste hem. Daarna vroeg ze: “Als je meer voor iemand voelt dan je kunt zeggen… is daar een woord voor, Ron? Ik bedoel dat het zo sterk is dat je elk moment bij die persoon wilt zijn.”

Ron knikte. “Als je dat echt voelt, dan houd je van die persoon.”

“Dan denk ik dat ik van jou houd, Ron.” Ze kuste hem weer. Toen ze haar hoofd optilde stonden er een paar tranen in haar ogen. “Ik houd van je, en dat maakt me bang, Ron.” Haar stem trilde, voor zover die nog te horen was.

Ron tilde een hand op en streelde haar haren. “Ik weet niet of het helpt, maar ik houd ook van jou, Clara. En ik ben ook een beetje bang.” Eerlijk gezegd was hij vreselijk bang voor het gevoel dat hij voor haar had, vooral vanwege wie ze was, maar dat wilde hij niet zeggen.

“Hoe maakt het jou bang, Ron?” vroeg ze. “Als jij het tegen mij zegt, dan probeer ik tegen jou te zeggen hoe het mij bang maakt.”

Ron keek in haar ogen, die nu een stuk donkerder leken. “Ik ben nooit in een echte relatie met iemand geweest. Er was nooit iemand die ik mijn grote liefde wilde of kon noemen. En opeens was jij daar, en ik krijg je niet uit mijn hoofd, al zou ik willen, en…” Hier moest hij even diep ademhalen. “En wat me nog de meeste angst aanjaagt is dat jij hier woont, en ik… daarbuiten.”

Clara knikte. “Dat is waar ik het bangst voor ben, Ron. Hoe kunnen we voor altijd bij elkaar zijn als we niet altijd bij elkaar kunnen zijn?” Ze verschoof een beetje en legde haar hoofd op zijn borst. “Ik ben bang, Ron. Bang dat jij op een dag niet meer hierheen kunt komen. Dat we elkaar niet meer vast kunnen houden zoals we nu doen.” Ze hield hem zo stevig vast als ze maar kon. “Ik wil je niet verliezen, Ron. Ik zou zonder jou niet kunnen leven, weet je dat?”

De schilder voelde overal het koude zweet. Het was waar. Zonder hem zou ze letterlijk geen leven hebben. Ze kwam uit zijn verbeelding, uit zijn creativiteit. Als hun verbinding nu verbroken zou worden, wat zou er dan met Clara gebeuren? De schrik sloeg hem om het hart en naar de keel, en hij had daar geen enkele verdediging tegen. “We moeten een manier vinden om bij elkaar te blijven, Clara. Dat we altijd samen kunnen zijn. Die moet er zijn.” Hij zag hoe Clara haar tranen probeerde weg te vegen, maar ze bleven komen.

“Maar jij kunt hier niet voor altijd blijven, Ron.”

“Dat weet ik, maar heb je al eens de andere kant op gedacht? Misschien kun je met me meegaan, naar mijn wereld.

De blik die in haar ogen kwam liet zijn hart bijna breken. “Daar heb ik ook aan gedacht, Ron, maar dat idee… maakt me misschien nog banger.” Ze gleed van hem af en stond op. Terwijl ze om zich heen wees, zei ze: “Dit is alles wat ik ken, Ron. Het is veilig hier. Jij hebt dit allemaal voor mij gemaakt. Ik weet niet wat daarbuiten is…”

Ron stond ook op en legde zachtjes zijn handen op haar wangen. “Dat is een onderdeel van het leven, Claralief. Een deel van opgroeien. Naar plaatsen gaan die je niet kent, en die leren kennen.”

“Maar ik weet niet of ik dat kan, Ron…”

“Ik ben toch ook hierheen gekomen? Ik wist ook niet of ik dat kon – nou ja, het gebeurde eigenlijk meer dan dat ik het wilde, maar is het niet fijn dat het lukte?” Zijn vingers werden vochtig van haar tranen.

Hij trok Clara tegen zich aan. “Komt allemaal goed, schatje,” zei hij fluisterend. “Niets aan de hand, maak je geen zorgen.”

Ze knikte tegen zijn schouder en klemde zich vast als een bang kind. Ron streelde haar haren en haar rug, en hij fluisterde opbeurende woordjes tot ze een beetje kalmeerde.

“We wachten hier gewoon mee, oké? Tot jij het gevoel hebt dat je er klaar voor bent. We hoeven hier geen haast mee te maken, Clara, en zolang ik verf heb kan ik hierheen komen. Zo vaak als we willen.”

