Clara’s Ogen. Hoofdstuk 15, deel 1

Clara's ogen

15. Clara’s wereld

“Ron! Wat is er gebeurd?” Clara klonk bezorgd.

Ron antwoordde niet. Hij pakte een doek en begon voorzichtig de schade te beperken. Terwijl hij daarmee bezig was, schoten hem Cornelia’s woorden te binnen. “Zet het glas aan de kant.” Dit had ze bedoeld! “Hoe kon die heks dat weten,” vroeg hij zichzelf af.

“Wie is de heks?” vroeg Clara. Ron voelde dat ze nu door zijn ogen keek. “Dat is jammer, hè? Maar jij kunt dat herstellen, lieve Ron. Jij wel. Jij kunt alles met schilderen.”

Ron verstijfde even. “Wat zei je?”

“Ik zei: jij kunt dat herstellen, lieve Ron. Is dat verkeerd?”

“Ehm. Nee…” Ron wist zich heel even geen raad hiermee. “Nee, echt niet. Ik vind dat leuk.” Hij glimlachte en voelde zich even heel stom. “En je hebt gelijk. We gaan dat schilderij opknappen, en mooier maken dan het al was. Lieve Clara.”

Het logische deel van zijn brein, dat zo vaak genegeerd werd, waarschuwde hem nogmaals om niet de grip op de realiteit kwijt te raken, en als zo vaak kwam dat bericht niet aan bij de schilder.

Ron ruimde de waterpotten, die het probleem hadden veroorzaakt, op en waste zijn handen. Als die vlekken gedroogd waren dan zou het wel meevallen, wist hij. Er waren heel wat technieken om dit soort ellende aan te pakken, maar niet nu. Gelukkig was hij er op tijd bij geweest. Die verf was kwaliteitsspul; als hij te lang had gewacht dan zou het schilderij niet te redden zijn geweest.

Toen ook de verf opgeruimd was, liep hij terug naar de tafel en keek naar het schilderij. “Mijn Clara.” Een glimlach speelde weer om zijn mond.

“Mijn Ron,” reageerde Clara, en hij voelde dat zij ook glimlachte. Op de een of andere manier kon hij de lippen op het schilderij in die glimlach zien krullen. Dat kon niet, maar na een paar keer knipperen met zijn ogen was die glimlach er nog steeds.

“Clara?” vroeg hij, terwijl hij merkte dat de wereld om hem heen begon te draaien. Hij leunde op de tafel voor wat stabiliteit. Hoe kon hij opeens zo duizelig zijn?

“Ron? Wat gebeurt er? Gaat het goed met je?” Clara klonk nu meer dan bezorgd.

“Ik weet het niet,” zei hij. “Ik word zo…”

“Kan ik iets doen?” Clara klonk bijna angstig.

Alles werd nog gekker toen haar gezicht voor hem leek te zweven, en ergens vandaan kwam een hand. Haar hand. Die zat vast aan een arm. Haar arm. Ron was nu zo draaierig dat hij de uitgestoken hand pakte. De hand voelde zacht en veel te echt.

