Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7, deel 2

Clara's ogen

De groep avondeters was maar zeven personen groot die avond. Er was een nieuw iemand bij deze keer. Ron zou zich deze vrouw beslist hebben herinnerd. Haar naam was Cornelia en alles aan haar was zwart. Haar ogen en haar, haar kleding, haar nagellak en oogschaduw. Zelfs de kettingen en ringen die ze droeg waren zwart, en dat alles stak dramatisch af tegen haar bleke huid.

Ze keek Ron strak aan. De blik in haar ogen gaf hem het gevoel dat ze hem als een kwade geest zag. “Jij…” zei ze, zonder daar verder iets aan toe te voegen. Voor hij iets kon zeggen of vragen, liep ze weg, en aan tafel zocht ze een plek op zo ver mogelijk van hem af. Dat was heel raar. De anderen behandelden hem in elk geval als een gewoon mens, niet als een spook of zo.

Net als de avond ervoor ging het gesprek hoofdzakelijk over wat iedereen aan het doen was. Laura was bezig met iets dat een Salvador Dali-achtig doek moest worden. Dat verbaasde Ron want hij wist wat voor een hekel meneer Ostring had aan Dali. “O, da’s makkelijk genoeg,” verklaarde Laura. “Wat hij niet mooi vindt wordt afgehandeld door Jess. Waarom hij zo door het lint gaat over Dali snapt niemand, maar er zijn klanten die er niet genoeg van krijgen. Ik vind het prima, ik houd van mijn Dali-spul.”

“Dus van ons wordt verwacht dat we ook werk maken waar mensen om vragen. In een bepaalde stijl.” Ron snapte het langzaamaan. Hij hoopte al dat er veel vraag was naar de stijl van Van Gogh.

“Dat en ook andere opdrachten. Meer specifieke dingen,” zei Marcus, een van de oudgedienden in de organisatie. Hij was begin vijftig en zag er meer uit als een zakenman in vrijetijdskleren dan als een schilder. “Je komt er nog wel achter, Ron. Zorg eerst maar dat je je eerste serie doeken af krijgt en dat je je tentoonstelling achter de rug hebt.”

Iedereen was het ermee eens dat die tentoonstelling een bijzondere ervaring was. Zoiets was adembenemend, vooral als je bedacht dat het in New York was. Ron wist dat Laura daar ook mee bezig was, net als een paar anderen aan de tafel.

“Werken voor Ostring Art is geweldig zolang je de juiste instelling hebt,” ging Marcus verder. “Ze hebben veel klanten met stevige bankrekeningen dus is er genoeg werk voor mensen als wij, die voor hun levensonderhoud willen schilderen.”

Ron kreeg het gevoel alsof hij in een gespreid bed was gevallen, met een schatkist vol goud aan elke kant. Schilderen voor zijn levensonderhoud. Dat was wat hij wilde, al zolang hij de eerste keer een penseel had vastgehouden. Dit kon echt wel eens de kans zijn waar hij op had gewacht.

Na het eten liep Ron naar huis met Ross en Marcus. “Kunnen jullie me meer vertellen over die Cornelia? Ze vermijdt me alsof ik een ziekte ben.”

Marcus schoot in de lach. “Cornelia is ongevaarlijk, maar ze is zo gek als een deur. Ze heeft zichzelf wijsgemaakt dat ze dingen ziet die anderen niet kunnen zien. De meesten van ons zijn al beschuldigd van zwarte toverkunsten, dus ben je in goed gezelschap. Als zij iemand vertrouwd dan zijn wij meteen op onze hoede.”

Ron moest daar om lachen en ging met de mannen mee om nog een biertje te pakken voor het slapen gaan. Marcus vertelde wat meer over zijn ervaringen met de organisatie en dat klonk Ron als muziek in de oren. Toen hij naar zijn eigen appartement ging wist hij dat hij de jackpot getroffen had.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 6, laatste deel

Clara's ogen

“Clara?”

“Ik ben er nog. Ik begrijp niet wat je bedoelt. Je noemt me Clara. Hoe kan ik jou noemen?”

“Ik ben Ron.” De schilder verbaasde zichzelf door dit bizarre gesprek gaande te houden. Een gesprek dat helemaal niet kon bestaan. Misschien droomde hij toch. Misschien was hij zo snel in slaap gevallen dat het echt niet echt was. Tegelijk waren de ogen die hem aankeken wel erg prettig om naar te kijken en de stem was heel vriendelijk. Lief. Te lief, bijna. Misschien moest hij dit maar even laten doorgaan en ervan genieten.

Hij kroop weer in bed en deed het licht uit. De ogen waren er nog steeds.

“Hallo, Ron. Wat ben je aan het doen?”

“Ik probeer te slapen.”

“O. O ja. Ik herinner me dat. Dat deed je net ook al.”

“En jij doet dat nog steeds niet, hè?”

Clara’s ogen knipperden even. “Nee. Vind je het goed als ik naar je kijk terwijl je slaapt?”

“Ehm.” Dat was een rare vraag. “Nee, ik denk niet dat dat erg is. Het wordt, denk ik, op een gegeven moment wel erg saai.”

