Clara’s Ogen. Hoofdstuk 11, deel 4.

Clara's ogen

"Wat…" dacht hij toen hij merkte dat hij wakker was. Maar… was hij echt wakker? Om hem heen was niets dan een pikzwart niets en daar leek hij in rond te zweven. Het verbaasde hem dat hij niet in paniek was in deze vreemde omgeving. Eigenlijk was het wel prettig hier.

"Hallo, Ron."

De stem kwam van achter hem, en op een of andere manier lukte het hem om zich om te draaien. Daar was ze. Clara. Een paar meter van hem vandaan.

"Clara." Hij glimlachte.

"Hoe ben jij hier gekomen?" vroeg ze.

"Ik weet het niet. Ik denk dat ik droom."

"Droom ik dan ook? Ik heb nog nooit gedroomd."

Ron keek in haar grote ogen, die een beetje twijfelend, zoekend, niet begrijpend naar hem keken. "Ik heb geen idee, Clara, maar ik ben wel blij dat dit gebeurt." Hij stak zijn hand uit naar haar. Op dat moment vervaagde ze.

~~~

Ron werd wakker met de herinnering aan de bijzondere ontmoeting nog haarscherp in zijn herinnering. "Clara?"

"Hallo Ron, heb je goed geslapen?"

"Ja, heb ik. En ik heb je gezien."

"Je zag me? Waar?" Clara klonk verbaasd. "Ik zag jou niet, Ron." Ze leek echt teleurgesteld. "Denk je dat je dat nog eens kunt doen?" vroeg ze, toen hij haar zijn bijzonder ervaring had verteld. "Ik zou je heel graag zien."

"Ik hoop dat ik het nog eens kan doen. Ik weet niet hoe ik het deed maar het zou echt geweldig zijn als het nog eens gebeurt."

Terwijl hij met haar praatte was hij bezig met wat dingen in zijn appartement. Hij hoefde de laatste tijd zijn ogen niet meer dicht te houden om met haar te kunnen praten, en bezig zijn was goed tegen de zenuwen van de komende expositie. Ook voelde hij zich fijn als hij met haar praatte. Haar onschuldige en eenvoudige vragen maakten hem soms aan het lachen en ze gaven hem de ruimte om dingen te vertellen en uit te leggen. Het viel hem op dat haar woordenschat, en ook de manier waarop ze zich nu uitdrukte, een stuk verbeterd was sinds de eerste keren dat ze gepraat hadden.

De klok kroop langzaam naar half twaalf. Het moment dat Harvey hem op zou komen halen. Ron had zijn officiële kledij al aan en wachtte op het telefoontje van de chauffeur. Toen het kwam, verraste het hem toch nog.

"Ik ben zo beneden, Harvey," zei hij. En tegen Clara zei hij dat hij hoopte dat ze erbij kon zijn, al was het maar in gedachten. "Dat zou echt fijn zijn, Clara."

"Ik doe mijn best, Ron. Maar als ik er ben dan zal ik stil zijn zodat je niet afgeleid wordt."

"Je bent de allerbeste," zei hij met een glimlach, en verliet zijn woning. Op weg naar beneden klopte hij op Felicity's deur, om haar te waarschuwen dat Harvey op hen stond te wachten. "Als je wilt dan kun je meerijden, steun en toeverlaat," zei hij door de deur heen.

De deur ging open en Felicity keek hem stralend aan. "Denk je dat dit ermee door kan?"

Ron moest twee keer kijken voor hij helemaal doorhad hoe Felicity zich in de nette kleren had gestort voor het evenement. "Allemensen. Ben jij dat echt?"

"Dan is het goed," zei ze met een grijns. Ze had haar lange, zwarte haar opgestoken zodat het in golven over haar schouders hing, en de lange, rode jurk paste haar als een handschoen. Het leek wel zijde, voor zover Ron iets van stof wist. "En jij ziet er ook knap uit, meneer de schilder."

Gearmd stapten ze de lift in, en ook weer uit. Toen ze buiten kwamen stonden de anderen al allemaal te wachten, en een storm van gefluit en geklap stak op. Zelfs Harvey had een wereldgrijns, zag Ron.

Ron en Felicity stapten in de limousine terwijl de anderen het gehuurde busje bestormden. "Waren wij zo toen Laura haar tentoonstelling had?"

Harvey knikte. "Ongeveer net zo," zei hij terwijl de luxe auto weggleed.

Reacties