De kamer tolde nu als een gek om hem heen en hij verloor zijn evenwicht. Ron viel voorover.

~~~

De duik duurde niet lang. Ron herinnerde zich een hoop wit, en vlekken, en daarna duisternis. Toen hij bijkwam, lag hij op zijn rug. De geur hier was niet die van zijn appartement, en toen hij met gesloten ogen rondtastte, merkte hij dat de ondergrond vreemd hard was. Op het moment dat zijn armen bewogen, hoorde hij Clara’s stem.

“Ron! Ben je in orde?”

Ron hoorde iets ruisen naast zich en keek op. Hij was net op tijd om te zien hoe Clara naast hem neerknielde. Ze pakte een van zijn handen en keek bezorgd.

“Ben je in orde, Ron? Hoe ben je hier terecht gekomen?”

“Clara?” Ron knipperde een paar keer met zijn ogen. Was zijn fantasie nu met hem aan de haal gegaan? Dit kon toch niet? Hoe hij ook knipperde, zijn appartement kwam niet terug, dus ging hij rechtop zitten. “Ja, ik ben oké.” Hij keek haar aan. Ze was het echt. Ze was echt. “Waar ben ik?” vroeg hij toen.

“Je bent hier, bij mij,” zei Clara. Ze stond op en wachtte tot hij ook opgestaan was. Meteen daarna sloeg ze haar armen om hem heen en klemde zich tegen hem aan. “Je bent echt hier, Ron. Ik kan je zien, en vasthouden,” fluisterde ze.

In een reflex hield Ron Clara vast en keek rond om te bepalen waar ze eigenlijk waren. Er was drie muren van hetzelfde, bleke materiaal als de vloer, en de vierde muur zat vol blauwe vlekken, en sommige daarvan lieten een beeld zien. Het leek wel het plafond van zijn huiskamer. En de streep licht? Dat was toch niet de tafellamp? “Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Ik ben toch niet in mijn eigen schilderij gevallen?”

Clara’s ogen. Hoofdstuk 14, deel 4.

Clara's ogen

Op weg naar huis, in de minibus, had iedereen het over de twee vrouwen, maar allemaal in een positieve en prettige manier. Alleen Cornelia was stil, net als anders. Gedurende het diner, na de tentoonstelling, zat Ron uitgerekend naast die stille vrouw. Dat was bijzonder, want Cornelia slaagde er vaak in een klein tafeltje voor haar alleen te bemachtigen. Deze keer was het restaurant te vol, dus had ze zich moeten schikken.

“Hoe gaat het met je vriendin?” vroeg Cornelia plotseling aan Ron.

“Vriendin?” Even wist hij niet wie ze bedoelde.

“Het blonde meisje in je kamer en je hart.”

Ron liet bijna zijn bestek vallen. “Hoe weet jij dat?”

“Ik weet meer dan veel mensen denken. En dat is goed zo,” zei Cornelia, haar stem gedempte. “Zij is degene die maakt dat jij je anders voelt, en ik zie dat. Ik weet niet wie ze is.”

“Ze is een schilderij,” zei Ron, maar hij wist hoe zwak dat klonk. Cornelia keek hem maar een paar tellen aan, maar haar blik maakte duidelijk dat zij wel beter wist. “Zou je dit alsjeblieft stil willen houden?” fluisterde hij zijn vraag.

“Natuurlijk. Dit gaat niemand iets aan. Zelf mij niet, maar ik kan dit soort dingen niet buitensluiten. Ik raad je wel aan om het glas aan de kant te zetten.”

“Glas?” Ron snapte er niets van.

“Het glas. Verder weet ik het ook niet. Ik vertel je alleen maar wat je moet weten.” Cornelia haalde even haar schouders op. “Doe ermee wat je wilt en kunt. Of niet.” En daarmee was het gesprek afgelopen. Haar bord was amper leeg, maar ze stond op en verliet het restaurant.

Na het diner liep de rest van de groep terug naar huis. Ron hoopte dat niemand iets zou vragen over het fluistergesprek met Cornelia, maar niemand leek het te hebben gemerkt.

“Ron, kerel,” zei Marcus, “ik hoorde iets leuks. Morgen belt Barbie je op voor een nieuwe klus. Ik hoop dat je van Salvador Dali houdt.”

“Barbie?” Op dat moment begreep Ron dat hij Barbara bedoelde. “O! Ja, Dali is geweldig. Ik vind zijn werk heel boeiend. Maar hoe weet jij dat?”

Marcus knipoogde. “Als je zolang in de branche meedraait als ik, dan leer je vanzelf de juiste mensen kennen, en dan hoor je wel eens wat. Doe wel verbaasd, oké?”

Ron was wel een beetje verbaasd door dit nieuws, maar toen hij eenmaal thuis was en met Clara kon praten, verdween dat vreemde nieuwtje al snel naar de achtergrond.

Samen bekeken ze Clara’s schilderij. Er was iets dat hij nog wilde aanpassen, en omdat het licht van buiten al wat afnam, pakte hij het doek en legde hij het op tafel. Daar hing een lamp die nog wel even genoeg licht zou geven. Hij pakte een tube van de grote zak verf die hij van Ross had gekregen en ging voorzichtig aan het werk. Hij gebruikte de fijnste penseel, met maar een paar haren, om de details rond Clara’s ogen goed te krijgen. Telkens maakte hij die penseel goed schoon in de pot water, voor hij verder ging. Als er vooral maar geen spatten op het doek kwamen.

Een klopje op de deur liet hem schrikken. Gelukkig stond de penseel net in de pot. Wie kon dat zijn om deze tijd?

“Hé. Laura.”

“Hallo, grote man,” zei Laura, die duidelijk een pyjama droeg. Een die nogal doorschijnend was ook nog. “Zou ik vannacht bij jou mogen slapen? Ik ben… een beetje eenzaam.”

Ron zuchtte. Hij had al vaker van Laura’s slaap-gewoontes gehoord, en het was enkel een kwestie van tijd voor ze aan zijn deur zou staan, had Marcus gezegd. En vanavond was het moment daar.

“Waarom die zucht, Ron? Vind je me niet leuk? Als dat zo is dan doe je toch gewoon het licht uit voor ik binnenkom?” Laura grinnikte. Ze had hier duidelijk heel wat ervaring mee.

“Laura, dit is niets voor mij,” begon Ron.

“Het is nooit te laat om te veranderen, Ronnie-boy,” zei ze, terwijl ze een knoopje van haar pyjamajas losmaakte.

“Daar verander ik niet voor. Sorry, maar…” Ron wilde gewoon dat ze wegging, zonder gedoe.

“Wat is er, jongen? Ben je homo of zo? Dat kun je gewoon zeggen hoor. Ik wil zeker zijn dat ik ‘het’ nog heb.”

“Je hebt ‘het’ nog wel, Laura, maar ik heb er gewoon geen trek in. Fijne avond nog.” En toen maakte hij gewoon de deur dicht. “Jezus, dat kon ik nog net hebben,” zei hij terwijl hij terug liep naar de tafel.

“Wat wilde ze, Ron?”

“Ze wilde hier slapen. In mijn bed.”

“O. Is dat van haar kapot?”

Ron moest onwillekeurig grinniken om haar onschuldige reactie. “Het is gewoon een raar mens,” zei hij, en daarmee was voor hem de zaak afgedaan. Op dat moment ging er iets mis.

Ron verstapte zich over een plooi in het vloerkleed en dreigde om te vallen. Hij greep zich vast aan een stoel die op een of andere manier uit zijn hand schoot en tegen de tafel klapte. De potten met penseelspoelwater sprongen op en kwamen met een klap neer.

“O nee! Verdomme!”

Spatten uit de twee potten water waren op Clara’s schilderij terecht gekomen. Er zat blauw in haar haren en groene vlekken prijkten naast haar gezicht.

Ron staarde ontzet naar de kleurige ravage op het doek.

Clara’s ogen. Hoofdstuk 14, deel 3.

Clara's ogen

Twee dagen later was de Van Gogh replica klaar. Charles Simmons was naar de bovenverdieping gekomen om het werk te inspecteren. Hij had iemand bij zich die Ron niet kenden, maar de twee waren erg tevreden over het resultaat. Ze feliciteerden Ron met zijn vakmanschap, en het werk aan zijn eerste echte opdracht. “De klant zal erg blij zijn, Ron. Dank je dat je dit zo perfect hebt gedaan. We laten het weten als er weer een replica moet worden gemaakt die bij je past.”

Ron ging even bij Marcus kijken, die nu aan een Rubens-replica bezig was. “Ik ben klaar hier.”

“Goed, man. Vonden ze het wat? Haha, natuurlijk vonden ze het wat, anders was je niet klaar,” lachte Marcus. “Kom je met de club eten vanavond? Ik ben hier ook zo klaar. Deze laag moet eerst goed drogen voor ik verder kan.”

“Ik denk dat ik lekker thuis blijf en daar wat eet,” zei Ron. “Ik zie je later wel weer eens. Succes met deze opdracht, Marcus.”

Hij wachtte op de lift en stapte uit op de verdieping waar Jess werkte om haar te laten weten dat hij klaar was met de replica.

“Aardig van je dat je het komt zeggen, Ron. Charles was al hier om het aan te kondigen. Meneer Ostring is beslist ook blij met dat nieuws.” Jess schoof een envelop over het bureau. “Hier is een kleine verrassing voor je, Ron. Fijne avond.”

Op weg naar huis keek Ron in de envelop en vond een bankbiljet van honderd dollar. Dat was echt een leuke verrassing, dus hij kwam thuis in een prima humeur.

Clara was blij voor hem, als had ze duidelijk geen idee hoeveel honderd dollar was, maar dat maakte niet uit. Ron ging goed voor ‘hun bloem’ zitten en samen maakten ze het doek af, hij schilderend en zij kijkend en aanwijzingen gevend. Het duurde zo niet lang, en Ron was echt opgetogen over het resultaat. Het was op zich een eenvoudig schilderij, maar door de details en de manier waarop hij het invallende licht had gevangen was het toch bijzonder geworden.

Na dat succes maakte Ron snel iets te eten voor zichzelf en daarna ging hij zitten voor Clara’s portret. “Ik ga iets aan je haar doen,” zei hij. “Ik weet nog niet precies wat, maar…” Hij bekeek het gezicht voor hem aandachtig. “Je pony wordt wat langer,” besloot hij. “En het haar moet ietsje over je gezicht vallen. Niet teveel maar net een klein beetje.”

“Ik vind het bijzonder dat je dat allemaal bedenkt, Ron.”

Terwijl hij werkte, vertelde hij dat hij heel vaak aan haar dacht, aan hoe ze eruit zou zien en ook hoe ze als persoonlijkheid zou zijn. “Op die manier creëer ik een echt, compleet iemand, Clara, en dat is een goede basis om een afbeelding van iemand te maken.”

Met aandacht werkte hij daarna een tijdje aan haar oogopslag en haar lippen. Toen hij vond dat het te donker aan het worden was stopte hij met het werk. Het verbaasde hem eigenlijk wel hoeveel aandacht hij aan de details schonk. Normaal gesproken deed hij dat ook wel, maar dit was toch opvallend.

Ook de volgende dag was hij constant met het schilderij bezig en hij was meer en meer onder de indruk van wat Clara en hij aan het maken waren.

“Bijna niet te geloven,” zei hij. “Je zou zo van het doek af kunnen stappen.”

Clara was er stil van. Ron wist dat ze blij was met wat ze door zijn ogen zag. “Ik wil je zo graag zelf bedanken, Ron,” fluisterde ze uiteindelijk.

“Ik voel hoe blij je hiermee bent, Clara,” zei hij. “Dat is al heel veel dank.” Even overwoog hij om het schilderij mee te nemen voor een wandeling, maar dat zou wel heel raar uitzien, dus bleef hij gewoon thuis om met haar te praten.