“Ja…” Ze keek hem aan. “Dank je, Ron. Voor alles. Je hebt al zoveel voor me gedaan, en ik kan niets terugdoen voor je…” Clara beet op haar onderlip, iets wat hem opviel. Zo’n menselijk iets.

“Dat moet je niet zeggen, Clara.” Met een vinger tilde hij haar gezicht naar het zijne. “Jij helpt mij op meer manieren dan je kunt bedenken. Ik heb je ogen getekend, en geschilderd, maar daarna begon je met me te praten. Me te motiveren. En je liet me verliefd worden op je, jij mooie vrouw. Dat is niet niets, toch?” Met een duim veegde hij een paar verloren tranen weg en daarna kuste hij haar.

Toen Clara weer iets kon zeggen, bedankte ze hem weer. “En ik wil niet dat je gaat, Ron, maar je moet nu weer teruggaan. Je moet slapen, en ik denk dat slapen hier niet goed is voor je.”

Hij vroeg haar waarom ze dat dacht, maar daar had ze geen verklaring voor. Het was een gevoel, en hij moest daarnaar luisteren.

Ron knikte. Even zonder het waarom voelde hij aan dat hij op haar gevoel af moest gaan. “Beloof me dat je bij me bent als ik in bed lig.”

“Ik zal daar zeker zijn, Ron.” Ze trok zijn hoofd naar haar toe en kuste hem nog een keer. “En nu moet je gaan, voor ik je hier houd!”

Ron zag hoe ze zich omdraaide, om hem niet te zien vertrekken. “Ik houd van je, Clara,” zei hij, voor hij naar de vlekkerige muur rende en sprong.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 17, deel 1.

Clara's ogen

17. Naar huis, naar Clara

De volgende dag was Ron vroeg in de stad. Hij wilde zoveel mogelijk voortgang boeken met de Dali als maar mogelijk was. Het schilderij zat vol met kleine details die veel aandacht vroegen en daar was hij snel moe van. Om dat te voorkomen ging hij regelmatig een stukje wandelen.

Telkens als de lift hem langs die bijzondere verdieping bracht, dacht hij weer aan het vreemde gebeuren dat hij daar had gezien. Misschien moest hij hier toch nog eens met iemand anders over praten. Misschien was het wel een idee om eens naar de politie te gaan met dit verhaal. Dat idee kieperde hij snel overboord. Stel dat er niets aan de hand was, en meneer Ostring of iemand anders van de organisatie kwam erachter, dan was zijn carrière hier acuut afgelopen.

Toen Ron bijna klaar was, die dag, kwam meneer Ostring zelf op de bovenste verdieping kijken en maakte een praatje met elke schilder die er bezig was. Ook met Ron.

“Goed werk, Ron. Echt, heel goed.”

Ron wist dat de man niet van Dali hield. “Dank u, meneer. Ik ben ook blij dat het lekker opschiet. Nog een paar dagen en het is af.”

“Uitstekend, Ron. Denk je dat maandag haalbaar is?”

“Als ik morgen en zondag terugkom, moet dat lukken.” Ron keek de bleke man aan. “Mag ik een vraag stellen?”

“Uiteraard, Ron.”

“Ik neem aan dat onze cliënten aardig betalen voor onze replica’s. Ik vroeg me af of die werken verzekerd worden of zoiets. Of dat ze bewakingsdingen hebben, zoals camera’s of iets dergelijks.”

Meneer Ostring fronste even. “Dat is een interessante vraag, Ron. Ja, de schilderijen brengen een aardig bedrag op. Ik weet van sommige afnemers dat ze voor die werken inderdaad beveiligingssystemen hebben laten aanleggen.”

Ron knikte. De man zei niets over camera’s in de lijsten. “Dat snap ik wel. Zeker als ze er een paar hebben. Ze zullen ze ook wel labelen, lijkt me.”

“Wij zorgen dat elk doek geïdentificeerd kan worden, door een merk en een nummer op de achterkant. En ze krijgen een certificaat van echtheid,” legde meneer Ostring uit. “Op die manier is elk doet te achterhalen. We adviseren ook iedereen om foto’s te maken van een doek als het opgehangen is. Mag ik vragen waarom je daar zo nieuwsgierig naar bent?”

Ron was daarop voorbereid. “In musea heb ik vaker beveiligingssystemen gezien, en omdat onze cliënten duidelijk ook van kunst houden vroeg ik me dat gewoon af. Voor het geval dat ik zelf eens een collectie ga aanleggen,” voegde hij er met een knipoog aan toe.