“Als het saai wordt dan ga ik. Je kunt nu beginnen met slapen, Ron.”

“Dank je, Clara.” Ron rolde op een zij en grinnikte. Wat een raar gesprek. Toen probeerde hij nergens aan te denken, om in slaap te komen, maar haar ogen bleven in de zijne kijken.

“Slaap je nu?” vroeg ze.

“Nog niet. Als ik slaap ben ik stil.”

“Maar je was net ook stil, Ron.”

Ron haalde diep adem. Hoe kon hij het concept van slapen uitleggen aan een stem met twee zwevende ogen die totaal geen idee had? “Het idee achter slapen is dat je een hele tijd niets hoort en ziet en doet. Tot je weer wakker wordt. En dan hoor en zie je weer dingen.”

“Die tijden heb ik ook Ron. Soms heel lang. Als dat slaap is dan vind ik slaap niet fijn.”

“Dat is jammer, Clara, want ik houd van mijn slaap, en ik heb dat ook nodig. Anders ben ik doodmoe morgen en dan kan ik niets doen.”

“O. Dan moet je je slapen maar doen, Ron. En ik zal stil zijn terwijl ik naar je kijk.” Haar stem was zo zacht en lieflijk dat Ron bijna smolt. Het was een stem waar hij verliefd op kon worden, enkel door hoe het klonk.

“Dank je, Clara,” fluisterde hij. Daarna viel hij zo snel in slaap dat hij niet eens wist of ze nog antwoordde.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 6, deel 4.

Clara's ogen

Later die avond, na het eten en de kennismaking met nog negen andere schilders, zat Ron in de stoel bij het raam. Het zou nog wel even duren voor hij alle namen kende en die bij de juiste gezichten kon zetten, maar de meesten van hen waren aardige lui. Een of twee van hen leken hem lastige gasten, maar misschien was zijn eerste indruk fout. Er was tenslotte een grens aan wat hij kon oppikken van een ander, vooral met elf anderen en een goed bord eten voor zijn neus.

Ron pakte nog een biertje en feliciteerde zichzelf met een goede dag. Morgen zou hij gewoon doorgaan met wat hij aan het doen was en zien wat de dag hem zou brengen.

Toen hij klaar was om naar bed te gaan dacht hij weer even aan de vreemde droom van de nacht ervoor. Zou Clara hem opnieuw bezoeken? Hij dacht met opzet niet aan komen spoken. Dat was niet aardig. Al had het daar wel op geleken.

Het bed was een stuk harder en prettiger dan de wattenbaal in het hotel. Ron grijnsde tegen het donker.

“Clara? Ben je daar?” vroeg hij.

Geen antwoord. Hij voelde zich eigenlijk een beetje gestoord omdat hij nu tegen het plafond lag te praten maar nu wist hij het in elk geval. Hij trok de dekens over zijn oren en rolde op zijn zij. Ron deed zijn ogen dicht – en keek meteen in twee grote, grijs-blauwe ogen.

“Jezus!” Hij was nog nooit zo snel uit een bed gekomen. Hij knipte het licht aan en keek rond, maar de ogen waren nergens te bekennen. Zijn hart stampte in zijn ribbenkast. “Wat was dat?” vroeg hij hardop.

“Hallo. Ik ben Clara. Herinner je je mij niet meer?”

Ron was overtuigd dat hij droomde maar hij kon niet dromen want hij stond koude voeten te krijgen naast zijn bed. “Ehm, hallo Clara.” Hij voelde een druppeltje zweet langs zijn voorhoofd omlaag komen.

“Heb ik je bang gemaakt? Dat wilde ik niet. Het spijt me.”

Ron slikte eens hard en probeerde zijn gejaagde ademhaling onder controle te krijgen. Hij ging op het bed zitten. “Ja, ehm, weet je, ik verwachtte dat niet. Je zo opeens te zien, bedoel ik. Je ogen dus. En waarom zie ik alleen je ogen?” Hij voelde zich heel raar. Tegen wie zat hij eigenlijk te praten?

“Dat weet ik niet. Misschien heb ik alleen maar ogen,” zei de stem.

“Dat zou echt raar zijn. Iedereen heeft meer dan alleen ogen. De enige ogen die ik ken die er zo uitzien zijn…” Ron klapte dicht terwijl hem een onmogelijk gevoel bekroop. Zijn huid werd even koud. Dit kon niet. “Nee, dat kan echt niet. Nee. Ik heb gewoon teveel gedronken. Onmogelijk.”

“Wat is onmogelijk?” vroeg de vrouwenstem.

Ron deed zijn ogen weer dicht en zag de twee ogen weer. Er was geen ontsnappen aan. Hoezeer hij dit niet wilde, dit waren de twee ogen die hij zelf had getekend en ingekleurd. De ogen op het doek, thuis. Clara’s ogen. “Nee, ik ben gek aan het worden. Ik ben niet tegen de ogen van mijn eigen schilderij aan het praten. Toch?”

Even was het stil in Rons hoofd. Daarna: “Dus ik ben niet echt?”

Dat was echt iets waar Ron geen antwoord op kon geven. “Dat weet ik niet. Misschien dat een psychiater daar een antwoord op heeft maar… Je klinkt echt terwijl je niet echt kunt zijn. Je bent een onafgewerkt schilderij!”