~~~

In de weken die volgden werd Ron regelmatig naar de bovenverdieping van het Ostring-gebouw geroepen. Soms was Marcus er ook. Hij kwam Laura wel eens tegen, en Ross liep er regelmatig rond.

Ron werkte aan een Picasso, een Rembrandt, een klein werk van Vincent van Gogh dat in meneer Ostrings kantoor zou komen te hangen, en hij kreeg zelfs een opdracht om een replica van de Mona Lisa te maken. Daar stond hij behoorlijk op te zweten, net als de Rembrandt, want dat waren stijlen die hij niet zo beheerste.

Gedurende die tijd kwam ook Felicity’s tentoonstelling dichterbij, en dat was een aangename onderbreking voor iedereen. Ron was een beetje verbaasd dat ze hem niet om morele steun vroeg, zoals hij haar had gevraagd, maar toen hij Felicity aan de arm van een blonde schoonheid zag, begreep hij hoe de vork in de steel zat. Het leek er ook op dat Felicity en de blonde vrouw elkaar behoorlijk goed kenden.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 14, deel 2.

Clara's ogen

“Replica’s?” Ron keek bedachtzaam terwijl hij het voorbeeld bekeek. “Mag dat wel?”

“Natuurlijk, Ron,” zei Jess. “Veel mensen willen dit soort werk graag in huis hebben, maar ten eerste kunnen ze dat niet betalen, en ten tweede is er maar een origineel. Wij bieden een service aan voor de allerbeste, natuurgetrouwe replica’s voor een schappelijke prijs. Daarom zoeken we naar de beste schilders in het land, om dit soort juweeltjes te maken.”

Ron knikte. Dat klonk heel aannemelijk.

“Hé, Ron. Klaar om je bij de elite te voegen?” Tot Rons verrassing was het Marcus die dat zei. De man kwam naar de klaarstaande schilderswerkplek. “Uiteraard. Jouw favoriet. Ik ben nu met een Rembrandt bezig. Wil je even komen kijken?” Marcus sloeg een arm om Rons schouders en dirigeerde hem naar de enorme panelen waarachter hij aan het werk was. De replica van de Nachtwacht was ongelofelijk mooi.

Marcus had een groot televisiescherm achter zich staan, waarop hij het hele schilderij in detail kon bekijken.

“Heb jij dat gemaakt?” Ron keek vol ongeloof naar het enorme werk. Het leek zoveel op het origineel dat het griezelig was, tot en met de naam van de al lang overleden schilder.

“Ja, helemaal mijn werk,” zei Marcus trots. “Hier, pak een vergrootglas en duik erin. Maar niet op het doek kwijlen, Ron.”

Ron pakte het glas aan en bestudeerde het doek. Hij kon niet anders dan toegeven dat dit een bijzonder staaltje vakmanschap was.

“Ik weet het, Ron,” zei Marcus, die straalde na dat compliment. “En jij kunt ons nu laten zien dat jij dit ook kunt, jongen.”

Ron leefde totaal niet voor uitdagingen, maar in dit geval wist hij dat hij het kon. Hij knikte. “Ik zal mijn best doen.”

Jess en Marcus zeiden dat ze niet meer van hem verwachtten, maar ook niet minder.

Na zes uur intensief werk, alleen onderbroken voor een haastige lunch, moest Marcus Ron van het schilderij afsleuren. “Kom op, jongen. Tijd om uit te rusten en wat te eten om dit te vieren. Morgen komen we terug en dan kun je weer lekker verder.”

Marcus nam Ron mee naar een restaurantje in de buurt en vertelde hem dat hij in zijn carrière bij Ostring al een stuk of tien van die enorme Nachtwachten had geschilderd. “Het gaat me steeds beter af,” zei hij, “en ik ben dol op dat schilderij. Van wat ik zag van je Van Gogh ga jij ook al de goede kant op. Ik ben niet zo van dat werk. Ik ben, denk ik, een reïncarnatie van Rembrandt.”

Ron moest daar wel om lachten. Dat was hoe hij dacht over Vincent van Gogh. “Wie zijn die andere schilders?” vroeg hij toen. “Die wonen niet in ons gebouw, toch? Ik heb ze nog nooit gezien.”

“Klopt. Dit zijn oudgedienden, en die hebben het al zo goed voor elkaar dat ze hun eigen woning hebben hier in de stad. Replica’s maken is alles wat ze doen en daar leven ze goed van. Je weet het misschien nog niet, maar je krijgt tien procent van de verkoop van een werk dat je aflevert. Hard werken, jongen, en dan tikt dat lekker aan.”

Toen Ron eenmaal thuis was, was het te laat en te donker om nog aan de bloem te werken, en ook voor Clara’s afbeelding was het te donker. Dat laatste vond hij erg jammer.

“Hallo, Ron,” zei Clara. “Je was lang weg.”

“Ja, klopt. Sorry. Er is iets interessants dat ik aan het doen ben in de stad. Jammer dat het zo laat is geworden. Ik zou graag nog even aan jou door willen werken.”

“Ik begrijp het,” zei Clara in zijn hoofd. “Maar je bent nu hier, en dat is fijn. Nu kunnen we even praten.”

Hij glimlachte en begon uit te leggen wat hij ‘in de stad’ aan het doen was. Ook dat hij daar nog wel een paar dagen mee bezig zou zijn, omdat het een behoorlijke opdracht was.

“En daarna ben je weer een paar dagen hier?” vroeg ze hoopvol.

“Ja, zeker weten. En dan maken we samen die bloem af,” beloofde hij. “En we gaan verder aan jouw schilderij.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 14, deel 1.

Clara's ogen

14. Buurverrassingen

Ron werd wakker. Hij voelde zich vreemd. Helemaal uitgerust, dat was het niet, maar het voelde alsof een deel van hem er niet helemaal bij was. Alsof een van zijn voeten weg was, maar dat was het probleem niet. Gelukkig werd dat vreemde gevoel door een opwekkende douche weggespoeld, terwijl hij met Clara praatte. Toen hij klaar was om met de bloem verder te gaan, werd er op de deur geklopt.

Het was Bob, die ook Ross werd genoemd.

