Ottomar deel 8. Allemaal plaatsen.

Otto en Hille, deel 8. Allemaal plaatsen.

8 – Allemaal plaatsen

Het viel niet mee om in Maassluis een plek te vinden waar we ongestoord konden leven. Hille was snel tevreden maar door mijn achtergrond wilde ik niet nog eens zo’n afgeleefde hut als waar we met Straffe en Pier hadden gewoond.

In het begin was het niet anders dus ‘betrokken’ we een ding dat een stel kinderen eens had opgebouwd. Het was een gammel gebeuren dat ik met gestolen hout wat wist te verstevigen. Het hield in elk geval de sneeuw van ons af.

Het was weer gaan sneeuwen. Hille en ik zaten tegen elkaar aan in ons onderkomen en praatten over ons verleden. Ze luisterde graag naar me, terwijl ik nooit het idee had gehad dat ik onderhoudend kon vertellen. Toen ik uitgepraat was over mijn korte loopbaan in het bedrijf van mijn vader, vertelde ze over haar herkomst. Haar ouders waren hardwerkende mensen geweest die ziek waren geworden. Ze waren overleden toen Hille nog maar zes was. Sinds die tijd had ze voor zichzelf gezorgd, hoofdzakelijk door stelen en kleine klusjes doen voor ‘dure mensen’.

Ik vroeg haar of ze de achtergrond van Pier en Straffe kende maar daar had ze zich nooit in verdiept. Overleven was veel belangrijker, en met die twee in de buurt was dat volgens haar een hele klus geweest.

“Het werd wat beter toen jij erbij kwam,” vertelde ze me. “Omdat je een man bent, denk ik.”

Ik vroeg haar of ze een idee had over de toekomst. Ze schudde haar hoofd. “Ik wil bij jou blijven. Bij jou is het fijn.” Die woorden maakten me aan het lachen. De houten bouwval die amper alle sneeuw weg hield was een bijzondere manier van ‘fijn’.

“We moeten een betere manier vinden om te… bestaan dan dat,” vond ik. Ik aarzelde even omdat ‘leven’ niet klopte. We leefden tenslotte niet meer.

“En hoe dan?” Hille klonk geïnteresseerd. “Ik kan niet veel.”

“Je kunt dingen leren. Je bent niet dom, Hille. En ik heb mijn vak geleerd, en ik kan ook nieuwe dingen leren.”

Terwijl de sneeuw zich verzamelde op het krakkemikkige dak van onze ‘huis’ begonnen we te bedenken hoe we onze situatie zouden kunnen verbeteren. Met wat geluk hadden we een heel lang bestaan voor ons en om in een hok als dit te bestaan sprak me niet erg aan. Zeker niet nadat het dak omlaag was gekomen en ons bijna had begraven in een immense lading sneeuw.

Nadat we uit de sneeuw waren gekropen liepen we op goed geluk maar een straat in. Er lag vreselijk veel sneeuw dus lopen als een levende was behoorlijk lastig maar we deden het om niet op te vallen.

We waren half door de straat heen toen we een stem hoorden.

“Hé. Jullie twee.” Het was de stem van een jonge vrouw. We keken om en zagen een dienstmeid in de sneeuw staan. “Ja. Jullie twee. Wat zien jullie eruit. Willen jullie misschien even binnenkomen?” In een droge keuken zitten was beslist beter dan door de natte sneeuw ploeteren, al deerde de kou ons niet.

“Graag. Onze dank,” zei ik terwijl ik Hille meetrok. “Gewoon meedoen,” fluisterde ik. “Dit kan het begin zijn van ons betere leven.” Ik had geen idee hoe dicht ik met die woorden bij de waarheid was.

De dienstmeid ging ons voor naar de keuken en bood ons thee aan. “Welkom in het huis van den heer Adriaan Hendriksz van der Marel,” zei ze terwijl ze de thee ging zetten. Er ging een schok door me heen. Ik kende die naam. Mijn vader had vaak over deze man gesproken.

*

“Meen je dat?” Hille kijkt me stralend aan. “Je kunt mee naar Londen?” Ze vliegt me om de hals. “Te gek! Ik had dat al gehoopt en ik had al een beetje iets geregeld.”

Ik sla mijn armen om haar heen, til haar op en draag haar naar de bank, waar ik ons op laat vallen. “Wat heb je al ‘een beetje iets’ geregeld?”

Hille is in de loop der vele jaren in staat gebleken me behoorlijk vaak te verrassen. Van die timide juffrouw uit Vlaardingen van vroeger is niet veel meer over maar het belangrijkste is gelukkig gebleven. “Ik had Mariek al een beetje verteld dat jij misschien mee kunt komen. Je kent haar nog wel, hè?”

“Hoe kan ik Mariek vergeten,” zucht ik. “Haar stunt op dat bedrijfsfeest waar ik bij mocht zijn vergeet niemand meer.” Mariek was hartstikke dronken op een tafel geklommen en was met een strip-tease begonnen.

“En jij vond het maar al te leuk,” herinnert Hille zich. “En zij weet nog precies wie jij bent. Volgens mij vindt ze jou wel leuk, want ze heeft voor jou ook vervoer geregeld. En we hebben samen een kamer in het hotel.”

“Wat?” Dat had ik niet verwacht. “Geintje zeker?”

“Absoluut niet. Je hebt veel te weinig vertrouwen in me.” Hille trekt een pruillip, maar niet voor lang. Ze vertelt me dat ze al een tijdje thuis is en dat ze al een koffer heeft klaargezet met de spullen die we in Londen nodig hebben. We hebben samen al zoveel gereisd dat ik er blind op kan vertrouwen dat de koffer puik voor elkaar is. “En we moeten over een half uur beneden staan want dan worden we opgehaald.”

“Ga je het redden tot we in Londen zijn?” vraag ik. Ze heeft gisteravond de laatste zak bloed opengemaakt; ze zou dus oké moeten zijn, maar dat is nooit honderd procent zeker. Ze rolt van me af en pakt haar handtas, ook zoiets wat totaal niet bij de Hille van vroeger past.

“Tada…” Ze laat me een flesje zien. “Noodvoorraad. Slim hè?” Het blijkt een restje te zijn van de zak van de vorige avond. Ze blijft me verbazen.

Een half uur later staan we beneden te wachten. Een dikke auto rolt voor en haalt ons op. Diezelfde auto brengt ons naar Brussel. De reis gaat over het spoor, door de Kanaaltunnel naar Londen.

Twee uur later staan we, met de directie én Mariek op St Pancras Station in Londen en wordt er voor een paar taxi’s gezorgd. Ook dat gaat snel en binnen een uur staan we in een idioot grote suite. Voor ons alleen. We vinden het allebei wel erg mooi maar eigenlijk is het zonde van al dat geld want het bed hebben we niet nodig. In elk geval niet om te slapen.