Er viel een diepe, ongemakkelijke stilte die meer zei dan duizend woorden hadden kunnen doen.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 6, deel 3.

Clara's ogen

De tijd had geen betekenis meer terwijl hij werkte. Het beeld op het doek kreeg steeds meer vorm en kleur. Toen hij eindelijk opkeek bleken er een aantal uren voorbij te zijn. Tevreden bekeek hij zijn werk nog eens. Dat was al aardig, en het was tijd om te stoppen. Het buitenlicht vervaagde, en verkeerd licht zorgde enkel voor verkeerde resultaten.

Toen er een paar keer hard en snel op de voordeur werd geklopt, sprong Ron bijna uit zijn vel van schrik. Wat was dat nou? Snel legde hij het penseel neer, veegde zijn handen af en liep naar de deur, waarachter een man en een vrouw stonden te wachten.

“Hé!” zei de vrouw enthousiast. “We hoorden dat je de nieuwe bent, en dus dachten we even te komen kijken. Welkom wensen en zo. Ik ben Laura en dit is Ross, daarom noemen we hem Bob.”

Ron grinnikte om die naam. Hij herinnerde zich Bob Ross, de man die iedereen in Amerika aan het schilderen wilde zetten. Laura leek een echte zigeunerin met haar kleurige rok, een wijde roze blouse en een overdaad aan gekleurde linten die ze in haar lange, zwarte haar had geweven. Ross, die ook Bob was, was een grote man met lang, blond haar dat alle kanten op leek te groeien.

“Hoi, leuk om jullie te ontmoeten,” zei Ron. “Ik ben Ron. Ron Brooks. Kom erin. Wie heeft jullie verteld dat ik hier ben?”

“Dat was iemand van kantoor,” zei Ross. “Die laten dat altijd even weten, zodat we een welkomstcommissie kunnen vormen. Meestal Laura en ik,” voegde hij eraan toe. “En daar zijn we dan.”

Al snel zaten de drie in de keuken; de enige plek met genoeg zitplaatsen. Ron zette koffie (voorlopig had hij alleen maar oplos maar dat bleek geen probleem te zijn), en hoorde dat Ross en Laura naast elkaar woonden. Veel anderen van de organisatie waren niet zo mensvriendelijk, zei Laura.

“Die proberen het begrip kluizenaar naar een nieuw niveau te tillen.”

“Klopt,” zei Ross. “Het enige waaraan je kunt zien dat ze nog leven is dat er spullen uit de voorraad worden gehaald.”

“Maar dat kunnen ook de plaatselijke spoken zijn,” vulde Laura aan. Die twee waren echt op elkaar ingespeeld, merkte Ron. “Waar kom jij vandaan?”

Ron vertelde hen een beetje over zichzelf. Laura kwam uit New Jersey en ze woonde hier ongeveer twee maanden. Ross kwam helemaal uit Kansas en woonde hier al ruim een jaar.

“Het is goed leven zo, Ron,” zei de man. “Ik kan doen wat ik wil, schilderen zoveel ik wil en het betaalt ook nog leuk. Ik kan zelfs vrij nemen als ik wil, zonder veel gedoe. Wat wil een mens nog meer?”

Laura was ook heel positief over de hele instelling en de organisatie. “Ik ben wel blij dat ik niet veel met Stringie te maken heb. Ik vind het maar een griezel.”

“Stringie?” Ron vermoedde dat hij wist wie ze bedoelde.

“Ostring. De man die alles regelt hier.” Laura grinnikte even.

“Ja, hij is wel anders, dat klopt. Maar hij is wel vriendelijk en zo.”

Laura knikte. “Tot hij de pest in heeft. Dan zie je een heel andere kant van hem. Ik heb eens een Gaugin-achtig iets gemaakt. Best goed gelukt, maar ik had er iets van mezelf ingebracht ook. Jezus, zoals-ie toen tekeer ging. Ik had even het idee dat hij me van de bovenste verdieping naar beneden zou smijten.”

Ross schudde zijn hoofd, de lange haren dansend. “Dat was ook niet slim, Laura. Gewoon maken wat hij vraagt. Niet dwars zitten. Dan kun je niet stuk bij hem.”

Laura keek over de rand van haar koffiebeker. “Ik ben te creatief, Bob, en dat weet je. Dat heb ik al een miljoen keer gezegd. Ik doe mijn eigen ding als ik daar zin in heb.”

Ross zuchtte en keek Ron aan. “Zij gaat terug naar New Jersey. Dat weet ze nog niet, maar voor mij is dat al lang duidelijk. Ze bijt niet alleen in de hand die haar voedt, ze probeert ‘m verdomme af te bijten, en Ostring kan daar niet om lachen, weet je.”

Ron maakte een mentale notitie om wat meer met Ross te praten. Die man wist blijkbaar heel wat over Terence Ostring en dat kon wel eens handig zijn om ook te weten.

“Zin om straks mee te gaan met de club, om te eten?” vroeg Ross. “Normaal gaan we met een hele groep. Dat scheelt afwassen. Het is geen dure plek, het eten is goed en het is een leuke manier om elkaar even te zien.”