Zijn baas reageerde daar niet op. “Als je goed doorwerkt en deze kwaliteit blijft leveren, dan gaat dat beslist eens lukken, Ron. Je weet misschien dat sommige van onze beste schilders woningen in de stad hebben betrokken. Dat zegt genoeg.”

Ron knikte. Dat zei inderdaad genoeg, want je moest over een behoorlijk bedrag beschikken om hier te kunnen wonen. “Dank u, meneer Ostring,” zei hij, terwijl hij zijn borstels begon schoon te maken.

De baas was al weggelopen, maar kwam terug. “Ron. Als je de Dali zondag af krijgt, dan zit er een leuke bonus voor je aan vast.”

“Ik doe mijn best,” beloofde Ron, “maar ik maak het liever perfect dan snel.”

De lange man knikte en wandelde toen naar de volgende schilder.

Ron ruimde zijn spullen op en ging naar huis, samen met Ross die die dag ook ‘in de stad’ had gewerkt. De reis was traag, de treinen zaten vol en niet op tijd, dus was de wandeling aan het eind een verademing.

“Mijn Vermeer maakt me gek,” klaagde Ross. “Er is iets met die oorbel van ‘Het meisje met de parel’ dat ik maar niet goed krijg. Ik heb al vijf lagen verf weggehaald, geloof je dat?”

“Vijf? Dat is echt erg, Ross.”

De man met de grote haardos knikte. “Vertel me wat. O, jij bent de enige die me nog Ross noemt. Zou je me Bob willen noemen? Daar ben ik aan gewend.”

“Zeker, Ross. Ehm, Bob. Ik ga morgen terug voor de Dali. Als jij er dan ook bent kunnen we even samen naar die parel kijken. Is dat wat?”

“Dat zou geweldig zijn, Ron! Kan ik een biertje voor je kopen straks?”

“Als we gaan eten, reken maar.” Ron hoopte dat Clara zich geen zorgen om hem zou maken. De gedachte was er als vanzelf, realiseerde hij zich. Het verbaasde hem een beetje hoe verbonden hij zich voelde met de vrouw die hij zelf geschilderd had.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 5.

Clara's ogen

“Gisteren had ik verf aan mijn handen. En dat water van het schoonmaken…” Ron haalde een beetje verf tevoorschijn en zette een glas met water klaar. Met zijn vingers besmeurd en nat ging hij weer rondjes draaien. Hij leunde op tafel en… weer gebeurde er niets. “Dat was het dus ook niet…”

“Nee…” Ron hoorde de teleurstelling in Clara’s stem.

“Ik snap het niet…” Ron krabde aan zijn kin en probeerde nog iets te bedenken. De geur van de verf aan zijn vingers drong in zijn neus en onmiddellijk begon de kamer om hem heen te draaien. Ron voelde zich vallen… zag een hand… greep ernaar… Vlekken blauw, grijs en groen schoten langs hem heen. Een moment later lag hij op dezelfde ondergrond als de avond ervoor.

“Ron!”

Voor hij kon bewegen, zat Clara op haar knieën naast hem en drukte haar lippen op de zijne. “Je bent hier,” zei ze na een tijdje.

Hij keek op naar haar en sloeg zijn armen om haar heen. Ron trok haar bovenop zich en hield haar stevig vast. “Ja. Ik ben hier. En ik ben zo blij dat ik weer hier ben en dat ik je vast kan houden.”

Dat waren de laatste woorden die een tijdlang gezegd werden… tot Clara zich van Ron af liet rollen. “Dat was zo fijn,” zuchtte ze.

Ron ging op zijn zij liggen en keek naar haar gezicht. Het gezicht dat hij zo goed kende en waar nu puur geluk vanaf straalde. Clara draaide haar hoofd naar hem en hij zag haar ogen glinsteren. Ron legde een hand over haar wang. “Bij jou zijn zorgt ervoor dat ik me goed voel, Clara.”

Ze kwam overeind, drukte hem terug op de grond en kuste hem nog eens. Toen ging ze naast hem liggen, met haar hoofd op zijn schouder, terwijl hij een arm om haar heen hield. “Dit maakt me blij, Ron,” zei ze. Voorzichtig legde ze een hand op zijn borst. “Dit, zo dicht als je bij me bent. En om te weten dat je hier bent voor mij.”

Hij knikte en drukte zacht een kus op haar voorhoofd. “Ik zou graag willen dat je met me mee kon komen.” Die woorden lieten een schok door haar heen gaan. “Clara, wat is er?”

“Niets,” fluisterde ze. “Alles is goed. Houd me vast en alles is goed.”