Om toch waar voor het geld van Hille’s baas te hebben maken we uitgebreid gebruik van het grote bad en ver na middernacht verlaten we het hotel. We gaan Londen herontdekken. Eens zien wat er sinds het begin van de vorige eeuw veranderd is.

Ottomar deel 7. Subtiel

Beste volgers van Otto en Hille. Het klopt: vorige week was er geen aflevering hier. Er kwam teveel tussendoor en dus besloot ik de nieuwe uit te stellen tot vandaag. Omdat het nu vandaag is… is hier deel 7!

Otto en Hille

7 – Subtiel

Hille belt me op. Dat gebeurt wel vaker, maar niet midden op de dag.

“Hé, wat is er?” vraag ik terwijl ik naar buiten loop. De anderen hoeven niet te worden gestoord als ik bel. Niet nog gestoorder, zou Hille zeggen.

“Slecht nieuws, Ottomar.” Het feit dat ze mijn originele voornaam gebruikt is echt een voorbode van slecht nieuws. “De directie moet een paar dagen naar het buitenland. Londen. En ze willen dat ik meega omdat mijn Engels zo goed is. Ze gaan besprekingen voeren met een club Italianen over een mogelijke fusie.” Hille’s Italiaans is ook niet van echt te onderscheiden. Waarom dit slecht nieuws is? Als ze mee moet dan is ze zonder toezicht, en dat is gevaarlijk. Niet voor haar, maar voor de mensen waar ze al dan niet direct mee te maken krijgt.

“We hebben nog een zak bloed liggen,” fluister ik in de telefoon. Er lopen wat mensen voorbij die dat niet hoeven te horen. “Daarmee zou je het een tijd vol moeten kunnen houden.”

“Die heb ik vanavond al nodig.”

Ik was al bang dat ze dat zou gaan zeggen, en op zo’n korte termijn wordt het lastig om de voorraad aan te vullen. “Wanneer moet je weg?”

“Morgenavond.”

Shit, dat is echt kort dag. Ik zou nog wat bij de bloedbank kunnen gaan halen maar daar zijn we nog niet lang geleden geweest. Bizar hè, een vampier die omzichtig met andermans bloed omgaat? “Ik zal proberen nog iets voor je te regelen.”

“Je bent te gek,” zegt Hille en hangt op. Allemensen, wat moet ik hier nou mee? Hille is een geweldig iemand maar als de honger toeslaat is ze niet subtiel genoeg om zelf onopvallend iets te regelen. Je kunt beter een kanonskogel vragen rustig aan te doen. Ik denk even na en bel dan de enige die misschien iets kan regelen. Het is, lach niet, Vlad. Hij is ook een vampier, uit Hongarije. Niet zo oud als wij maar we kennen hem al een tijdje. Hij werkt in een ziekenhuis als schoonmaker. Een perfecte baan want wie let er nou op een schoonmaker?

Szia, Ottomar,” begroet hij me op z’n Hongaars.

Szia, Vlad.” Ik leg hem in mijn gebrekkige Hongaars ons probleem uit en vraag of hij kan helpen.

“Ik ben bang van niet, Ottomar,” zegt hij. Ik hoor wat geschreeuw bij hem op de achtergrond. “Er is een grote controle bezig hier, met de auditor, en als er iets weg is dan wordt alles ondersteboven gekeerd.”

Dat is niet wat ik wil horen, maar mooier kan hij het niet maken. “Oké, ik snap het, Vlad,” ga ik verder in het Nederlands. Hij verstaat dat denk ik beter dan mijn Hongaars. “Je moet niet je baan op het spel zetten. Kösz! Dank je!”

Sok szerencsét!” zeg hij. Veel succes. Nou, dat heb ik wel nodig. Ik ga maar eens proberen wat dagen vrij te krijgen. Misschien kan ik ook naar London. Het is zowat de enige optie.

*

Het sneeuwde vreselijk die avond. We hadden een bijna dode vrouw gevonden, zwaar onderkoeld en buiten bewustzijn. Straffe en Hille hadden haar leeggedronken, waarna we het lichaam naar een plek buiten de haven hadden gebracht en in het water hadden gesmeten. Het eb zou het lichaam meenemen en voorlopig zou de zee dat niet teruggeven.

“Kom, halen we er nog een,” zei Straffe, “ik kan het nog wel hebben.” Pier en hij namen, zoals altijd de leiding. Hille en ik lieten hen voorgaan en wij liepen steeds langzamer. We wisten dat dit de avond zou zijn. Ik was tegen daglicht bestand, zij was het met die twee al lang zat en een mooiere dekking dan al die sneeuw vannacht zouden we voorlopig niet meer krijgen.

We zagen de twee leiders ver vooruit een straat inslaan.

“Nu,” fluisterde Hille. Hand in hand begonnen we te rennen, de andere kant op. Het maakte niet uit waarheen, als we maar ver weg kwamen. We hadden allebei een fles bij ons zodat we ons een tijdje konden redden.

Pas toen we in Maassluis waren stopten we. We waren hier wel vaker geweest maar erg goed wisten we hier de weg niet. We vonden een plek in een stal zodat we even uit de sneeuw waren. De kou deerde ons niet maar al dat dikke, vallende spul was op een gegeven moment wel vervelend.

Amper in de stal begon Hille te vloeken. Ik vroeg wat er was. Ze vloekte nog een paar keer flink en zei toen dat ze haar fles kwijt was geraakt. “En ik heb wat nodig, Ottomar. Nu. Die vrouw was heel mager; er zat bijna niks in en Straffe had het meeste al gepakt.”

Dat was nieuws dat mij ook liet vloeken, want Hille zou het heel moeilijk krijgen als ze niet op tijd iets te drinken kreeg, en aan mijn fles port had ze niets. “Goed. Dan gaan we op zoek.” Hier in Maassluis moesten ook zwervers en leeglopers zijn. We moesten ze enkel vinden. In een onbekende plaats die ondergesneeuwd was.

Het was niet vreemd dat we ook hier bij de haven de ontheemden en het gajes vonden. Een aantal probeerden zich te warmen bij een zielig vuur van door de sneeuw doorweekt hout. Het was de rook die ons naar die groep leidde. Voor we de steeg ingingen struikelden we bijna over iemand die onder de sneeuw lag. Ik knielde neer en trok een man omhoog die niet reageerde. Bijna bevroren. Een tel later kreeg ik een dreun en vloog bijna door de lucht, om een meter verderop in de sneeuw te landen. Toen ik weer stond had Hille haar tanden al in des mans nek geslagen en deed zich tegoed aan hem. Ik vroeg me af of zijn bloed nog wel vloeibaar was in deze koude, maar de laag sneeuw had hem blijkbaar goed beschermd tegen te snel afkoelen.