Ron vond dat wel een praktische idee dus nam hij het aanbod graag aan.

Cool,” zei Ross. “Zorg dat je over een half uur of zo beneden bent. Dan is iedereen er wel zo’n beetje.”

Ron beloofde dat hij er op tijd zou zijn. Toen de visite weg was spoelde hij de koffiebekers om. Dat waren al twee mensen die hij nu ‘kende’, en dat op de eerste dag. Dit ging goed!

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 6, deel 2.

Clara's ogen

“Iemand van kantoor zal af en toe langskomen om te kijken hoe het gaat,” vertelde Harvey. “En het is ook een goed idee om een of twee keer per week naar kantoor te gaan. Even je neus laten zien, contacten maken. Op het bureau ligt een map met informatie over de trein en de bus, hoe je het kantoor het makkelijkste kunt bereiken. Daarin staan ook wat telefoonnummers voor als je snel hulp nodig hebt. En een lijst met ideeën voor de eerste schilderijen. En dat is alles wat ik te zeggen heb. Heb je nog vragen?”

Ron grijnsde. “Nog niet. Ik probeer alles te onthouden, maar ik denk dat het allemaal goed komt. Hartelijk dank voor alles dat je hebt gedaan.”

“Mijn genoegen, Ron. Meneer Ostring doet het meeste. Bedank die maar, door goed werk te leveren.” Harvey knipoogde. De man had duidelijk plezier in zijn werk. “Dan laat ik je nu met rust en ga ik terug.”