In stilte lagen ze daar, op de grond. Ron besefte dat dit iets was waar hij altijd op had gehoopt, en wat hij zo lang gemist had. Een vrouw zo dicht bij hem. Hij wilde dat dit moment nooit voorbij zou gaan, en hij wilde haar nooit meer kwijt. Even probeerde hij te beredeneren hoe dit allemaal kon gebeuren, want Clara had hem verteld dat zij pas was gaan bestaan nadat hij haar ogen had geschilderd. Zijn gedachten werden zo verwarrend dat hij het maar opgaf, en zich in plaats daarvan concentreerde op haar zachte, warme lichaam tegen het zijne aan.

Pas toen Clara met een vinger de vorm van zijn kin en wang volgde, deed Ron zijn ogen weer open. Haar glimlach deed hem goed, en hij glimlachte ook. Toen was er iets in haar ogen dat hem een beetje liet schrikken.

“Ik denk dat je nu terug moet gaan, Ron.”

Precies de woorden die hij niet wilde horen. “Ik wil niet.” Hij wist dat hij als een klein kind klonk, maar dat maakte nu niet uit.

“Dat weet ik.” Haar lippen raakten even zijn wang. “Maar het is beter dat je dat doet. Jij bent nodig in jouw wereld. Je moet daar slapen, niet hier.”

“En hoe weet jij dat?” Ron hoopte dat dat er niet te vinnig uitkwam.

Clara ging rechtop zitten. “Weet ik niet, maar het is waar.”

Ron kwam ook overeind, wetend dat ze gelijk had. “Ja. Ik moet morgen weer werken. Die Dali schildert zich niet zelf, en als ik daaraan werk kan ik hier blijven en naar jou toe komen.” Hij pakte een van haar handen en kuste de palm. “Jij bent bijzonder, Clara. Je betovert me.”

“En jij hebt mij betoverd, Ron. Jij hebt me… gemaakt.”

Ze stonden op en hielden elkaar nog eens vast. Na een kus keek Ron naar de muur met de vreemde vlekken. “Moet je me weer duwen? Of zal ik proberen te springen?”

“Kun je zelf springen? Ik wil je niet duwen,” bekende Clara. “Ik draai me wel om, zodat ik je niet hoef te zien weggaan. Want dat doet pijn.”

Ron wist precies wat ze bedoelde. Hij gaf haar nog snel een kus en een knuffel, en rende toen de paar stappen naar de vreemde muur. Hij deed zijn ogen dicht en wachtte op de klap – maar die kwam niet. In plaats daarvan was hij terug bij zijn tafel, in zijn appartement, en hij wankelde achteruit. Gelukkig wist hij dat dat zou komen, dus viel hij deze keer niet. “Clara?”

“Ron?”

“Ik ben veilig terug.”

“O… Dan kan ik weer kijken.”

Ron merkte dat ze niet ‘o, goed’ zei. Niet bij elkaar zijn was niet goed. Dat voelde hij zelf ook zo. Hij keek naar zijn nog vochtige hand en veegde die droog. “We kunnen nu bij elkaar zijn wanneer we willen, Clara. Zolang ik maar verfwater heb.” Dat idee maakte het alleen-zijn iets minder erg, maar hij wist waar zij was, alleen, in een doek. Een gevoel van wanhoop maakte zich even meester van hem. Toen voelde hij haar glimlach, en hij voelde zich meteen wat beter.

“Dat is fijn,” zei Clara, “en ik kijk nu al uit naar je volgende bezoek, mijn lieve Ron.”

De schilder zette Clara’s beeltenis voorzichtig op een veilige plek en ging toen naar bed.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 4.

Clara's ogen

Eenmaal uit de trein holde hij naar huis en klopte als een razende op de deur van Marcus’ appartement.

“Ron, jongen! Kom binnen! Wat is er loos? Je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien.” Marcus liet hem binnen en duwde hem in een stoel. “Ik pak een biertje voor je. Dat heb je, denk ik, wel nodig.”

Met het blikje bier in de hand vertelde Ron wat hij had gezien. De oudere schilder liet hem rustig uitpraten en knikte af en toe.

“Ik snap dat je hiervan geschrokken bent, en het is goed dat je meteen naar mij bent gekomen, jongen. Je zag hoe ze veiligheidsspul in de lijst zetten. De klanten vragen daarom. Ze betalen een hoop geld voor hun schilderijen en ze willen die houden. Meneer Ostring vertelde me dat ze daarom camera’s en microfoons in de lijsten zetten, en nog meer van die handel, zodat ze een gestolen werk kunnen traceren. Dat gebeurt wel eens, weet je.” Marcus knipoogde. “En dat zegt meteen wat van de kwaliteit van ons werk, toch?” Hij klopte Ron op de schouder. “Alles onder controle, Ron. Je hoeft je echt geen zorgen te maken.”