“Hé, sorry dat ik je stoor, vriend, maar ik heb hulp nodig. Heb je even voor me?” De man met de wilde haardos keek zo verontschuldigend dat Ron hem onmogelijk weg kon sturen.

“Wat kan ik voor je doen?”

“Een handje helpen? Twee handjes als het kan?” Ross legde uit dat hij een makkelijke stoel had besteld en die stond nu beneden. “Ik krijg dat ding in mijn eentje onmogelijk de lift in.” Hij weer naar zijn bovenarm. “Zie je? Dat is niet van een sterke bodybuilder maar van een slappe schilder.”

Ron schoot in de lach en ging met hem mee om te helpen. Het lukte om de stoel de lift in te krijgen, maar de voordeur van Ross’ appartement had er geen zin in. De twee moesten de stoel kantelen en toen, met moeite, kregen ze het geval gedeeltelijk naar binnen.

“Waar heb je dat monster gevonden?” vroeg Ron, toen de stoel half binnen was.

“Op internet. Hij was goedkoop, en op het scherm leek hij een stuk kleiner,” zei Ross. Hij probeerde over de stoel naar binnen te klimmen. “Misschien was dit toch niet zo’n goed idee,” zuchtte hij, zittend op een leuning.

Ron keek nog eens goed. “Oké. Stoel terug, dan met de poten eerst naar binnen, een beetje draaien, dan de zitting en dan de rugleuning. Hoop ik.”

“Wacht even,” zei Ross. “Eerst binnen wat ruimte maken.” Toen hij dat gedaan had, probeerden ze het op de manier die Ron voorstelde, en zowaar, dat lukte.

“En waar moet-ie komen te staan?”

De stoel stond overal in de weg.

“Ehm.” Ross haalde zijn schouders op. “Ik laat hem hier voorlopig staan. Ik vind wel een plekje.” Hij klonk niet erg overtuigd. “Misschien was dit niet zo’n goed idee,” herhaalde hij zijn gevoelens.

Ron wenste de man veel succes. Het leek er niet op dat de stoel ergens zou passen, tenzij Ross een hoop spullen wegdeed.

“Dank je. O, voor je gaat…” Ross trok een kast open. Dat lukte maar net, met de monsterstoel die in de weg stond. “Hier. Voor jou.” Hij hield een tas omhoog. “Voor je hulp.”

Ron pakte de tas aan. “Man! Wat een hoop verf! En goede verf ook nog! Hoe kom je daaraan?”

Ross grijnsde. “Een beetje teveel besteld toen ik een beetje dronken was. Veel plezier ermee.”

“Er zitten mooie kleuren bij,” zei Clara, toen Ron in zijn eigen woning de inhoud van de tas inspecteerde. Hij was het met haar eens.