Terwijl Hille dronk, hield ik de ingang van de steeg in het oog. Als iemand haar zag dan zaten we in de penarie. Niemand daar waagde zich echter van het armetierige vuurtje weg, en toen Hille opstond en haar lippen aflikte was ik opgelucht.

“Hier,” zei ik terwijl ik haar een zakdoek gaf. Ze schudde haar hoofd en maakte met haar vingers haar kin schoon. Nadat ze haar vingers had afgelikt keek ze me tevreden aan.

“Nu kan ik weer een paar dagen.”

Ottomar. Deel 6. Slapen en waken

Otto en Hille

De dagen en weken gingen snel in mijn nieuwe gezelschap. Een paar keer probeerde ik te ontsnappen en mijn familie te bezoeken, maar voor ik de smerige straat uit was had Straffe me al te pakken. Na vier pogingen gaf ik het maar op. Volgens mij vond Straffe dat best jammer maar ik leerde over het algemeen erg snel.

Wat ik vreemd vond, en waar ik maar met moeite aan kon wennen, was dat we niet sliepen. We werden niet moe zoals levenden (het viel me in het begin zwaar om dat te zeggen in plaats van ‘gewone mensen’) dus hadden we geen slaap nodig. Wel waren we vaak niets aan het doen. Dan zaten of lagen we maar ergens, starend, wachtend tot de tijd voorbij was. Het ergste vond ik op een gegeven moment dat ik alleen naar buiten kon als het niet licht was. Een voordeel was dan weer dat het herfst was en de zon was vaak afwezig. Daardoor kon ik het buiten-zijn makkelijker oefenen.

Op een duistere, regenachtige namiddag stelde Hille voor dat zij en ik een stuk zouden gaan wandelen. Pier en Straffe vonden het prima, die lieten het de laatste tijd helemaal aan haar over om voor mij te zorgen, voor zover dat nog nodig was. Zij vonden dat ze belangrijker dingen te doen hadden, zoals liggen wachten tot het donker was om weer een zwerver leeg te laten lopen.

“Je doet het goed,” vertrouwde Hille me toe toen we de bouwvallige hut verlaten hadden en een stuk gewandeld hadden. De regen stroomde om ons heen alsof we door een rivier liepen. “We hebben twee anderen gehad die het niet volhielden. Een is de zon ingelopen voor ze er aan toe was. De ander moesten we… beëindigen.” Dat klonk onprettig. Ik vroeg haar wat dat betekende. “We hebben hem verbrand. Dat is een van de weinige manieren waarop een vampier uit zijn bestaan kan worden verlost.”

“Verlost?” Dat woord verbaasde me.

“Ja. Het is het enig juiste woord. Als je niet meer wilt of kunt en je kunt niet sterven dan moet je verlost worden, of beëindigd. Door eigen toedoen of dat van anderen. Het is niet fraai om te doen.”

“Waarom ben je nog steeds bij Pier en Straffe,” wilde ik weten. “Jij kunt toch iets beters vinden?” Ik keek haar aan. Regen spoelde langs haar gezicht en maakte dat ik iets voelde dat ik me herinnerde. Even zag ik het gezicht van Annegien voor me. Toen zag ik Hille weer.

“Er was nooit iemand om mee samen te zijn,” zei ze. In haar gezicht zag ik ook een verandering. “Tot nu.” Ze zei die laatste twee woorden bijna onhoorbaar – behalve voor mijn oren.

We stonden in de stromende regen een hele tijd naar elkaar te kijken. Toen stak ik mijn hand uit en ze pakte die vast. Ik trok haar tegen me aan. Midden op straat. Het interesseerde me niet wat iemand ervan zou denken.

“Als ik wat verder ben als vampier… Dan vertrekken we,” zei ik. “Jij en ik.”

Haar ogen begonnen te stralen en een moment later vond haar mond de mijne. Het duurde een hele tijd voor we weer in beweging kwamen.

“Duurde lang voor jullie terug zijn,” zei Pier toen we druipend de keet weer binnenkwamen. “Gaan zwemmen?”

“Nee,” zei Hille. Ik reikte in de diepe zakken van mijn mantel en haalde drie flessen port tevoorschijn.

“Ohoo….” Pier kwam daar helemaal voor overeind. “Het goei spul ook nog.”

“Speciaal voor jou gevonden,” zei ik. “Op een wachtende kar. Het was maar nat aan het regenen.” Uiteraard had ik voor mezelf een fles achtergehouden, anders was die ook door Pier in beslag genomen. Sinds ik bij het groepje was had hij zichzelf tot leider gebombardeerd, iets wat Straffe totaal niet boeide.

*

“Het was de juiste beslissing om toen samen weg te gaan,” zegt Hille als we uit het bad stappen. “Met die twee losers zou ik zo oud niet zijn geworden. En zeker niet hebben bereikt wat ik nu heb bereikt.”

Ik weet dat ze gelijk heeft. Pier en Straffe waren blokken aan haar been. “Klopt. Hebben we goed gedaan. Ik ga nog even weg om te kijken of alles goed draait. Als je wilt dan kom je mee.” Aan haar blik kan ik het antwoord al aflezen.

“Netflix.”

Precies. “Leuke serie over vampiers gevonden zeker,” plaag ik haar terwijl ik mijn kleren opraap. Die hebben onze stoeipartij in de badkuip niet droog doorstaan.

“Nee, wel iets over een paar computernerds die geen vrouw kunnen krijgen,” kaatst ze terug. “Die doen me soms een beetje aan je collega’s denken. Maar niet aan jou.” Hille slaat haar armen om me heen en legt haar hoofd op mijn schouder. “Zorg dat je snel terug bent. Ik wil nog naar buiten vannacht. Gek doen.”

“Als je meegaat kan dat eerder,” zeg ik tegen haar maar zij vindt het fijner om hiervandaan te vertrekken. Voor ik de deur uit ben, zit ze al met de afstandsbediening in de hand en roept “Nerd!” achter me aan. Lachend trek ik de deur dicht.

Het is nog donkerder dan eerst. Prima, dan hoef ik niet zo op te passen. Binnen recordtijd ben ik bij mijn werk en ga snel naar binnen. Het vraagt amper tijd om te zien dat alles goed loopt. Gaaf. Ik geef de lucht voor mijn scherm even een high-five en ben snel weer buiten.