“Maar een camera?” Ron vond het nog steeds vreemd.

“Dan kunnen ze meteen de dief filmen en later identificeren. Moderne techniek staat voor niets, Ron. Kijk maar naar de telefoon in je broekzak. Ook zo’n wonderding. Weet je, ik ben blij dat die techniek ons nog niet kan vervangen. Dan kunnen wij lekker blijven schilderen. Dus geen zorgen, Ronnie boy, geniet van je vrijheid en laat Ostring de beveiliging maar regelen.”

Ron zuchtte. Dit klonk allemaal heel logisch. “Dank je, Marcus. Ik was echt even heel erg bezorgd.”

“Dat was te zien, Ron.” Marcus knikte. “Zorg nou maar eerst voor jezelf. Ga wat eten, want we hebben je vanavond gemist. En ontspan je een beetje.”

“Ik was bezig met een Dali,” verklaarde Ron zijn afwezigheid. “En ik schoot een beetje door.” Het voorstel van Marcus was zeker goed. Hij had genoeg ingekocht dus een snelle hap maken was geen probleem.

Toen hij binnenkwam werd hij onmiddellijk begroet door Clara. Haar verwelkoming maakte meteen dat hij zich beter voelde. Terwijl hij wat te eten maakte vertelde hij haar van zijn werk aan de Dali, over de ontdekking en wat Marcus daarvan had gezegd. Toen hij dat eenmaal kwijt was kon hij het van zich afzetten, en na het eten ging hij rustig zitten. Het was te laat om nog iets aan haar schilderij te doen, maar hij kon naar haar kijken terwijl ze praatten.

“Je voelt al veel beter dan toen je binnenkwam, Ron,” zei ze.

“Dat klopt.” Ron verbaasde zich amper nog over hoe goed Clara hem aanvoelde.

“Je hoeft je geen zorgen te maken, zei Marcus,” herhaalde ze, “en dat is goed.” Toen voelde Ron dat ze zuchtte.

“Wat is er, Clara? Waarom die zucht?”

“Ik heb je gemist, Ron. Het was zo fijn toen je hier was.” Ze klonk een beetje verlegen nu.

“Ik mis jou ook, schoonheid.” Zijn ogen dwaalden weer naar haar gezicht op het doek. “Wat ben je toch een mooie vrouw.” Hij meende dat, en niet alleen omdat hij haar gezicht gecreëerd had.

“Dank je. Ik vind jou een mooie man, Ron.”

“Dat is alleen maar omdat je geen andere mannen kent,” grinnikte hij.

“Zou je weer hierheen kunnen komen?” vroeg ze. “Net als gisteren? Dat zou me erg blij maken. Zeker als je me weer zou kussen.”

Ron stond op en keek naar het schilderij. “Ik weet niet zeker hoe ik dat gisteren deed, Clara, maar laten we het eens proberen. We weten al dat het voor mij makkelijk genoeg is om weer hier terug te komen. Je hoeft me er enkel uit te smijten.” Daar moesten ze allebei om lachen.

Ron legde het schilderij weer op tafel en deed de lamp aan, net als de dag ervoor. Nu moest hij alleen nog duizelig worden. Dat was gisteren ook zo. De kunst was enkel om een goede manier te vinden om die duizeligheid op te roepen.

“Ron! Wat ben je aan het doen?” Clara klonk verbaasd terwijl hij als een malle rondjes ging draaien.

“Mezelf duizelig maken. Gisteren was ik ook duizelig,” antwoordde hij terwijl het leek te lukken. Hij stopte en greep bijna naast de tafel. Hij boog voorover, klaar om in het schilderij te vallen, maar dat gebeurde niet. “Da’s raar… het werkt niet…” Er was dus nog iets anders dan gisteren. Gisteren zat het schilderij nog vol met vlekken en spatten, en dat wilde hij niet nog eens doen. Die klieders wegwerken was genoeg werk geweest.

“Misschien is dat het…” zei hij toen hardop.

“Misschien is wat het, Ron?”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 3.

Clara's ogen

“Nee, onmogelijk,” zei iemand. “Het ding zit er al in, en de handel wordt vanavond verscheept. We kunnen niet het risico nemen dat iemand argwaan krijgt, alleen daarvoor.”