“Goede reis, Harvey. En nogmaals bedankt!” Ron liep met hem mee naar buiten en keek de grote auto na. Toen keek hij naar het gebouw waar hij voorlopig zou wonen. “Oké. Aan het werk…”

~~~

Ron was snel klaar met het inruimen. De paar kledingstukken die hij voorlopig had waren snel opgehangen. Hij had de radio aangezet en zat in de comfortabele stoel bij het raam om de papieren uit de map te bestuderen.

“Da’s interessant,” zei hij tegen het blad papier. “Het eerste werk is iets persoonlijks; gebaseerd op indrukken van de omgeving. Het tweede werk is geïnspireerd op het werk van een oude meester. Ze gaan wel door over die oude meesters…” Misschien was het een gat in de kunstmarkt waar Ron geen weet van had. “Laat ik eerst maar eens naar dat eerste werk kijken, en omdat dat met de omgeving te maken moet hebben ga ik die maar eens bekijken.”

Hij pakte de sleutels, stak de telefoon in zijn zak en verliet het appartement. Terwijl hij de trap afliep (de lift kon altijd nog naar boven) vroeg hij zich af wanneer hij een of meer van zijn medeschilders zou ontmoeten.

Zijn eerste wandeling bracht hem naar het kleine winkelcentrum waar Harvey over had verteld. Het was echt klein, nog kleiner dan wat hij thuis gewend was, maar het zag er naar uit dat hij hier alles kon krijgen om te overleven. Er waren zelfs een paar restaurantjes. Een stukje verderop ontdekte Ron een klein park met een vijver waar een paar eenden zich vermaakten. Dat was misschien wel iets om te schilderen, bedacht hij, maar het zou een hele klus zijn om zijn schilderspullen hierheen te sjouwen. Even speelde hij met het idee om Harvey daarvoor te bellen, maar dat zou wel heel ver gaan. Ron moest om het idee wel even lachen.

De rest van zijn wandeling toonde hem nog een appartementencomplex en een paar boeiend uitziende straten. Aan het eind van zijn onderzoek moest hij zowaar een mevrouw de weg terug vragen want hij was helemaal verloren gelopen. Shelley zou daar niet verbaasd over zijn, bedacht hij op weg terug naar zijn nieuwe woning.

Eenmaal terug belde hij even naar zijn ouders, om hen te laten weten dat alles goed gegaan was hier en dat hij het naar zijn zin had. Na dat gesprek maakte hij iets te eten en zette hij de schildersezel op zodat het licht uit het raam er goed op viel.

“Hé, eikel van Brooks,” mopperde hij daarna op zichzelf. “Waarom heb je geen foto van die vijver gemaakt, sukkel? Dat zou heel wat geholpen hebben.”

Nou ja, volgende keer dan maar. Met een fijn potlood begon hij de omtrekken vast te leggen van wat hij had gezien. Dat leek er al aardig op, vond hij, en zijn fantasie zorgde voor de rest. Het duurde niet lang voordat hij in zijn schildermodus gleed.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 6, deel 1

Clara's ogen

6. De eerste dag

“Wat…” Ron ging rechtop zitten en keek rond. Hoe was hij in hemelsnaam in de woonkamer terecht gekomen? Hij herinnerde zich het vreemde ‘gesprek’ met Clara opvallend duidelijk. “Dit kan niet waar zijn,” mompelde hij terwijl hij naar de badkamer liep voor een douche. Die douche was heerlijk, maar daarna was hij nog steeds bezig om die rare ervaring te analyseren. Pas na het ontbijt, in de eetzaal van het hotel, zakte het gesprek weg naar de achtergrond.

Terug in de suite begon hij snel zijn spullen in de geleende koffer te stoppen en hij was net klaar toen de telefoon ging. De receptie liet weten dat Harvey was gearriveerd. Alles was dus klaar voor de drie maanden die hij hier zou werken. Terwijl hij met de lift naar beneden ging hoopte hij dat Shelley snel wat spullen op zou sturen. Toen de deuren van de lift opengingen realiseerde hij zich dat ze geen adres had – en hij had dat ook nog niet! Harvey zou dat wel weten, en dan kon Ron dat weer doorgeven aan zijn zus.

“Hebt u goed geslapen, meneer Brooks?” vroeg de chauffeur terwijl hij Rons koffer overnam.

“Ik denk het wel, al had ik een heel vreemde droom,” zei Ron. “En nu ben benieuwd waar we heengaan. En zeg alsjeblieft jij tegen me. Ik ben niet zo voor u.”

Harvey vertelde hem dat de Ostring organisatie een twintigtal appartement bezat, in een gebouw buiten het centrum. Een daarvan was Rons tijdelijke huis. “Er zijn op dit moment zes beschikbare woningen dus u… ik bedoel jij mag degene uitzoeken die je het beste bevalt.”

Ze stapten in en reden weg.

Na een tijdje viel de drukte van centraal New York weg. Het was erg groen hier, wat Ron wel beviel en uiteindelijk stopte de auto bij een gebouw dat voor New Yorkse begrippen nogal klein was. De appartementen bevonden zich op de derde tot en met de vijfde verdieping. Ron had al bedacht dat hij zo hoog mogelijk wilde wonen. Dat gaf hem de keus uit precies één appartement.

De woning was netjes ingericht en zag er best aardig uit. Harvey had ook al wat etenswaren meegebracht, dat ze meteen in de keuken zetten. De woonkamer was niet echt om in te wonen, viel Ron op. Het was eigenlijk al voorbereid op iemand die hier veel zou schilderen. Dat vond Ron prachtig. Er was zelfs een klein bureautje met een computer, klaar voor gebruik.