“Ben je nou al terug?” Hille zet het programma op pauze. “Dit is nog niet afgelopen.” Ze kijkt zowaar sip want nu moet ze kiezen tussen het programma af kijken en meteen de deur uit. “Jij ook met je gehaast,” moppert ze om tijd te rekken. Ik ga op mijn gemak naast haar zitten op de bank en til haar op mijn schoot.

“Zet maar aan. Kijken we samen.”

“Jij bent gek,” besluit Hille. “Je vindt dat programma niet eens leuk.”

“Maar ik vind jou leuk en het is fijn als ik je zo dichtbij heb. Nou, zet dat stomme ding aan anders komen we nooit weg.”

Lachend drukt ze op de knop en de aflevering speelt verder. Gelukkig duurt het niet lang want ze heeft gelijk: dit is niet echt mijn soort programma, al zitten er best leuke momenten in.

De TV gaat uit en we staan op. “Jij mag zeggen waar we heen gaan,” stel ik voor. “Jij wil zonodig de deur uit.”

“Alsof ik dat nog niet had bedacht,” zegt Hille. “We gaan een rondje rennen. Naar het ziekenhuis en terug.” Het ziekenhuis ligt twaalf kilometer verderop.

“Ik had wel wat meer verwacht, eerlijk gezegd. Daar hoef ik geen sportschoenen voor aan te trekken.”

“Pffft, die heb je niet eens. Heb je gezien wat ik vanavond gegeten heb? Een beetje rustig kan geen kwaad hoor.” Hille grijnst van oor tot oor. Ze vindt het leuk om dit soort levenden-dingen te zeggen.

We gaan naar buiten en zetten het op een lopen. Het gaat hard. Heel hard. Als we bij het ziekenhuis zijn kijk ik op mijn horloge. Vier minuten.

“En?” vraagt Hille terwijl ze over mijn schouder hangt. “Rustig genoeg?”

“Ja, erg rustig,” zeg ik met een grijns. “Als we dat een uur volhouden zijn we honderdtachtig kilometer verder.”

“Wauw. Niet slecht voor iemand met een volle buik,” grapt Hille. “Ik dacht het wat kalm aan te doen. Voor jou.”

“Jij bent lief,” zeg ik en gooi haar over mijn schouder. Dat had ze niet verwacht, en of ze nou vampier is of niet, ze gilt echt.

“Zet me neer, gek! Wat moeten ze wel denken!”

Nou, eerlijk gezegd interesseert me dat geen zier. Rustig begin ik te wandelen terwijl ik Hille maar met moeite onder controle houd, ondanks dat ze nu vreselijk moet lachen.

Wat een wandeling vermag

Podcasts

Ik ben al jaren een fervent luisteraar van podcasts. Informatieve uitzendingen, vaak in MP3 formaat, die je kunt luisteren via een app op je telefoon of direct op je computer/tablet/wat-je-leuk-vindt.

Vandaag was de beurt aan ‘Stuff to blow your mind’, en wel een Halloween-editie, omdat het oktober is. De aflevering heet ‘I drink your bloodtype‘.

Ja, lekker, zul je wel denken. Wie wil dat nou weten?

Otto en Hille

Nou, dit lekkere stel bijvoorbeeld. Die hebben nogal wat te stellen met bloed, vampiers dat ze zijn.

In deze podcastaflevering wordt veel aandacht besteedt aan bloedtypes, (A, B, AB en O) en ook aan de rhesus-factor (de plus en de min). Heel boeiend om te horen als je met het onderwerp bezig bent. Gezien het feit dat de podcast uitkwam in Halloween-maand wordt er uiteraard ook aandacht besteedt aan vampiers.

Vampiers in het echt en het onecht.

Echte vampieren bestaan. Denk aan muggen en muskieten. En aan de vleermuizen in Zuid Amerika, die het bloed van runderen en andere dieren drinken.

Zelfs muskieten (en mogelijk ook muggen) schijnen in de gaten te hebben welke bloedgroep ze het beste kunnen hebben, werd een tijd terug beweerd, al is daar niet veel bewijs voor. Dat schijnt trouwens steeds minder onderschreven te worden door de wetenschap. Hoe dan ook, boeiend om te horen.

Een ander onderdeel van de podcast deed me denken aan het schrijven in een groep dat ik heel lang geleden gedaan heb. Ook daarin kwamen vaak vampieren voor. Iets in die geest werd ook in de podcast aangehaald. Ik ga hier niet vertellen wat dat is, dan is de lol eraf (voor mij in elk geval) maar ik ga dit idee wel in het Ottomar-verhaal gebruiken.

Genoeg te doen dus!

Ottomar. Deel 4. Over sterk zijn.

Otto en Hille

4 – De sterke staaltjes

Ontwaken was als de hel. Ik had het gevoel alsof ik in brand stond. Bewegen leverde nog meer pijn op maar daar kwam ik heel snel achter.

“Hij is wakker,” hoorde ik Hille zeggen.

“Mooi.” Dat was Straffe. “Pier is straks terug met wat flessen. En onze Ottomar heeft denk ik wel geleerd te luisteren.”

“Wat is er gebeurd?” vroeg ik.

“Je liep tegen de zon aan,” zei Hille. “Ik had nog gezegd…” Ik voelde haar koele hand op mijn voorhoofd. Ze vertelde me hoe zij gekeerd was door een vampier uit een ver land. Die was op een schip hierheen gekomen. Die vampier had Pier en Straffe ook gekeerd, en hij had hen drieën geleerd hoe ze nu moesten leven. “Het is echt belangrijk dat je luistert en leert, Ottomar,” zei ze, “anders overleef je de eerste maanden niet.”

Ik luisterde naar haar. Ze vertelde dat de eerste drie of vier maanden belangrijk waren om te wennen aan het vampier-zijn. Zonlicht was dodelijk in die periode, en na een paar maanden zou ik in de vroege ochtend of late avond naar buiten mogen om weer te wennen. ’s Nachts hoefde ik nergens bang voor te zijn want dan was er geen zon.

Het duurde niet lang voor Pier terugkwam. Het vreemde was dat ik had gehoord dat hij eraan kwam, iets dat ik me op dat moment niet eens realiseerde. Hij had, zoals Straffe al had gezegd, flessen bij zich. Een aantal met wijn en een aantal met bloed. Ik wilde niet weten waar hij dat bloed vandaan had en het schokte me te zien dat Hille op zo’n fles aanviel en die enthousiast leegdronk. Pier bracht me persoonlijk een fles wijn.

“Hier. Drinkt. Voelt ge u spoedig beter.” Hij grijnsde. Ik dronk van de wijn en voelde hoe kracht weer in mijn lijf stroomde. Nadat ik de hele fles leeg had gedronken voelde ik me echt beter.