“Maar het nieuwe apparaatje is zoveel beter,” zei stem twee. “En vervangen duurt maar tien minuten.”

Ron stopte voor hij bij de kamer kwam waarin de discussie werd gevoerd.

“Terrence wil dat dit gebeurt, Roger, en daarom gebeurt het.”

De onderzoekende schilder keek voorzichtig de kamer in. Drie mannen stonden bij een tafel en ze waren haastig iets aan het uitpakken. Het pakpapier werd haastig verscheurd. Er zat een schilderij in, en toen de mannen het optilden herkende Ron de Rubens-replica waar Ross aan had gewerkt.

Met wat gereedschap rommelden de mannen aan de achterkant van het frame waar het schilderij in zat. Ron was verbaasd. Dat kon het schilderij laten barsten, wat waren die lui van plan? Iets vertelde hem dat hij niet naar binnen moest gaan. Hij moest zich hier niet mee bemoeien. Het was duidelijk dat deze mannen dit vaker hadden gedaan.

Een van de mannen pakte een pincet en rommelde in het hout. Even later haalde hij er iets uit. “Kijk, zo snel gaat dat. Waar is dat nieuwe ding?”

Iemand pakte een doosje en haalde er iets uit. Hij hield het in een doekje. De man met het pincet pakte het ding op en ging aan de slag, maar het lukte niet.

“Verdomme. Die nieuwe is groter. Wat een gelazer.”

“Kun je het er niet gewoon induwen?” vroeg een van de anderen.

“En riskeren dat ik het sloop? Jij bent zeker cum laude afgestudeerd op de idioten-vakschool.” De pincetman ging zitten. “Kijk maar of je het gat wat groter krijgt zonder iets te vernielen.”

Ron vroeg zich af waarom ze het een of andere elektronische ding in de schilderijlijst wilden stoppen. Als het tegen diefstal was dan konden ze het toch gewoon achterop plakken? Daarvoor hoefden ze geen gaten in het frame te maken.

Een van de mannen liep weg en kwam even later terug met een apparaatje dat hij gebruikte om aan de lijst te prutsen. Terwijl hij bezig was werd hij door de andere man gemaand om voorzichtig te zijn. De prutser reageerde daar niet op en ging rustig verder, tot het kleine ding in de lijst paste. Ron snapte er steeds minder van toen de lijst aan de kant werd gezet en er een laptop op de tafel kwam. Toen die aanging werd hem opeens een hoop duidelijk. Het scherm van de computer liet een deel van de kamer zien – vanuit de lijst! Ze hadden er een camera ingebouwd. Een van de mannen liep naar het schilderij toen en tikte op het frame. De computer maakte een afschuwelijk geluid.

“Mooi. Beeld en geluid. Dichtplakken die handel, inpakken en af gaan leveren.”

Ron hield zijn adem in terwijl hij heel zachtjes langs de muur naar de lift gleed. Hij drukte op de knop en gelukkig kwam de lift dit keer heel snel. Hij drukte fanatiek op de knop voor de begane grond en vervloekte de langzaam sluitende deuren. Toen die eindelijk weer opengingen maakte hij zich uit de voeten en ademde pas weer toen hij buiten stond. Daar liep hij sneller dan normaal naar het metrostation, en pas toen hij in de trein zat voelde hij zich wat rustiger worden.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 2

Clara's ogen

Ron repareerde de schade aan het schilderij zo goed mogelijk. Ondertussen praatten de twee over hun ontmoeting in Clara’s omgeving. Toen het tijd was om te vertrekken was Ron tevreden met de ‘restauratie’. Het was nog niet af, maar het moest eerst drogen, voor hij verder durfde te gaan.

Vlak voor hij wegging blies hij een kushandje naar het schilderij, en hij beloofde haar om zo snel mogelijk weer thuis te zijn.

Na de lunch in het gebouw van Ostring Arts zocht hij Jess op.

“Hé, Ron. Fijn dat je er bent. We hebben een verzoek voor een spoedopdracht. Meneer Ostring heeft speciaal om jou gevraagd hiervoor, omdat jij een van de weinigen bent die echt iets hebben met Dali.” Jess pakte een foto uit een envelop. “Het gaat om dit werk.” De foto toonde een werk van Dali met de enorme titel het uiteenvallen van de volharding der herinnering. De meeste mensen zouden het enkel herkennen aan de klokken die overal als nat wasgoed lagen. “Denk je dat je deze kunt maken?”

Ron knikte. “Natuurlijk.” Hij bekeek de foto nog eens. Dit was een van Dali’s bekendste werken. “De grote hangt denk ik boven?”