Harvey en de schilder liepen het appartement na. Er waren een paar dingetjes die gerepareerd of vervangen moesten worden, maar niets dat spoed eiste. De chauffeur maakte overal aantekeningen van, en aan het eind van de inspectie tekende Ron het papier. Dat maakte zijn komende drie maanden hier officieel. Daarna kreeg Ron de sleutels voor het gebouw en zijn woning, en een pas voor openbaar vervoer. Dat was even een verrassing, maar het was natuurlijk logisch dat de mensen hier niet allemaal een privé-chauffeur zouden hebben.

De man lachte toen Ron dat opmerkte. “Er is een klein winkelcentrum even verderop, Ron. Daar kun je alles krijgen dat je nodig hebt. En nu zal ik je schilderijen uit de auto halen.”

Al snel stonden Rons voorbeeldwerken in de woon- en schilderkamer.

“Op die manier voel je je sneller thuis, en dat is belangrijk,” wist Harvey. “Kom even mee, dan laat ik je de berging beneden zien. Daar is ruimte voor je eigen spullen, al is dat nog niet echt nodig, en er is een voorraad schildermateriaal waar iedereen hier gebruik van kan maken. Als je iets weghaalt kun je dat via de computer doorgeven zodat de voorraad op tijd kan worden aangevuld. Hoe dat moet laat ik je straks even zien.”

Ron sloeg achterover van de hoeveelheid verf en doeken en penselen. Er lag meer dan in de gemiddelde kunstwinkel in Midlothian.

Clara’s Ogen. Hoofdtuk 5, het laatste deel

Clara's ogen

Het bed was nog steeds te zacht. Ron probeerde te lezen voor het slapengaan maar hij kon geen echt comfortabele houding vinden, dus legde hij het boek weg en deed hij de lamp uit. De geur van deze grote suite was nog steeds vreemd. Hij sloot zijn ogen en wachtte op de slaap, die niet lang op zich liet wachten.

Een stem die “hallo” zei maakte dat hij met een ruk rechtop ging zitten. Het duurde even voor hij zich realiseerde dat het helemaal niet donker was in de slaapkamer. Hij had het licht toch uitgedaan?

“Hallo?” vroeg hij terug, erg wakker voor iemand die net nog diep in slaap was geweest.

“Hallo,” zei de stem weer. Een vrouwenstem. Het gekke was dat het vrouwenlichaam, dat normaal bij een vrouwenstem hoorde, er niet was.

“Wie ben je?” Ron keek rond. Niemand. “En waar ben je?”

“Ik ben Clara en ik weet niet waar ik ben. Het is erg donker hier.”

“Ehm. Dit is niet echt, hè? Ik ben in een hotel in Manhattan, het is midden in de nacht en ik ken maar één Clara. Dat meisje uit Central Park.” En kennen was best een groot woord.

“Maar je kent mij ook,” zei de stem kalm. De stem was zacht en vriendelijk. Voor iemand die niet wist waar ze was, klonk de vrouw erg beheerst. “En je hebt al eerder met me gepraat.”

“Ehm.” Ron fronste. “Ik heb met je gepraat…” Hij snapte het niet. “Wacht even. De enige andere Clara waar ik mee heb gepraat is het schilderij. De ogen. En nu ga jij me vertellen dat jij dat bent?”

“Ik denk het wel. Ik weet het niet zeker. Maar ik hoor je stem als je tegen me praat.”

Ron probeerde zich te herinneren of hij misschien iets vreemds gegeten of gedronken had, want dit kon niet waar zijn. Hij stapte uit bed en liep naar de woonkamer. Die was net zo helder verlicht als de slaapkamer, maar er was niemand. Geen vrouw. Alleen hij. “Kun je me nog steeds horen?”

“Ja.”

“En… kun je me zien?”

“Nee. Ik zei toch dat het hier donker is?”

“O ja. Klopt.” Ron voelde zich nu opgelaten en tegelijk vreemd. Hoe kon hij nou in een hotel, midden in de nacht, tegen een onzichtbare vrouw praten die niet wist waar ze was. Misschien toch teveel bier, Ron? “En sinds wanneer ben je daar? Waar daar dan ook is?”

“Dat weet ik niet. Niet lang, denk ik.”

Ron ging op de bank zitten, in wat hij vermoedde dat zijn droom was. “En ben je in een kamer?” Terwijl hij het vroeg was hij niet zeker of hij hier wel in mee moest gaan. Dit sloeg nergens op. Hij zou terug naar bed moeten gaan en gewoon doorslapen.

“Misschien.”

“Je verwart me, Clara.”

“Sorry. Ik dacht dat het een goed idee zou zijn om met je te praten, maar als je je daardoor niet goed voelt…” Ze klonk een beetje gekwetst.

“Ook sorry, Clara. Ik wilde niet grof zijn. Ik zou nu eigenlijk moeten slapen. Waarom slaap jij trouwens niet?”

Even was het stil. “Ik geloof niet dat ik dat ooit gedaan heb. Is het fijn om te slapen?”

“O ja, beslist. Je gaat liggen en… wacht… weet je niet wat slapen is?”

“Nee.”

Ron stond op van de bank en liep terug naar de slaapkamer. “Ik denk dat dit gesprek nu lang genoeg heeft geduurd. Ik ben waarschijnlijk aan het slaapwandelen. Iedereen weet wat slapen is. Ik ga daar nu mee verder. Misschien krijg jij de smaak ook te pakken.”

Hij stond stil naast het bed maar de stem was verdwenen. Met een zucht gleed hij het bed in en trok het dekbed over zich heen. Zijn ogen vielen dicht.

De volgende ochtend werd hij wakker op de bank in de woonkamer.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 5, deel 5

Clara's ogen

Ron bracht de rest van de dag door in Central Park. Dat was vanaf het eerste moment zijn favoriete plek in deze betonnen jungle met de naam Manhattan. Hij vertelde zichzelf dat hij daar ooit aan zou wennen; dat hij enkel wat tijd nodig had. Midlothian in Virginia was een heel ander soort land dan dit. Waarschijnlijk woonden hier in New York meer mensen in een van de lange straten dan dat er in zijn hele geboorteplaats woonden.

De middag liet een nieuw publiek zien. Ron genoot van de verschillende mensen, de kleding, de kleuren en de ongelofelijke variatie in al die gezichten. Zoveel verschil op zo’n klein oppervlak…