De nacht daarop ging ik met de drie anderen naar buiten. Hille had opdracht gekregen om bij me te blijven en te zorgen dat ik niet weg zou lopen. Het eerste uitstapje was naar het kerkhof. Of ze dat deden om me te treiteren heb ik nooit uitgevonden. Wat me meteen opviel toen we naar buiten gingen was dat ik kon zien alsof het dag was. Ik vroeg aan Hille of dat normaal was. Ze beaamde dat dit normaal was ‘voor ons soort’.

“Er zijn nog meer dingen normaal nu. Of die snel genoeg normaal zijn,” zei ze. In de weken en maanden daarop kwam ik daar wel achter. Ik was altijd al sterk geweest maar nu leek mijn kracht eindeloos. Ik kon zonder moeite een paard optillen. Ook waren mijn reflexen veel sneller dan eerst en ik kon razendsnel bewegen. Dat was hoe Straffe me die ene avond te pakken had genomen. Het duurde een tijd voor ik dat allemaal onder controle had.

We bleven meestal op plaatsen waar de gewone mensen zich in de nacht liever niet ophielden. Zo werden we niet ontdekt maar soms moesten we Vlaardingen in. Pier was niet van plan om constant flessen voor mij te halen, en de anderen moesten ook hun deel doen om aan hun rantsoen te komen.

De eerste avond dat ik meeging op zo’n tocht kwamen we heel dicht in de buurt van het huis waar mijn familie woonde. Ik had verschillende keren tegen mijn medevampiers gezegd dat ik mijn familie wilde zien, maar zij hielden vol dat dat niet goed was.

“Ze denken dat je dood bent. En dat ben je ook.”

“Maar ze hebben nooit mijn lichaam gevonden,” had ik tegengeworpen.

“Er verdwijnen vaker mensen die nooit terug worden gevonden, jong,” waren Straffes woorden. “Deels door dieven en moordenaars. En deels door ons.”

#

De telefoon gaat. Niemand hoort dat behalve ik, want het ding staat heel zacht. Hard genoeg voor mij. Ik weet dat het Hille is. “Hé, hoe is het?”

“Waar ben je? Ik moet eruit vanavond.” Haar stem klinkt dringend. Ze heeft dorst. Ik zeg haar waar ik ben en dat ik zo snel mogelijk naar haar toe zal komen. “Graag. Ik wacht beneden op je…”

Ik zeg tegen mijn collega’s dat Hille me nodig heeft en neem hun goedbedoelde grapjes van onder de knoet zitten heel even in ontvangst. Dan leg ik een handvol geld op tafel, mijn deel van de gezamenlijke rekening, en ik ga snel naar buiten.

We wonen gelukkig niet ver hiervandaan. Omdat het al laat en donker is, zijn er niet veel mensen en auto’s onderweg. Ik kan goed snelheid maken en schiet van straat naar straat terwijl ik bedenk waar we de laatste keren zijn geweest voor haar. Binnen vijf minuten sta ik bij Hille, die haar armen om zich heen heeft geslagen.

“Fijn dat je er bent,” zegt ze en knuffelt me even, maar het voelt hard en koud.

“Je hebt te lang gewacht,” mopper ik.

“Ik dacht dat het wel ging.” Ze kijkt me aan met haar grote, donkere ogen. “Sorry.”

“Komt goed. Ik denk dat we een fatsoenlijke kans maken vanavond.” Ik zeg haar de naam van een bloedbank in de buurt waar we al maanden niet zijn geweest en ze knikt opgetogen.

“Dat was een goeie, vorige keer.” Ze pakt mijn hand en we beginnen te lopen, gewoon alsof we aan het wandelen zijn. Het is bijzonder dat zij vroeger zo voor mij zorgde en dat ik dat nu voor haar doe.

Na een kwartiertje zijn we bij het gebouw. Onderweg heb ik haar een beetje bezig gehouden door over het nieuwe programma te vertellen, en het uitje in de kroeg. Ze grinnikt als ik haar over de grappen vertel, maar haar ogen zoeken al de makkelijkste weg naar binnen. Achter de dikke muren en de stalen deur van de bloedbank ligt opgeslagen wat ze nodig heeft. Het zou te makkelijk zijn om die deur open te rukken. Het is ook te opvallend. Wij gaan via het dak, waar we met een stevige sprong op terecht komen. Het is drie hoog en daar is een luik dat gebruikt kan worden bij brand of andere ellende. Uit ervaring weten we dat het nooit afgesloten is, omdat het slot ooit kapot is gegaan en de reparatie veel te duur is.

Ik trek het luik open en glijd naar binnen. Uit gewoonte vang ik Hille op als zij ook naar beneden springt. Ze heeft dat niet nodig maar het voelt goed. Lang staan we daar niet; ze heeft bloed nodig. In het donker dat voor ons niet donker is lopen we een etage naar beneden en vinden de koelruimtes.

“O en A positief,” zegt Hille als we in de ruimte staan. Ze herhaalt de twee bloedtypes als een mantra. We weten het allebei al lang. We hebben velen van ons soort zien sterven doordat ze te vaak de verkeerde bloedsoorten tot zich namen. Het is geen prettig gezicht om een vampier op die manier de tweede dood door te zien maken. Het is niet als met een mens dat het ineens afgelopen is; de tweede dood duurt verschillende minuten en is pijnlijk.

Hille heeft vier zakken in haar handen.

“Vier? Vorige keer had je er twee,” zeg ik.

“Het is erg, Otto. Heel erg.” Ze kijkt me bijna smekend aan. Met deze bloedbank heb ik een soort ongeschreven deal dat we af en toe twee zakken meenemen. Vier is dus erg veel want ik weet dat ze om donors zitten te springen.

“Oké. Voor deze keer dan.” We verlaten de koeling en ik pak mijn portemonnee. Ik leg vierhonderd euro op een bureau; de vergoeding voor vier zakken. Het voelt als veel te weinig dus leg ik er honderd bij. Als ik zie dat Hille op het punt staat in een zak te bijten, schiet ik naar haar toe en houd haar tegen. “Hille. Buiten pas.” Als ze haar tanden eenmaal in zo’n zak heeft drinkt ze hem helemaal leeg, maar het maakt wel vaak troep en dat wil ik hier binnen niet.

Ottomar deel 3. Het gaat over drank.

Otto en Hille

3 – Rode wijn, port en zonlicht

Vandaag is het een drukke dag. Er is nieuwe software in gebruik genomen waar wij als programmeer-team hard aan hebben gewerkt. We hebben ons kapot getest en we zitten nu bovenop de hoofdconsole om te zien of alles ook blijft werken. We hebben met zoveel mogelijk mensen tegelijk geprobeerd om het systeem te laten crashen maar dat is ons niet gelukt. Tot nu toe hebben de andere medewerkers het ook niet voor elkaar gekregen en dat doet ons deugd.