“Klopt. Wanneer kun je beginnen? Meneer Ostring hoopt dat dit volgende week dinsdag klaar is.” Jess keek hem hoopvol aan.

“Hmm. Misschien. Dat betekent wel dat ik in het weekend een keer moet terugkomen. Misschien allebei de weekenddagen.” Ron fronste even. Het was een mooie opdracht, maar die zou wel ten koste gaan van zijn tijd met Clara.

“Geen probleem, hoor,” zei Jess. “Marcus is hier op zaterdag, en Ross en Felicity zijn er op zondag. En er is altijd iemand van bewaking hier, die kan je binnen laten.” Ze schoof de foto weer in de envelop en legde die op haar bureau. “Het is geweldig dat je zo snel beschikbaar bent, Ron. Als je wilt, kun je vast naar boven gaan en eens kijken.” Dat was duidelijk de uitnodiging om meteen te beginnen, zoals hij al had verwacht. “En veel plezier, Ron!”

De bovenste verdieping was verlaten toen Ron er aankwam. Dat was wel vreemd. Meestal waren hier minstens twee anderen aan het werk.

Hij wandelde langs de ezels met schilderijen die nog onderhanden waren. Een Rembrandt, waarschijnlijk weer iets van Marcus, en een zeldzame Gauguin. Ron vroeg zich af wie daarmee bezig was. Zoals het werk daar stond zag het er heel vreemd uit, maar ja, het was nog lang niet af. Er was ook een ezel met een bizarre foto erop geplakt. ‘Onbekende schilder’ stond op een briefje dat met een paperclip aan de foto zat. De afbeelding zelf was van een abstract naakt, helemaal blauw, en vreemde patronen in vloekende kleuren eromheen. De aanblik bezorgde hem koude rillingen.

Zijn eigen plek met de nieuwe opdracht stond lekker dicht bij de grote ramen. Het voorbeeld was al opgezet, en er stond een laptop bij met daarop een gedetailleerde afbeelding van het werk van Dali, zodat hij de kleinste dingen ook goed kon kopiëren. Hij hield van Dali’s werk. Op het eerste gezicht zag het er niet zo complex uit, maar als je lang genoeg keek zag je overal de kleine extra’s die het werk zo uniek maakten. Dat zou de grootste uitdaging zijn: al die details aanbrengen. Ron was dan ook blij met de laptop en het grote scherm.