“Ik zal een van deze kleuren gebruiken voor jouw schilderij, Clara.” Hij borg de tas op en daarna was het tijd om aan de bloem verder te gaan.

~~~

De dagen die volgden, zweefden voorbij in een aangename routine. Clara en hij werkten aan schilderijen overdag en ontmoetten elkaar telkens bijna, elke nacht. Hij ging regelmatig met de schildersgroep uit eten ‘s avonds, en soms gingen ze naar het naburige stadje, voor de verandering.

Op een ochtend ging de telefoon. Het was Barbara. “Hallo, Ron. Hoe staat het leven?”

“Hier gaat alles goed, dank je. Ik heb zin in wat ik doe.”

“Dat is mooi,” zei Barbara. “Zou je vandaag naar kantoor kunnen komen? We hebben een aanvraag waar we jouw expertise voor nodig hebben.”

Ron fronste. “En wat voor expertisevraag is dat?”

Barbara legde uit dat een klant een specifieke wens had geuit, en volgens meneer Ostring was Ron de aangewezen persoon om die wens in vervulling te laten gaan. “Het werk zou hier in het gebouw moeten worden gemaakt. Denk je dat dat lukt?”

Ron keek naar het schilderij. De bloem was eigenlijk bijna klaar. Hij had gehoopt het vandaag af te krijgen. “Goed. Ik kom eraan. Met wat geluk ben ik er over een uurtje.”

“Geweldig, Ron. Meld je even bij Jess als je er bent. Zij zorgt ervoor dat je op de hoogte wordt gebracht.”

“Moet je gaan?” Clara’s stem klonk bezorgd toen Ron de telefoon neerlegde en begon met zijn penselen schoon te maken.

“Het lijkt er wel op. De man met het geld wil dat ik op kom draven,” zei hij, en vertelde haar wat Barbara had gezegd. Clara wenste hem veel succes terwijl hij zich omkleedde.

Hij pakte een jas en zijn sleutels, en verliet toen het gebouw.

De reis naar ‘kantoor’ was eenzaam en stil. Op een of andere manier konden Clara en hij niet ‘verbinden’ als hij ver weg was, en hij miste haar aanwezigheid al snel. Het maakte hem melancholiek op een manier die Vincent waarschijnlijk wel zou herkennen.

Toen hij in het gebouw aangekomen was ging hij op zoek naar Jess, die meteen opgetogen was. “Fijn dat je er al bent, Ron. Kom mee, we hebben echt iets bijzonders. Iets dat helemaal voor jou is, denken we.” Ze nam hem mee naar de lift. Die stopte op de bovenste etage, waar Ron nog nooit geweest was.

Ze stapten in een grote, helder verlichte ruimte met heel veel glas.

Er zaten drie mensen te werken aan grote ezels, die zo opgesteld waren dat ze optimaal van het binnenkomende licht gebruik konden maken. Er stonden nog zes van die opstellingen, en bij een stond een vergrote afbeelding van Vincent’s Sterrennacht. Jess stuurde Ron daarheen.

“Een van onze klanten heeft om een replica van dit schilderij gevraagd, Ron. En omdat jij zo’n Van Gogh-specialist bent, hopen we dat jij dit kunt doen.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 13, deel 3.

Clara's ogen

Ron maakte een lamp aan en pakte een potlood en een schetsboek. Hij tekende de bloem, en omdat die daar een beetje eenzaam op het papier hing, tekende hij er een vaas omheen. Terwijl hij bezig was, vertelde hij haar wat hij deed en waarom. Op een gegeven moment voelde het voor hem alsof Clara over zijn schouder hing, om geen moment van alles te missen. Het was vreemd, want hij was hier alleen op zijn bank, maar ondanks dat genoot hij van het gevoel.

“Morgen gaan we hier echt iets mee doen,” zei hij. Zijn ogen waren moe aan het worden, en de lamp was verre van ideaal om bij te werken.

“We.” Clara klonk verrukt en haar glimlach was bijna voelbaar. “Dat klinkt fijn, Ron. Ja, wij gaan morgen verder.”

Opeens voelde Ron een onverklaarbare golf van eenzaamheid die zijn hart greep. “Clara?”

“Ja, Ron?”

“Ik ben blij dat je hier bent. Bij me.”

Heel even was ze stil. “Ik ben blij dat ik bij je kan zijn.” Daarna waren ze samen even stil. Ron besefte dat zij net zo blij was, en was dankbaar voor die vreemde, onzichtbare verbinding met Clara. Waar ze ook was. Hij wist ook dat die verbinding sterker aan het worden was. Het was goed dat hij Clara verborgen had gehouden. Alleen zijn zus wist van haar, en Felicity.

“Ron? Je zit in het donker.”

“Wat? O, dat klopt!” Het enige licht in de kamer was de lamp die hij had gebruikt voor de schets van de bloem. Zolang Clara in de buurt was, had hij weinig tot geen aandacht voor zijn omgeving. Wat bijzonder. “Je hebt echt een speciaal effect op me, Clara.” Hij grinnikte.

“Ik hoop dat dat goed is…”

“Dat is veel beter dan goed.” Het was heel makkelijk om open te zijn naar haar toe, merkte hij alweer. Ron had daar bij ‘echte’ vrouwen altijd wat moeite mee, omdat ze hem te vaak niet begrepen. Of hij hen niet. Hij had dan altijd het idee dat zij iets wilden wat hij niet snapte, of zag, of kon bevatten.

“Ben je nog niet moe, Ron? Het is al laat geworden.” Clara had op een of andere manier een gevoel voor tijd ontwikkeld. Dat was nieuw.

“Ja, het is laat. Ik ben niet echt moe maar ik moet toch maar naar bed gaan. Denk ik…” Hij stond op en liep naar het raam. Hij opende het en keek omhoog naar de donkere hemel. Zijn appartementje lag boven de straatverlichting en er waren geen wolken, dus had hij een redelijk ongehinderd uitzicht. Zijn ogen pasten zich aan aan het duister en hij zag meer en meer sterren. “Zie je dat, Clara? Kun je de sterren zien zoals ik ze zie?” Ron voelde dat ze bij hem was, dat ze met hem omhoog keek en zag wat hij zag, maar ze was doodstil. “Clara?”

“Ron.. wat is dat? Het is zo mooi, maar de lichtjes zijn zo klein.”

“Het zijn lichtjes in de hemel. Heel ver weg. Sterren. Ik kijk graag naar de sterren, net als Vincent.”

“Vincent?”

Geduldig, graag eigenlijk, legde hij uit wie Vincent van Gogh was, en hoe hij zich altijd verbonden had gevoeld met de schilderstijl van die man.

“Als je het over Vincent hebt is het bijna alsof je over jezelf praat, Ron,” zei Clara toen hij klaar was met zijn uitleg.

Ron glimlachte terwijl hij het raam dichtmaakte. “Dat is lief gezegd, Clara.” Hij gaapte. “Ik moet nu echt naar bed. Die frisse lucht heeft mijn hoofd helder gemaakt, denk ik.” Ron liep naar de slaapkamer.

“Ik zou graag bij je willen zijn, Ron. Om te slapen.”

Ron stond meteen stil. Dat had hij niet verwacht. “Dat zou ik ook fijn vinden, Clara.”

“Heb ik iets verkeerds gezegd,” vroeg zij tegelijkertijd.

“Nee, echt niet. Je verraste me enkel.” Hij glimlachte weer en liep langzaam verder, terwijl allerlei gedachten door zijn hoofd spookten.

Eenmaal in bed, in het donker, dacht hij weer aan Clara. Hij zag haar echt voor zich. Dat was steeds makkelijker de laatste tijd.

Toen Clara opeens naast hem verscheen, zittend op het bed, was hij niet helemaal zeker of hij nog wakker was of al sliep.

“Hallo, Ron,” zei de verschijning, die een hand uitstak naar hem. Ron stak ook een hand uit en hoopte haar aan te raken, maar de afstand bleek te groot te zijn. Hun vingers raakten elkaar bijna, maar echt aanraken lukte niet. Hij probeerde het nog eens, en weer ging het mis. Ondanks dat was het een mooi moment voor hem, iets dat hem diep van binnen raakte.

“Hallo, Clara.” Hij keek in haar grote ogen, naar het gezicht dat hij met zoveel aandacht en… liefde… had getekend en ingekleurd. “Je ziet er mooi uit, Clara.” Hij voelde dat ze daar blij om was, maar ze keek even opzij, met een schuchtere glimlach om haar mond. “Je bent geen complimentjes gewend. Net als je aan zoveel dingen niet gewend bent.”

Clara keek hem weer aan, haar ogen stralend. “Maar ik leer het, Ron. Jij laat me zien hoe dat moet. Door jou… voel ik me goed.”

Zijn hart maakte een klein sprongetje. “Door jou voel ik me ook goed. Mijn leven is door jou zo veranderd.”

“Ik denk dat mijn leven begon toen jij begon me te tekenen, Ron. Jij hebt mij gemaakt.”

Dat had hij niet verwacht. “Ik heb jou gemaakt?”