“Nog een half uurtje kijken, jongens,” zegt Gert, de programmaleider, “en dan geloof ik het wel. Dan gaan we dit vieren.” Een aantal anderen blijven bij de console hangen om te kijken hoe het systeem wordt gebruikt. Ik vind het wel best. Als het fout gaat dan is er niet veel nodig om dat te zien. Ik ga verder aan een stuk software waar ik graag aan knutsel. Het is iets dat geen haast heeft. Plots hoor ik iemand dichterbij komen. Vampiers horen nou eenmaal beter dan levende mensen, net als dat we een hoop andere dingen beter kunnen. Of in elk geval anders doen. Ik denk ‘beter’.

“Hé, Otto, ga je nog mee?” De collega geeft me een klap op een schouder om me te laten schrikken. Ik speel mee om niet op te vallen. Mijn zwaaiende hand laat mijn computermuis door de lucht vliegen en nog net op tijd bedenk ik dat die beter te pletter kan vallen dan dat ik het ding grijp. Dat ziet er menselijker uit, al zou ik dat ding wel tien keer uit de lucht kunnen plukken.

“Gert! Kostenpost Otto!” wordt er geroepen terwijl iedereen lacht. Goed zo, laat ze maar lachen. Hoe minder ik opval, hoe beter.

“Ik zeg toch dat zo’n ding aan een draadje beter is,” mopper ik terwijl ik de restanten van de uit-elkaar-gespatte muis opveeg. Goedkoop spul. Een tientje meer en je hebt een muis die tegen een stootje kan. Ze lachen weer. Ik ben nogal ouderwets in dit soort dingen. In de kast liggen nog stapels muizen dus de volgende dag kan ik zonder probleem weer verder.

We verlaten het kantoor, allemaal blij dat de programmatuur tot nu toe zonder storing draait. Ik heb aangeboden om vanavond nog even te gaan kijken of de nachtroutines ook goed gaan, want die draaien dan met heel wat meer informatie. We lopen vol goede moed naar de stamkroeg van het bedrijf. Raar dat een bedrijf een stamkroeg heeft eigenlijk, maar het is dichtbij en meestal wel leuk daar. Ze zijn daar onderhand ook gewend aan mijn rode-wijn-of-port-wensen, wat wel zo prettig is. Ik ben er vandaag weer aan toe.

*

“Kijk,” zei Pier toen ik aan de tafel was gaan zitten. “Ik zei dat ge stom waart geweest, ja? Wij zijn vampiers, gelijk gij nu zijt.”

“Wat zijn vampiers?” viel ik de man in de rede. Ik had nog nooit van zoiets gehoord.

“Vampiers zijn wezens die op mensen lijken maar die dood zijn geweest,” verklaarde Pier. “De meeste vampiers drinken mensenbloed om te kunnen leven.” Hij wees even naar Hille. “Da’s wat zij u gaf daarjuist.”

“Mensenbloed?” Ik staarde de man aan. Hij moest gek zijn want wie zou zoiets doen?

“Hij spreekt de waarheid,” zei Hille, die ook was aangeschoven. “Dat was mensenbloed. Gelukkig heb je niet te veel verspild want het is moeilijk om aan meer te komen zonder op te vallen.”

“Kijk,” zei Pier weer. Iets in zijn stem zorgde ervoor dat ik hem aan moest kijken. Later zou ik leren dat dat een van de vele trucjes was die vampiers ter beschikking hadden. “Soms zijn er vampiers die geen bloed kunnen verdragen. Zoals gij. En zoals ik. Want ik heb u gekeerd. Heel soms gaat dat over van de een vampier naar de ander. Ik heb er vier gekeerd nu en gij zijt de eerste die dit ook heeft.” De man reikte over de tafel naar een fles waar hij de kurk uittrok. “Hier. Een flinke teug en ge voelt u beter.”

Ik pakte de fles en rook eraan. Het was rode wijn maar van een slechte kwaliteit. Moest ik dat drinken? Aan de andere kant zou het wel de vieze smaak van het bloed uit mijn mond wassen dus deed ik wat me was opgedragen. Bijna voor niets want de vieze smaak werd vervangen door een andere, al was de oorsprong van de tweede wel beter.

“Beter, wat?” Pier keek me oprecht belangstellend aan. “Hoe ouder de wijn, hoe beter. Of port. Port is nog beter maar da’s bekans niet te betalen.” Hij stak een hand uit en wees naar de fles. Ik gaf hem de fles en hij dronk die ineens leeg.

“Zeg, heb je een naam?” vroeg Hille.

“Ottomar,” zei ik.

Hille knikte. “Altijd beter om een naam te weten.” Ze keek naar mijn kleding en betastte de stof van mijn jas. “Mooi. Duur. Goeie familie zeker.”

Ik reageerde daar niet op. Misschien waren ze gewoon op het geld van mijn familie uit, en op dat van Annegiens familie. Dat zou ze niet lukken! “Ik weet niet wat jullie van mij willen,” zei ik terwijl ik opstond en even op mijn benen wankelde. Wat voelde ik me toch raar. “Wat ik wel weet is dat ik weg moet. Ik hoor niet bij jullie dus eis ik dat jullie me laten gaan. Als jullie me niet tegenhouden zal ik jullie niet bij de schout rapporteren.”

“Haha, als we je niet laten gaan dan doe je dat ook niet,” zei Straffe, die zijn hoofd schudde. “Hille. Laat hem de deur zien.”

Hille stond op als of ze zijn dienstmeid was en liep naar een deur die in een duistere hoek van de keet zat. Even vond ik het vreemd dat ik die deur gewoon kon zien terwijl ik wist dat die in het duister verscholen lag. En hoe wist ik dat? Voor ik daar verder over kon nadenken was ik al bij de deur.

“Doe je ogen dicht,” zei Hille, die haar hand op de deurknop hield.

“Waarom? Staat de duvel buiten?” Ik begreep haar zorgen niet.

“Voor jou wel,” zei ze. “Weet je het zeker?” Ik knikte en sloot mijn ogen. Ik hoorde hoe ze de deur opende en meteen kreeg ik een dreun, alsof iets groots en zwaars pijnlijk tegen me aan klapte. De deur was dicht voor ik de grond raakte.

“Wat was dat?” wilde ik weten terwijl langzaam het pijnlijke gevoel wegebde. Ik knipperde met mijn ogen tot de vreemde witte vlekken weg waren. Waar kwamen die vandaan?

“Zonlicht,” zei Hille. “Als je pas gekeerd bent dan heb je daar last van. Dat moet je oefenen.”