Toen hij besloot terug te gaan dacht hij weer aan het meisje Clara die hem had geholpen met zijn telefoon. Hij vroeg zich af wat hem had bewogen om de kleur van de ogen te noemen die hij in zijn tekening had gebruikt. Waarschijnlijk kwam dat door de naam. Clara was geen veel voorkomende naam, dus om een Clara te ontmoeten was nogal bijzonder. Even stond Ron stil en dacht terug aan het gevoel dat hij thuis had gehad, die avond, met de tekening van Clara’s ogen naast hem op de ezel.

“Je moet oppassen, jongen,” zei hij tegen zichzelf. “Je krijgt nog een Clara-obsessie.” Maar er waren heel wat ergere dingen dan een paar grijs-blauwe ogen, en met die zekerheid wandelde hij verder, terwijl hij naar een restaurant zocht waar hij wilde eten.

Toen hij dat gevonden had zocht hij een plekje weg van de ramen. Hij had zoveel indrukken opgenomen die ochtend dat hij dat allemaal even moest laten bezinken. Met de menukaart in handen staarde hij in het niets. Misschien had Vincent van Gogh zulke momenten ook gehad, dacht de schilder. Even terugtrekken van alle indrukken.

“Wat zal het zijn?” vroeg de serveerster, die hem uit zijn gedachten haalde.

Ron liet van schrik het menu op de tafel vallen. “O… Sorry… Ik zat even te denken…”

“Zouden er meer moeten doen,” zei de serveerster met een knipoog. “Kijk nog maar even. Kan ik intussen iets te drinken brengen?”

Ron vroeg een glas bier en bestudeerde daarna de kaart met aandacht. Toen zijn biertje er was bestelde hij iets eenvoudigs en daarna had hij weer tijd om na te denken. Meteen dacht hij aan Clara. De serveerster had blauwe ogen en die leken een beetje op die van zijn Clara. Dat verraste hem wel een beetje. Alweer Clara. Wat was dat toch met Clara?

Hij realiseerde zich dat hij nu een tijd in New York zou blijven en daar was hij helemaal niet op voorbereid! Snel belde hij naar zijn zus.

“Shell? Ik heb een contract. Getekend en al.”

“En dat heb je helemaal doorgelezen zeker.” Ze klonk niet overtuigd.

“Het belangrijkste wel,” zei hij stellig. “En ik blijf hier nu drie maanden voor wat werk. Daarna kijken we wat het vervolg is.”

“Drie maanden? Jezus, Ron! Waar ben je mee bezig?”

Hij deed zijn best haar gerust te stellen en vertelde over de toelage, het appartement en de plannen voor die drie maanden, en daarna vroeg hij of ze een paar dozen met kleren wilde opsturen.

“Dozen. Heb je mijn broer weer,” zuchtte ze. ‘”Ik regel wel een koffer, Ron. Da’s veel veiliger.”

Na het gesprek kwam de serveerster zijn bestelling brengen. Omdat het rustig was had ze wat tijd om met hem te kletsen – hij vond dat niet erg. Hij vertelde haar waarom hij in de stad was en dat hij eigenlijk zijn baan al in de zak had. Dat vond ze bijzonder.

“Niet veel mensen komen hierheen en krijgen het zo snel voor elkaar,” zei ze. Daarna liep ze weg om een nieuwe klant te helpen.

Ron wist hoeveel geluk hij had gehad en liet een aardige fooi achter.

Terug in het hotel trakteerde hij zichzelf op nog een biertje en ging toen met de lift naar de enorme suite die hij nog een nacht kon gebruiken.

Even keek hij televisie, maar het scherm was zo groot dat het voelde alsof iedereen bij hem in de kamer was. Dat was teveel van het goede, dus de TV ging uit. Hij pakte zijn telefoon en bladerde nog eens door de foto’s van die ochtend. Hij zag nu dat er veel bij zaten die niet zo goed waren, maar ze hoorden bij de herinnering aan deze dag.

Omdat hij zo vroeg op was gestaan die ochtend, besloot hij maar vroeg naar bed te gaan. De volgende dag zou best wel weer eens druk kunnen worden met ‘de verhuizing’. Morgen begon er een nieuw hoofdstuk in het boek van zijn leven.

Clara’s Ogen, hoofdstuk 5 deel 4 – en Kobie!

Kobie? Ja, er is een nieuw verhaal van Kobie de jonge heks verschenen, een paar dagen geleden. Je kunt hier meer lezen.

In het kort:

Kobies winkel draait goed en alles lijkt haar voor de wind te gaan. Tot de ruzie. Koen verdwijnt, en ze vindt hem terug in een vreselijke toestand. Wat is hier gaande? Wie is Appie van Leeuwen, en wat heeft hij te verbergen? Daarnaast is er ook nog een wisseling van personeel bij de Boekanier, en hoe gaat dat uitpakken? Als dan ook nog de ‘dames’ van het voormalige Genua-kamp op bezoek komen, wordt het helemaal een vreemde bedoening.

En nu verder met Clara en Ron!

Hier is het vervolg van hoofdstuk 5.

Clara's ogen

Toen hij bij een gigantisch raam stond en naar de drukke straat onder hem keek, ging de deur open.

“Hallo Ron. Fijn dat je er al bent.”

“Meneer Ostring, goedemiddag. Het is fijn dat ik hier mag zijn,” zei Ron.

“Ga zitten, ga zitten. Heb je over ons aanbod nagedacht?”

Ron had dat helemaal niet gedaan. De eerste ontmoeting met Manhattan had hem veel te veel bezig gehouden, maar hij voelde zich net zo zeker over deze kans als de avond tevoren. Daarom zei hij tegen meneer Ostring dat hij er goed over had nagedacht en dat hij graag op het aanbod inging.

“Dat is goed nieuws, Ron. Heel goed. Ik heb je werk vanmorgen aan mijn partners laten zien en die zien het helemaal zitten met je.” Daarna vroeg de man hoe Ron de ochtend had doorgebracht, en knikte enthousiast toen Ron over zijn wandeling vertelde. Hij keek ook met interesse naar sommige foto’s die Ron liet zien.

Voor een moment was Ron terug in Central Park toen hij een foto van het meer zag. In gedachten zag hij het meisje Clara weer, die hem had geholpen met zijn telefoon. Het was onmogelijk een korte glimlach te onderdrukken.