Clara knikte, langzaam, bedachtzaam, en ze stak een hand uit, alsof ze zijn wang wilde aanraken “Zo voelt het wel voor me, Ron. Hoe meer ik van je leer, hoe meer ik kan denken, en terugkijken. Elke keer als je aan mijn schilderij werkt, voel ik dat ik groei. Hoe vaker we praten, hoe meer ik weet dat ik besta. Jij hebt me gemaakt, Ron. Jij hebt mij een leven gegeven, en gevoelens.” Ze trok haar hand weer terug. In haar ogen stond een verre blik. “Misschien, ooit, kunnen we echt samen zijn.”

Ron luisterde bijna ademloos naar haar. Dit was een volledig nieuwe dimensie in Clara’s persoonlijkheid. Zijn hart vertelde hem dat het allemaal zou gaan gebeuren. Dat moest gewoon. Zijn logica, niet altijd de meest betrouwbare gesprekspartner, herinnerde hem dat ze enkel een schilderij was, een geest die nu ook in zijn hoofd woonde. Zoals gebruikelijk was het zijn hart dat won. De logica verdween in een geluiddichte doos. “Dat zou magisch zijn, Clara. Dat zou geweldig zijn.”

Ze bestudeerde zijn gezicht. “Magisch,” herhaalde ze. Een glimlach speelde om haar mond, alsof ze nu net geleerd had wat magisch betekende. “Ja, dat zou het zijn, Ron. Magisch.” De glimlach maakte plaats voor een treurige uitdrukking. “Je zou nu moeten gaan slapen, Ron.”

Hij wist dat ze gelijk had. Waarschijnlijk sliep hij al, maar hij moest zijn gedachten afzetten en die wat rust gunnen. “Tot morgen, Clara. Als ik weer wakker word.”

Clara glimlachte weer. “Ja. En dan werken we samen verder aan die bloem.” Ze stak weer een hand uit, en tegelijkertijd verdween ze, terwijl Ron door de duisternis van een diepe slaap werd overmeesterd.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 13, deel 2.

Clara's ogen

Ron liep de trap op en kwam thuis. Wat een vreemde dag was dit weer geworden. Hij trok een oude, comfortabele broek aan en een makkelijk shirt. Daarna zette hij Clara’s schilderij dichter bij het raam en werkte even wat aan haar kleding. Snel genoeg was hij daarna toch weer bezig met haar gezicht. Dat bleef hem boeien. Kort haar in een leuke, vlotte stijl, met de pony net boven haar ogen. Hij was meer en meer tevreden over haar gezicht. In gedachten zag hij haar al in een rode jurk, naar een model dat hij in een van de vele kledingwinkels had gezien. Een jurk met een brede, rode ceintuur. “Je zou er adembenemend uitzien, Clara,” mompelde hij.

“Hallo, Ron. Ik ben blij dat je weer hier bent.”

“Hallo, Clara, fijn om je weer te horen.”

“Je bent mij aan het schilderen,” zei ze. Het was duidelijk dat ze even door zijn ogen keek.

“Dat klopt…” Met veel aandacht werkte hij even aan haar ogen. De ogen waarmee dit schilderij was begonnen en die de hele afbeelding nog steeds overheersten. Toen werkte hij een tijdje aan haar schouders en de bovenkant van de jurk die hij haar wilde laten dragen. Hij werkte zowat een uur aan het schilderij, terwijl Clara en hij bleven praten over van alles en nog wat.

Toen het licht te slecht werd moest Ron stoppen. “Ik vind dat we goed opgeschoten zijn, Clara.”

“En ik vind dat je een goede schilder bent, Ron,” zei ze.

“Ik doe mijn best.” Hij glimlachte, blij met haar waardering. “Ik ben waardeloos met andere baantjes,” zei hij met een grijns, terwijl hij zijn handen waste en de schilderspullen schoonmaakte. Daarna begon hij iets te eten bij elkaar te zoeken. Dat was zijn specialiteit, want hij was niet zo moeilijk met eten.

“Ga je niet uit eten met je vrienden?” wilde Clara weten.

“Nee. Vanavond niet. Ik heb teveel dat in mijn hoofd rondspookt om met veel anderen samen te zijn. Ik heb vandaag genoeg mensen gezien.”

Toen hij met zijn bord op de bank ging zitten om te eten (de tafel lag vol met schildersbenodigdheden) probeerde hij te bedenken wat zijn volgende persoonlijke schilderproject zou worden. Het probleem, als altijd, was dat hij veel te veel keuze had.

“Je hebt heel veel beelden in je hoofd, Ron.” Clara klonk verrast en maakte dat hij in de lach schoot.

“Dat klopt, en ik wil het beste beeld uitzoeken om een nieuw schilderij van te maken.”

“Mag ik helpen?” Clara klonk zo blij en hoopvol als een klein kind.

“Natuurlijk,” zei Ron. Hij vroeg zich af hoe ze dat zou kunnen doen. Alsof hij haar de vraag direct gesteld had, begon ze uit te leggen dat ze een aantal dingen in zijn hoofd kon zien, zolang die iets met haar te maken hadden. Het duurde even voor hij begreep wat ze bedoelde met dingen ‘die met haar te maken hadden’. Dat waren dingen die met schilderen te maken hadden.

“Ik denk dat dat komt omdat jij mij geschilderd hebt, Ron,” legde ze uit. “Dat is de verbinding die wij hebben.”

Ron vond het heerlijk om met haar te praten. Ze was ongecompliceerd en open, en hij was dat naar haar toe ook. Ze was ook heel enthousiast, en dat sloeg snel en spontaan over op hem, dus nadat hij zijn bord leeg had gegeten, ging hij achterover zitten met zijn ogen dicht. Zo liet hij een voor een de beelden en ideeën voor schilderijen voorbij komen.

In het begin was Clara’s hulp niet behulpzaam, want ze wilde het liefst dat hij alles zou schilderen, maar na een tijdje leek ze zich bewuster te worden van de beelden en werd ze heel wat selectiever. Ron merkte al snel dat ze niet veel ophad met vergezichten en wijdse open ruimtes. Dat waren bekende plekken in Virginia, zijn thuisland, die hij op zijn ‘verlanglijst’ had staan. Hij focuste zich nu meer op de kleine dingen. Een bloem, een groep zonnebloemen zoals Vincent die wel eens had geschilderd, en een vogel die tegen de wind in vloog.

Clara was gefascineerd door de enkele bloem waar hij aan dacht. “Dat is mooi, Ron. Wat is dat?”

Omdat er zoveel was dat ze niet wist, verbaasde deze vraag hem niet. Hij vertelde haar over bloemen, planten en bomen. Hij wist dat ze er vaker gezien had, samen met hem, buiten, maar waarschijnlijk had ze die nooit echt gezien.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 13, deel 1.

Clara's ogen

13. Contract in de hand

Ron verliet het kantoor met zijn contract in een binnenzak. Hij probeerde Jess te vinden, maar niemand wist waar ze heen was. Waarschijnlijk weg voor een lunch met de baas, of zo, was het algemene vermoeden. Het of zo liet een bepaald gevoel bij hem achter maar dat was iets dat hem niet aanging. Daarom ging Ron op zoek naar Barbara, de vrouw waarmee hij altijd telefonisch contact had. Dat was makkelijk genoeg. Hij belde haar gewoon op en vertelde haar waar hij was.

Ze bood meteen aan om naar hem toe te komen. Het duurde niet lang of een vrouw met rossig haar en blauwe ogen naar hem toekwam. Het haar was te wijten aan haar Schotse afkomst, vertelde ze hem. Barbara nam hem mee naar een koffiehoek die hij nooit eerder had gezien en vroeg hoe het met hem ging.

Ron vertelde haar over de tentoonstelling en het contract, waar ze helemaal enthousiast over was. Ze feliciteerde hem en zei dat ze het heel jammer vond dat ze niet bij de expositie had kunnen zijn. “En nu weet ik eigenlijk niet wat ik moet doen,” besloot Ron zijn verhaal.

“Nou, je hebt je contract en je hebt een woning,” zei Barbara. “En je hebt de vrijheid om te schilderen wat je wilt. De eerste twee weken word je denk ik niet opgeroepen voor een opdracht, dus geniet van je vrijheid. Maak iets moois en maak daarmee de wereld weer wat fraaier.”

Het hielp Ron enorm toen hij het allemaal zo eenvoudig uitgelegd kreeg. Op deze manier was het leven bijna hetzelfde als in Midlothian, met het verschil dat hij nu een vast inkomen had.

Barbara stond op. “Ik moet nu weer terug naar mijn telefoon, Ron. Het was echt leuk om even met je te praten, en aarzel niet om nog eens terug te komen.” En na die woorden liep ze vlug weg.

Ron keek even rond. De koffiehoek bood geen mogelijkheden om te lunchen, dus besloot hij op stap te gaan en ergens iets eetbaars op te duiken.