“Oefenen? Zonlicht?” Ik krabbelde overeind en hield me met moeite staande tegen de muur. “Zonlicht is goed voor een mens. Ga aan de kant, ik heb dingen te doen.” Meer struikelend dan lopend begaf ik me naar de deur en trok die open.

Ottomar. Deel 2.

Welkom bij het vervolg van het verhaal van Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer.

Het stukje hieronder heet ‘Vuurdrinker’. Veel plezier!

Otto en Hille

2 – Vuurdrinker

Het was alsof ik vuur dronk. De vloeistof was warm en dik en gleed maar langzaam omlaag. Ik rukte me weg van de schaal en boog omlaag om het vuige spul uit mijn mond en keel te krijgen. Ik hoorde iemand lachen maar dat was niet aan mij besteedt. Met veel moeite wist ik het meeste van het goedje uit te spugen en keerde me naar de jonge vrouw die met kalm aankeek.

“Ik moest het proberen,” zei ze.

“Wat proberen,” zei ik. Mijn stem klonk alsof er grind in mijn keel zat. “Wie zijn jullie? Waar ben ik? En wat is er vannacht gebeurd?” Ik wilde opstaan maar dat lukte me niet.

De jonge vrouw zette de schaal op de grond. “Dat was niet vannacht. Dat was twee nachten geleden. Je bent er snel weer bij,” zei ze terwijl ze opstond. “Pier, jij moet hem vertellen wat er gebeurd is. Jij wilde de eerste beet, nu moet je ook de rest doen.”

De eerste beet? Onwillekeurig voelde ik aan mijn nek waar ik me de korte, brandende pijn herinnerde. Daar zat een plekje dat nog wel gevoelig was, maar niets waar ik me druk om hoefde te maken, wist ik. Mijn vingers kwamen schoon terug, zonder bloed. Schoon wilde in dit geval zeggen dat ze niet smeriger waren geworden, want ik zat onder het vuil van het vele vallen op het kerkhof.

Een kleine man in donkere kleren stond op van de tafel die ik niet eens gezien had. Hoe kon ik dit zien, vroeg ik me af. Er brandden geen kaarsen in deze kamer en de muren hadden geen ramen. De man plofte op de grond naast me neer. Met een grijns keek hij me aan. De man had al zijn tanden nog, viel me op. Net als de jonge vrouw, schoot me te binnen.

“Ik ben Pier,” zei de man. “Dat daar is Hille.” Hij wees naar de jonge vrouw die de schaal had opgepakt en wegliep. “En die daar is Straffe.” De man die nog aan de tafel zat hief een hand op en liet die met een dreun weer op het tafelblad vallen. “Luistert. Ik zeg dit maar ene keer. Ge zijt stom geweest om den kerkhof op te komen. Daarvoor moet ge boeten en dat is nu gedaan. Ge had den pech om ons te vinden – hah, of wij u – anders had ge er beter afgekomen. Ge had nog kunnen leven.”

De man sprak wartaal voor me dus vroeg ik of hij eindelijk eens wilde zeggen wat er eigenlijk aan de hand was. Ik moest weg, naar mijn huis en mijn werk. En naar Annegien die zich nu waarschijnlijk al vreselijke zorgen zou maken, net als mijn ouders en mijn twee zussen.

“Werk?” Pier, Straffe en Hille moesten daar allemaal om lachen. “Dat kunde ge vergeten, jong. Ge zijt nu gelijk ons. Ge zijt ‘nen vampier. Vampiers werken niet.”

“Wat?” Ik snapte niet waar de man het over had en ik besloot dat ik het niet wilde weten maar toen ik wilde opstaan hield hij me met één vinger tegen. Wat was die kleine man sterk! Ik schrok ervan.

“Niet weglopen, jong, of ge zijt met een paar uur kapot.” Pier stond op. “Kom. Aan tafel praat het beter.” Hij hield een hand uit en trok me overeind alsof ik niets woog. Op het moment dat ik op mijn eigen benen stond wist ik al dat er iets dramatisch anders was want alles aan en in me voelde vreemd.

*

Je kunt je niet voorstellen hoe het is om op zo’n manier wakker te worden. Zo ben je blij en verliefd en dronken en zo ben je gebeten door een vampier, dood geweest en kom je weer bij bewustzijn maar dan zelf als vampier.

Het gekke is dat vampieren in die tijd helemaal niet bekend waren maar er liepen er genoeg rond. Nu nog, al zul je ze niet zo snel herkennen. En nu niet aankomen dragen met dat oude sprookje van zonlicht, zilveren kogels – o nee, dat is voor weerwolven – en wijwater. Zonlicht is juist lekker warm voor ons soort en van wijwater word je enkel nat als ze met genoeg gooien. Dat spul is verder nergens goed voor.

Ik zal je straks wat meer vertellen over wat er in die tijd met Pier, Hille en Straffe gebeurde. Momenteel heb ik het geluk dat ik bij een groot bedrijf werk, als computerprogrammeur. We verzorgen de automatisering voor de bevoorrading van supermarkten en zo, en dat bevalt me prima. Daar snap je denk ik niets van want dat past niet in het stereotiep van de vampier maar ook wij gaan met de tijd mee. Het zou wat wezen zeg, om in deze tijd met een lange zwarte mantel aan rond te lopen, met een degen te zwaaien en al dat soort ouderwets gedoe meer. Dan kom je snel genoeg in de problemen, tenzij het carnaval is.

Wat ik je kan vertellen is dat het goed is om wat kennissen te hebben die je lot delen. Ik bedoel dan niet iemand van het kaliber van Pier of Straffe. Die zijn al lang geleden tegen de verkeerde aangelopen. Hmm, misschien wel de goede want die hoeven niet meer met de tijd mee. Ze zijn weg. Ja, ook dood, maar dat waren ze al een tijdje. In de 19e eeuw, toen elektriciteit uit werd gevonden, waren ze net even te nieuwsgierig en zijn toen geëlektrocuteerd. Ik was er niet bij toen het gebeurde maar naar wat ik heb gehoord was dat geen prettig einde. Het duurde een hele tijd voordat ze echt weg waren, vertelde iemand. Ja, elektra is een manier om vampieren uit te schakelen, als het voltage maar hoog genoeg is. Voorlopig maar niet aan denken, want ik voel me in deze tijd wel op mijn gemak, en Hille kan zich hier ook aardig redden.