“Als je zeker bent van je zaak, dan kunnen we dit een stap verder brengen, Ron.” Meneer Ostring liep naar zijn bureau en pakte een officieel uitziende map uit een lade. Daar zaten twee kleine setjes papier in, op keurig briefpapier. “Dit zijn twee kopieën van het contract. Als je een van de sets wilt doorlezen…”

Ron pakte een van de setjes aan en begon te lezen. Het zat er allemaal nogal standaard uit, voor zover hij op de hoogte was met contracten. Er werd uitgewijd over de drie maanden, het adres van het appartement, de hoogte van de maandelijkse toelage en nog meer details. Het zag er allemaal prima uit. Vanaf bladzijde drie begon het ingewikkelde, saaie gedoe over aansprakelijkheid, rechten en plichten en meer van dat. Na twee alinea’s was Ron dat al zat en keek er verder maar vluchtig overheen. Het laatste stuk van het contract was dan weer wel belangrijk. Dat vermeldde dat het contract na drie maanden verviel en dat op dat moment iedere partij aan zijn verplichtingen had voldaan. Als hij dan besloot bij de organisatie te blijven zou er een nieuw contract opgesteld worden.

Er was niets op aan te merken, vond Ron, dus vroeg hij een pen en ondertekende de contracten. Meneer Ostring deed dat ook en daarop schudden ze elkaar de hand.

“Welkom bij onze organisatie, Ron. In elk geval voor drie maanden.”

Jess bracht drie glazen champagne.

“Ik weet zeker dat je een waardevolle toevoeging zult zijn voor onze groep creatieve experts.”

Het geluid van kristallen glazen tegen elkaar bezegelde het moment.

Na die korte ceremonie zei Jess dat Harvey al klaar stond om Ron terug te brengen naar het hotel, waar hij nog een nacht zou blijven. De volgende dag zou Harvey hem ophalen en naar het appartement brengen waar de volgende fase van Rons leven zou beginnen.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 5, deel 3.

Clara's ogen

Het meisje grijnsde en deed de routine nog eens voor, nu heel langzaam en overdreven. “En nou jij.”

Ron herhaalde de acties en zowaar, daar waren zijn foto’s.

“En nou niet vergeten, oké? Ik kom hier niet altijd langs als je zit te kloten.”

“Hé Clara, kom je nog?” riep een van haar vrienden. De groep was een stukje doorgelopen en iemand miste haar nu dan toch.

“Heet jij Clara?” vroeg Ron.

“Ja. Mag dat niet?” Ze stond op.

“Tuurlijk wel, maar Clara heeft blauwgrijze ogen,” flapte hij eruit.

Clara keek hem even onderzoekend aan. “Niet deze Clara.” Ze grinnikte even. “Veel plezier met je foto’s.”

“Dank je!” riep hij haar na terwijl ze naar haar vrienden holde. Wat een rare ontmoeting zeg, een Clara, midden in New York. Hij keek nog even naar de weglopende groep en bekeek daarna zijn foto’s. Die waren niet eens zo slecht geworden. Toen kreeg hij een idee. Hij schakelde de telefoon weer in en belde zijn zus. “Shelley! Je raadt nooit waar ik ben!”

“Je zit in de gevangenis en dit is het enige telefoontje dat je mag maken.” Shelley klonk geamuseerd.

“Nee. Ik zit in Central Park. Op een bankje. Bij een meer.”

“O. Dat klinkt niet best.”

“Waarom niet?” Ron had die reactie niet verwacht.

“Anders zou je toch aan het werk zijn? Of hebben ze je op de eerste dag al ontslagen, en zit je nu op de bus te wachten die je terugbrengt naar het vliegveld?”

Ron schoot in de lach en vertelde haar dat dit onderdeel was van zijn oriëntatie en hoe de vorige dag was verlopen. Ze was aardig onder de indruk van haar broer en beloofde het goede nieuws door te geven aan hun ouders. Na het telefoongesprek stond Ron op, vond de weg naar buiten en toen, met de kaart in de hand, ging hij op zoek naar het gevoel van Manhattan.

Zijn wandeling bracht hem naar de Gutenberg Speelplaats en daarvandaan kwam hij terecht bij het park genaamd Hellekeuken. Het was een boeiende plek waar mensen basketbal en handbal speelden. Misschien een goede plek om te onthouden, voor als hij zelf eens sportief wilde zijn.

Ron keek op zijn horloge toen zijn maag aankondigde dat honger in aantocht was. Al bijna middag? De tijd was omgevlogen, en om twee uur zou Harvey hem weer komen halen! Opschieten dus, terug naar het hotel om iets te eten. Hij had ook niet veel gegeten vanmorgen, en dat was ook nog eens erg vroeg geweest, dus volgde hij de kaart en vond hij zonder problemen de weg terug.

Ron zat in de lobby zijn ochtendfoto’s te bekijken toen de chauffeur binnenkwam.

“Goedemiddag, meneer Brooks. Bent u zover?”

Ron grinnikte. “Zeker weten. Weet je dat ik bijna te laat was?” Terwijl ze onderweg waren vertelde Ron de man over zijn ochtendwandeling door Manhattan en hoe leuk dat was geweest.

Snel waren ze bij de bestemming, waar Jess Ron alvast het kantoor van meneer Ostring binnenloodste. De man was er nog niet; iets met een lunchafspraak die uit liep, verklaarde ze. Maar Ron kon in het kantoor wachten. Dat was een stuk prettiger dan in de wachtkamer. “En als u iets uit de bar wilt hebben, er is genoeg,” zei ze.

Ron hield het bij een bitter-lemon en bekeek met aandacht een aantal schilderijen die aan de muren hingen. Sommige waren echt goed. Andere waren een stuk minder geslaagd. Daar had iemand geprobeerd een oude meester na te doen en was daarin totaal mislukt. Waarom een kunstliefhebber als meneer Ostring zoiets aan de muur wilde hebben snapte Ron niet.