~~~

Ron stapte uit de bus die hem in de buurt van het appartementencomplex had gebracht en liep naar huis. Op weg naar zijn eigen verdieping stopte hij even bij Felicity’s voordeur en belde aan.

“Ik kom!” riep de bewoonster. Even later ging de deur open. Felicity had een lang, wit shirt aan dat genoeg verf bevatte om een schilderij te zijn. Met een oranje lint had ze haar lange haren in een staart gebonden. “Hee, jij. Kom binnen!”

“Dank je,” zei Ron. Hij werd naar een tweepersoons bankje gedirigeerd en ging zitten. Hij had niet verwacht dat zij hier twee schildersezels zou hebben staan! “Ik wilde je nog even bedanken dat je er gisteren bij was.”

“Graag gedaan hoor, Ron,” zei Felicity terwijl ze een kleine koelkast opende die onder een tafel stond. Ze gaf hem een blikje bier en ging zelf ook met een blikje naast hem zitten. “Het was leuk om dat allemaal mee te maken, en zo weet ik wat ik kan verwachten als ik zelf eens zover ben.”

“Je krijgt ook de groeten van mijn ouders en mijn zus,” zei Ron. Dat wilde hij echt niet vergeten door te geven.

“Dank je. Het zijn echt leuke mensen. Je hebt geluk met zo’n familie.” Felicity klopte hem op de knie. “Je zus is echt heel leuk.”

Ron lachte. “Ja, Shell is in orde. Heel leuk is misschien wat overdreven. Ze kan best vinnig zijn.”

Felicity grinnikte. “Dat klinkt spannend.”

“Spannend? Hoezo?” Dat was het laatste wat Ron had verwacht.

“Ik vind vrouwen leuk die vinnig kunnen zijn.”

Ron snapte het nu niet meer. “Misschien ben ik superstom maar…”

“Och jesses, je weet het niet, hè?” Felicity keek hem aan.

“Ik weet wat niet?” Ron voelde zich nu echt dom.

Felicity zei: “Ik ben lesbisch. Dat wist je niet. En nu wel. En ik vind je zus leuk. Dus?”

“O nee!” Ron moest nu ook lachen. “Arme Shelley.”

Nu was Felicity aan de beurt om verbaasd te kijken. “Hoezo dat nou weer?”

Ron legde uit dat zijn zus hem de ‘opdracht’ had gegeven om van Felicity haar schoonzus te maken. Daardoor schoot Felicity weer in de lach. “Wat zou het een mop zijn als ik jouw schoonzus zou worden!” wist ze na een tijdje te zeggen.

“Ik denk niet dat dat gaat gebeuren,” zei Ron. Shelley was echt wel op mannen gefocust. “Maar het idee is wel lachen, ja.” Hij vermoedde dat zijn ouders ook niet zo blij zouden zijn met het idee. “In elk geval hartstikke bedankt dat je er gisteren was. Het heeft me heel erg geholpen, Felicity.”

“Echt, ik vond het leuk, Ron. Hopelijk kan ik op jou rekenen als ik voor de haaien word gegooid. Of op je zus?” Ze knipoogde. “Misschien kan ik haar wel bekeren.”

Ze babbelden nog wat na over de expositie tot Ron besloot dat hij haar lang genoeg van het werk af had gehouden. “Ik ga nog even verder met Clara.”

“Clara? Leuke naam? Iets voor mij?” vroeg Felicity, weer met een knipoog.

Hij vertelde haar over het gezicht dat hij had geschilderd. “De naam past bij haar.”

“Leuk, man. Veel plezier en maak iets moois van Clara,” zei Felicity, die hem bij de deur even een knuffel gaf. “Oh, ga je vanavond met ons mee uit eten?”

“Denk het niet. Er zit zoveel in mijn hoofd… Dat wil ik eerst allemaal een plekje geven en daar heb ik rust voor nodig. Maar dank je voor het aanbod.”

Felicity zei dat ze dat helemaal begreep en wenste hem succes met het vinden van plekjes. Daarna sloot ze de deur.

Clara’s ogen, laatste deel van hoofdstuk 12.

Clara's ogen

De reis naar ‘kantoor’ ging vlot en al snel vond hij Jess, die hem naar het kantoor van meneer Bligh bracht.

Meneer Bligh was een typisch kantoormens, dacht Ron, met het grote verschil dat de man een schreeuwend, oranje jasje droeg dat hem ook nog van geen kant paste. Ron wist met moeite een commentaar binnen te houden. Dit was een belangrijk man voor hem, dus moest hij het lelijke jasje maar even verdragen. Voor de rest was meneer Bligh niets bijzonders.

“Meneer Brook. Komt u binnen.”

“Brooks,” zei Ron terwijl hij ging zitten.

“Wat?”

“Brooks. Mijn achternaam is Brooks, niet Brook.”

“O, juist. Ik snap het. Eens kijken…” De man ging achter zijn enorme bureau zitten. Daardoor leek hij eigenlijk best klein. Ron kreeg een idee om hier eens een overdreven versie van te schilderen. Meneer Bligh bladerde door wat papieren en keek wat spul na op zijn computerscherm.

“Een momentje nog,” zei de man na een tijdje. “Het contract is hier. Ik heb het…” Hij viel stil, en Ron kon enkel raden wat hij had. “Pas nog…” ging meneer Bligh verder.

“Gezien?” Ron kon het niet laten.

“Wat? O, ja, dat. Precies.” De man rammelde op het toetsenbord. Een printer begon te leven en spuugde zes pagina’s met tekst uit. “Hier. Ik wist het.” Meneer Bligh las vluchtig de papieren na. “Hier is uw contract, meneer Brook.”

“Brooks.”

“Brooks?” De man in het oranje jasje keek verbaasd. “Weet u dat zeker? Hier staat overal Brook.”

“Ik ben honderd procent zeker. Het was al Brooks voordat mijn vader was geboren.”

“Juist ja…” De man rammelde weer op het toetsenbord en even later waren er zes nieuwe pagina’s. “Uw contract, meneer Brooks.” Hij sprak de ‘s’ met nadruk, bijna trots uit.

De eerste twee pagina’s werden precies doorgenomen. Volgens de contractenman waren die twee het belangrijkste deel. Ron zou voor een riant salaris gaan werken onder de vlag van Ostring Art Association. De afspraak was dat hij één schilderij per maand zou maken, tenzij hij een speciale opdracht kreeg. Dan was de termijn bespreekbaar. Zulke speciale opdrachten zouden altijd in het kantoorgebouw worden uitgevoerd, met een maximum van drie opeenvolgende dagen per week. Dat om de concentratie niet te hoog op te laten lopen.

“Weet u wat voor speciale opdrachten dat zijn?” Ron wilde dat wel graag weten.

Meneer Bligh knikte. “Herinnert u zich nog de opdrachten in de stijl van de oude meesters? Dat is wat er zal worden gevraagd. De meeste zullen in het gebied liggen waar u het beste in was.”

“Aha, nou snap ik het,” zei Ron. “Dat is wat de klanten op verzoek vragen.”

“Dat klopt, meneer Brook, dat klopt helemaal. De rest van het contract is vrij standaard. Als u het wilt doorlezen en dan ondertekenen. Beide kopieën…”

Ron onderdrukte een zucht en begon de kleine letters te lezen. Het was echt allemaal standaard, droog en voorspelbaar. Na zes alinea’s sloeg hij de bladzij gewoon om. Dit was niet wat hij wilde doen, en de man in het oranje had toch al gelijk. De juridische termen zwommen voor zijn ogen maar hij vocht zich zo goed mogelijk door de tekst heen.