We wonen sinds een tiental jaren weer bij elkaar en dat gaat nog goed. We weten niet hoelang nog, maar dat zien we wel. Om een of andere reden kunnen we nooit echt lang bij elkaar blijven. Elke dertig jaar of zo dan krijgt een van ons de kriebels en dan zien we elkaar weer een tijdje niet. Dat moet dan gewoon. Tegenwoordig, sinds de uitvinding van de telefoon en zeker met die smartphones, is het wel een stuk makkelijker om contact te houden als je niet bij elkaar bent. Hille heeft een tijdje in Engeland gewoond en ook in Frankrijk en Italië. Ze spreekt haar talen dan ook bijna perfect na al die eeuwen oefening. Ik mocht willen dat ik dat kon maar aan mij kan iedereen meteen horen waar ik vandaan kom.

Hille lacht me nog vaak uit omdat ik soms die oude woorden gebruik, van vroeger, terwijl ik vind dat dat best meevalt…

Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer-2

Otto en Hille

Hier is deel 2 van het eerste stukje van Ottomar en Hille. Mocht je het gemist hebben, hier is het eerste deel. De volgende bijdrage wordt heel deel 2, want het verhaal begint erg gesmeerd te lopen… De eerste alinea heb je al in stukje 1 gezien, maar om je herinnering op te frissen…

In het begin was het lastig om op het kerkhof te lopen want ook overdag durfde bijna geen goed mens zich op het kerkhof te wagen, dus waren de vele paden amper onderhouden. Overal lagen takken en twijgen, en op veel plaatsen lagen de restanten van het slechte leven, achtergelaten door rovers en ander slecht volk. Ik was al verschillende keren gevallen en door de port in mijn aderen werd het opstaan steeds lastiger.

Het eerste besef dat er echt iets niet pluis was op het kerkhof kwam tot me toen ik de stank rook. Die was opeens overal om me heen en in het duister kon ik niets zien. Ik had een sierdegen bij me, niets waard in een gevecht, maar ik trok het ding toch. Het had al vaker idioten en agressieve dronkaards verjaagd, dus hoopte ik op hetzelfde hier. Niets was minder waar.

Er schoot iets langs me. Ik voelde het meer dan dat ik het zag, want ik zei al dat het stekeduister was. Het wezen sloeg de sierdegen uit mijn hand en brak tegelijk twee van mijn vingers. Ik denk nu nog dat mijn geschreeuw vele goede mensen van het oude Vlaardingen de schrik aangejaagd heeft op die avond. Ik hoor het ze zeggen: niet pluis, vol gespuis.

De klap die ik van achteren kreeg was pijnlijk en smeet me neer in de smurrie op de grond. Toen werd me duidelijk dat mijn laatste uur geslagen had. Dit kon alleen verkeerd aflopen. Drie gedaantes waren bij me. Een van hen knielde op mijn rug om me vast te houden. De geur van goedkope, rode wijn die om hem heen hing zal ik nooit vergeten. De tweede gedaante greep een van mijn armen en trok daaraan tot die bijna uit de kom schoot. De derde gedaante knielde daarna bij me neer.

“Ge had hier niet moeten komen, zwakkeling,” zei de stem met een zwaar buitenlands accent in mijn oor. “Ge weet toch wat dit voor ‘ne plaats is? Maar ge hebt geluk. We zullen u laten gaan. Niet zomaar, niet nu, maar ge moogt hier weg als alles gedaan is dat gedaan moet worden.”

“Ga van me af,” wist ik nog te zeggen voor ik een stomp tegen mijn hoofd kreeg waardoor mijn persoonlijke deel van de nacht verlicht werd door allerlei sterren die ik nooit eerder gezien had. (Ik heb ze daarna ook nooit meer gezien gelukkig.) Het laatste wat ik me van dat moment nog herinner is die korte, brandende pijn in mijn nek waarna ik in slaap viel. Tenminste, dat dacht ik toen.

Het vreemde voor mij was dat ik geen hoofdpijn had toen ik mijn ogen weer opende. De port uit de kelders van Annegiens vader had meestal hoofdpijn tot gevolg dus dit was een bijzondere ervaring. De andere vreemde ervaring was het plafond dat eruit zag als ruwe, houten planken.

“Hij is wakker,” hoorde ik iemand zeggen. Dat vreemde accent… Dat had ik vaker gehoord. Toen wist ik het: de avond tevoren, op het kerkhof. Ik ging rechtop zitten en kwam halverwege. Daarna werd ik misselijk en viel achterover, terug op het harde matras.

Een moment later voelde ik een hand onder mijn hoofd. Toen ik opkeek zag ik het gezicht van een jonge vrouw. Ze was smerig en had grote, donkere ogen in een bleek gezicht.

“Hier. Zitten. Drinken. Anders krepeer je,” zei ze. Ik verschoot. Jongedames bezigden zulke taal niet!

“Dat houdt-ie niet,” riep iemand, maar de jonge vrouw hielp me overeind en hield een schaal voor mijn lippen. Ik dronk.

Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer

Ja. Dat is nog eens een naam. Welkom bij een experiment.

Ik ben van plan een vampierenverhaal te schrijven. Een verhaal over Nederlandse vampieren, waarvan Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer er een is. Elke week zal ik een blokje van een hoofdstuk plaatsen onder de tag #Ottomar.

Welkom in de vreemde wereld van Ottomar, of zoals hij nu heet: Otto van Bree.

Lees “Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer” verder

Even al het stof wegblazen…

Ja. Het is best een tijdje terug dat ik hier iets heb neergezet. Februari van dit jaar was het. (Zag ik net, dat had ik niet onthouden hoor!)

Waarom is het hier zo stil geweest? Omdat ik met heel veel Engelstalige boeken bezig ben geweest, en nog steeds ben. (En werk, en een studie, enzoverder.) Je kunt je tijd tenslotte maar één keer gebruiken. Tenzij je Hermelien bent, met bijbehorende ketting.

Een andere reden dat de Nederlandse boeken niet veel aandacht krijgen is dat dit niet veel aandacht krijgen. Je schrijft wel voor je plezier, dat is voor veel schrijvers in elk geval zo volgens mij, maar als ik zie dat de Engelse boeken veel meer mensen ook plezier bezorgen dan de Nederlandse, dan begint voor mij de verhouding tijd-plezier een beetje scheef te hangen. Aan een Nederlands boek ben ik evenveel tijd kwijt als aan een Engels boek, en als na vele maanden werk blijkt dat er in een half jaar wel 12 exemplaren van dat boek verkocht worden…

Misschien is de markt voor Nederlandse boeken al verzadigd, en zit niemand te wachten op de boeken die ik uitbreng.

Er ligt een begin van het derde Kobie-boek. Waarschijnlijk ga ik dat nog wel afschrijven (als in tot een einde brengen, niet ‘afschrijven’!), maar ik heb geen idee wanneer dat gaat gebeuren.

We gaan het meemaken.

In elk geval wens ik iedereen een fijne dag. Als Kobie 3 klaar is dan hoort de wereld het!