Hij nam even de tijd om het werk in zich op te nemen voor hij met de eerste lijnen begon. Het doek was relatief klein, dus hoe Dali al die elementen zo perfect had gemaakt was eigenlijk een raadsel. En Ron ging dat overdoen.

~~~

Opeens gingen de lampen in het plafond aan. Ron keek op. Was het al zo laat? Hij herinnerde zich iets van een lunch die Jess zelf was komen brengen, maar waar was de rest van de tijd gebleven? Hij rekte zich uit en rolde met zijn schouders. Kunstlicht betekende het einde van de werkdag. De kleuren waren essentieel dus kon hij morgen pas verder.

Hij maakte zijn spullen schoon en zette de computer uit. Toen pas merkte hij dat er anderen bezig waren geweest. Stoelen stonden anders, een paar ezels waren wat verplaatst. En hij had daar niets van gemerkt.

De lift nam zijn tijd om de bovenste verdieping te bereiken. Ron stapte naar binnen en drukte op een knop. Terwijl de cabine omlaag zoefde wreef Ron zijn gezicht, en stapte uit toen de deuren open gingen. Pas toen de lift weer weg was, realiseerde Ron zich dat hij op de verkeerde verdieping was.

“Jesses, ik ben echt te lang bezig geweest,” mopperde hij op zichzelf, en drukte weer op de liftknop. De lift was alweer weg om iemand anders op te halen.

Terwijl hij wachtte, hoorde Ron opeens een luide stem. De spreker klonk boos. Wat was dat? Nieuwsgierig liep Ron in de richting van het geluid, aan het eind van de gang. Een tweede en een derde stem werden nu hoorbaar.

Clara’s Ogen. De rest van hoofdstuk 15 en een stukje 16.

Clara's ogen

“Maar hoe moet ik dan…” begon hij. Op dat moment gaf Clara hem een stevige duw in de richting van de muur. Even was er weer die duizeligheid terwijl de wereld bestond uit blauwe vlekken. “…daar doorheen…” Voor hij uitgepraat was viel hij achterover en lag hij op zijn rug in de huiskamer. Zijn hoofd kwam net niet tegen de schildersezel terecht. “Jezus!” Binnen een paar tellen stond hij weer en keek hij naar Clara’s gezicht, met de vlekken eromheen. “Clara!”

“Lieve Ron,” zei ze in zijn hoofd. “Dit is zoals het hoort te zijn.”

“Dat weet ik wel, maar ik verdom het om dat te accepteren,” zei hij koppig. Tranen stonden in zijn ogen toen hij het schilderij oppakte en voorzichtig op de ezel zette, voor er nog meer onheil over uitgestort zou worden.

“Ron,” zei Clara, zo kalm als altijd, “je kunt altijd terugkomen. Maar je moet nu eerst slapen.”

Ron staarde naar het schilderij, terwijl zijn hersens nog steeds probeerden te verwerken wat zojuist was gebeurd. Zijn hersenen maakten er niet veel van. Hij raakte zijn lippen aan, daar waar hij de hare net nog gevoeld had. Een diepe zucht ontsnapte. “Je hebt gelijk, Clara. Eigenlijk zou ik dankbaar moeten zijn dat je me terug hebt gestuurd.”

“Maar dat ben je niet.” Weer was daar die sensatie van haar glimlach.

“Denk je dat jij daar veilig bent, Clara?” Hij wist dat het een vreemde vraag was, maar hij moest die gewoon stellen.

“Ja, Ron. Maar je geen zorgen. Ik ben hier veilig.”

Weer een zucht. “Kon ik je nog maar een keer kussen.”

“Dat zou ik ook fijn vinden. Maar ga slapen, Ron. Droom van me, en ik kus je in je droom.”

“Ja, goed idee. Welterusten, lieverd.”

“Lieverd? Dat klinkt… lief, Ron.”

“Dat is iets wat we tegen speciale mensen zeggen, Clara. En jij bent heel speciaal voor mij.”

“Dan ben jij ook mijn lieverd, Ron.”

Ron sloot zijn ogen en verbeeldde zich dat hij haar wang even streelde. Daarna maakte hij aanstalten om te gaan slapen.

16. Barbara’s telefoontje

Ron werd wakker en voelde zich opvallend vrolijk. Hij had over Clara gedroomd. Terwijl hij zich opmaakte om de wereld te begroeten, praatte ze met hem in zijn hoofd. Ze babbelde heel opgetogen over zijn korte bezoekje aan haar wereld. Ron voelde dat ze hem miste, net zoals hij haar miste, maar haar logica was sterker geweest dan de zijne. En er was uiteraard werk dat hier op hem wachtte. En op een ander niveau van het leven was er ook nog iets als boodschappen die gedaan moesten worden.

Terwijl hij zich met dat laatste bezighield, in de supermarkt, ging zijn telefoon. “Met Ron,” zei hij, zonder op het scherm te kijken wie hem hier belde.

“Hallo Ron! Met Barbara.”

Hij herinnerde zich Marcus’ aankondiging. “Hallo, Barbara, leuk om van je te horen.”

“Goed om jou ook weer te horen, Ron. Ben je druk?”

“Ja, vreselijk. Ik sta hier te twijfelen of ik deze sinaasappels moet kopen.”

“Wat?” Ze klonk oprecht verbaasd. “O! Ik snap het, je bent aan het winkelen. Koop in ieder geval bananen. Die zijn heel goed voor als je je eens wat down voelt. Zou je vanmiddag hierheen kunnen komen? We hebben een speciaal project voor je.”

“Dat klinkt goed. Ik zal zorgen dat ik er ben. Ergens tussen een uur en half twee? Anders moet ik de sinaasappelen laten vallen en meteen gaan rennen.”

“Nee hoor, geen probleem,” zei Barbara. “Wij zorgen voor de lunch, ik zal Jess laten weten dat je komt.”

Het gesprek was over, dus kocht Ron de sinaasappelen en een paar bananen, en wandelde op zijn gemak terug naar huis met zijn buit. Hij hoefde zich niet te haasten.

“Ze hebben gebeld,” zei Ron tegen Clara, toen hij thuis kwam. “Ik moet vanmiddag naar het hoofdkantoor.”

“Zul je lang weg zijn?” vroeg ze.

Ron zette de ezel met haar beeltenis dichter bij het raam en begon de ergste vlekken weg te werken. “Ik weet het echt niet. Marcus zei dat ze een replica van een Dali willen hebben. Ik kan me voorstellen dat ze willen dat ik er meteen aan begin.”

Ze was even stil. “Ik zal je missen, Ron.”

“Ik ga jou ook missen, lieverd.”

“Het is zo fijn als je dat zegt… Lieverd…”