Hij had de ziektekostenvergoeding gezien, de vakantiedagen, de betaling en ook de verplichtingen van zijn kant. Heel fijn was dat hij per maand op kon zeggen. Als hij dat deed zou hij die maand niet betaald krijgen. Ostring Art kon ook het contract beëindigen. In dat geval zou hij de lopende maand nog wel betaald krijgen. Dat klonk prima.

Er was ook een deel over het appartement en de huur die hij daarvoor moest betalen. Het bedrag was een lachertje.

Zijn schilderijen zouden op kantoor en op diverse andere lokaties worden tentoongesteld. Bij een verkoop zou de opbrengst door twee worden gedeeld, de helft voor Ron, de andere voor Ostring. Dat bovenop een salaris klonk prima.

“Hebt u nog vragen, meneer Brook?” Meneer Bligh leerde dat niet af. Hij hield een fraaie pen klaar voor Ron. “Als niet, dan het verzoek om de contracten te tekenen, en de pagina’s te paraferen.”

Ron vroeg zich af of hij Shelley nog moest bellen, maar dat zou wel bizar zijn. Dit zat zo goed in elkaar. De eerste maanden waren prima geweest, en als dat zo bleef dan kon hem niets gebeuren. Hij pakte de pen aan en zette de handtekeningen en parafen.

Meneer Bligh controleerde alles, gaf toen een versie aan Ron en stak zijn hand uit. “Welkom aan boord van Ostring Art, meneer Brook.”

“Het is fijn om bij de bemanning te horen, kapitein Bligh,” zei Ron in een poging de man terug te pakken voor de verkeerde naam. De man met het lelijke jasje leek het niet te merken.

 Clara’s Ogen. Hoofdstuk 12, deel 3.

Clara's ogen

De avond vloog voorbij. Shelley had uiteraard weer de nodige opmerkingen over een schoonzus waar het langzaamaan tijd voor werd, en ze vond Felicity een prima keus. Zijn ouders raakten niet uitgepraat over de expositie en de verkoop.

Toen Harvey hen bij het hotel afzette, beloofde Ron om hen weer op tijd op te halen om ze naar het vliegveld te brengen. Daarna zou hij wel contact opnemen met meneer Bligh, om de zaken rond het contract te bespreken.

“Hoe was uw dag, meneer Brooks?” vroeg Harvey toen ze op weg waren naar het appartement. “Ik begrijp het helemaal als u niets wilt zeggen. De meeste mensen zijn na zo’n dag helemaal op.”

“Dat klopt aardig,” zei Ron. “Ik had niet verwacht dat dit zoveel energie zou vreten…”

In stilte ging de rit verder. Ron bedankte Harvey voor al het rijden. De chauffeur wenste hem een goede nacht en vertrok. Ron liep naar de deur, pakte de lift en sleepte zich onderhand zijn woning binnen.

Hij trok iets comfortabels aan, pakte een biertje en ging op de bank zitten. Hij moest even de storm in zijn hoofd laten luwen. Al die ervaringen, mensen, vragen…

“Hallo, Ron. Je was erg druk vandaag.”

“Hé, Clara. Ja. Ik ben zelfs te moe om te slapen.”

“Ik was een paar keer bij je vandaag. Volgens mij heb je dat niet eens gemerkt.”

Ron voelde zich onmiddellijk schuldig. “Dat klopt. Sorry.”

“Dat hoef je niet te zeggen, Ron. Je was zo druk bezig, en zo opgewonden over alles.”

Ron glimlachte en praatte een beetje over de dag en zijn succesvolle verkoop. Hij was niet zeker dat ze het allemaal begreep, maar het was wel fijn om op deze manier nog eens op de dag terug te kijken. Het leek alsof er een spanning van hem afviel. Hij vertelde haar ook over zijn zus en haar pogingen om hem richting Felicity te krijgen. Clara vroeg of hij Felicity leuk vond.

“Ja, ze is wel leuk. Ze is grappig en vlot, maar dat is het dan ook. Ik denk niet dat ik verliefd op haar zou kunnen worden, want er is geen vonk.”

“Vonk? Wat voor vonk?”

Natuurlijk. Ze had geen idee van dat soort dingen. Ron probeerde het haar uit te leggen, maar stopte daar al snel mee. Hij was opeens moe, en alles wat hij zei leek haar te verwarren. Hij besloot naar bed te gaan. De volgende dag moest hij zijn familie wegbrengen en dan naar het kantoor en meneer Bligh.

~~~

Wakker worden was een hele klus voor Ron. Zijn paar uur slaap waren gevuld met vreemde beelden van Clara, Felicity en het verkochte schilderij. Hij voelde zich totaal niet als een mens maar hij deed zijn best om dat gevoel met koffie terug te krijgen. Het lukte grotendeels.

Hij merkte dat Clara zich stil hield terwijl hij zich aankleedde en op reis ging naar zijn familie. Die wilde hij netjes bij het vliegveld afzetten. Onderweg wist hij nog een beker koffie te bemachtigen, en dat zorgde ervoor dat hij toch redelijk wakker in het hotel arriveerde.

Shelley was daar al, en na een knuffel vertelde ze dat hun ouders snel genoeg beneden zouden zijn. De twee praatten over de voorgaande dag terwijl ze zaten te wachten.

“Daar is hij, onze kunstenaar,” zei Rons moeder toen ze met haar echtgenoot bij Ron en Shelley gingen zitten. “Wat een prachtige dag, hè, gisteren?” Zij waren er ook nog vol van. Omdat ze tijd genoeg hadden bleven ze nog even zitten om na te genieten van de tentoonstelling.

Eenmaal op weg ging alles goed. Ron had van tevoren alles uitgezocht, en met de notities in de hand ging de reis vlot en zonder problemen. Het ging zelfs zo vlot dat ze op het vliegveld ook tijd hadden om even ergens iets te drinken en nog wat te praten.

Eenmaal bij de gate zei Shelley dat ze binnenkort echt een berichtje van Ron verwachtte. “Een berichtjes waarin je laat weten wanneer de verloving met Felicity een feit is, grote broer.” Ze grijnsde. “Het is een leuke vrouw, slim, en ze past echt goed bij je, Ron.”

“Doe haar de groeten van ons, zoon,” zei zijn vader toen die Ron omhelsde. Zijn moeder kuste hem op de wangen en hoopte dat hij snel weer eens op visite zou komen. Toen moesten de drie verder, en Ron bleef kijken en zwaaien tot ze in de menigte verdwenen waren.

Pas toen hij had gezien dat het vliegtuig vertrokken was ging hij de strijd aan met het openbaar vervoer, in een poging bij het kantoor van Ostring Art te komen. Onderweg bleef hij aan de vorige dag denken, en een gevoel van eenzaamheid overviel hem, omdat zijn familie weer weg was. Hij merkte nu pas hoe belangrijk dat voor hem was. Hij moest echt snel weer eens op visite gaan.