Clara’s Ogen. Hoofdstuk 13, deel 3.

Clara's ogen

Ron maakte een lamp aan en pakte een potlood en een schetsboek. Hij tekende de bloem, en omdat die daar een beetje eenzaam op het papier hing, tekende hij er een vaas omheen. Terwijl hij bezig was, vertelde hij haar wat hij deed en waarom. Op een gegeven moment voelde het voor hem alsof Clara over zijn schouder hing, om geen moment van alles te missen. Het was vreemd, want hij was hier alleen op zijn bank, maar ondanks dat genoot hij van het gevoel.

“Morgen gaan we hier echt iets mee doen,” zei hij. Zijn ogen waren moe aan het worden, en de lamp was verre van ideaal om bij te werken.

“We.” Clara klonk verrukt en haar glimlach was bijna voelbaar. “Dat klinkt fijn, Ron. Ja, wij gaan morgen verder.”

Opeens voelde Ron een onverklaarbare golf van eenzaamheid die zijn hart greep. “Clara?”

“Ja, Ron?”

“Ik ben blij dat je hier bent. Bij me.”

Heel even was ze stil. “Ik ben blij dat ik bij je kan zijn.” Daarna waren ze samen even stil. Ron besefte dat zij net zo blij was, en was dankbaar voor die vreemde, onzichtbare verbinding met Clara. Waar ze ook was. Hij wist ook dat die verbinding sterker aan het worden was. Het was goed dat hij Clara verborgen had gehouden. Alleen zijn zus wist van haar, en Felicity.

“Ron? Je zit in het donker.”

“Wat? O, dat klopt!” Het enige licht in de kamer was de lamp die hij had gebruikt voor de schets van de bloem. Zolang Clara in de buurt was, had hij weinig tot geen aandacht voor zijn omgeving. Wat bijzonder. “Je hebt echt een speciaal effect op me, Clara.” Hij grinnikte.

“Ik hoop dat dat goed is…”

“Dat is veel beter dan goed.” Het was heel makkelijk om open te zijn naar haar toe, merkte hij alweer. Ron had daar bij ‘echte’ vrouwen altijd wat moeite mee, omdat ze hem te vaak niet begrepen. Of hij hen niet. Hij had dan altijd het idee dat zij iets wilden wat hij niet snapte, of zag, of kon bevatten.

“Ben je nog niet moe, Ron? Het is al laat geworden.” Clara had op een of andere manier een gevoel voor tijd ontwikkeld. Dat was nieuw.

“Ja, het is laat. Ik ben niet echt moe maar ik moet toch maar naar bed gaan. Denk ik…” Hij stond op en liep naar het raam. Hij opende het en keek omhoog naar de donkere hemel. Zijn appartementje lag boven de straatverlichting en er waren geen wolken, dus had hij een redelijk ongehinderd uitzicht. Zijn ogen pasten zich aan aan het duister en hij zag meer en meer sterren. “Zie je dat, Clara? Kun je de sterren zien zoals ik ze zie?” Ron voelde dat ze bij hem was, dat ze met hem omhoog keek en zag wat hij zag, maar ze was doodstil. “Clara?”

“Ron.. wat is dat? Het is zo mooi, maar de lichtjes zijn zo klein.”

“Het zijn lichtjes in de hemel. Heel ver weg. Sterren. Ik kijk graag naar de sterren, net als Vincent.”

“Vincent?”

Geduldig, graag eigenlijk, legde hij uit wie Vincent van Gogh was, en hoe hij zich altijd verbonden had gevoeld met de schilderstijl van die man.

“Als je het over Vincent hebt is het bijna alsof je over jezelf praat, Ron,” zei Clara toen hij klaar was met zijn uitleg.

Ron glimlachte terwijl hij het raam dichtmaakte. “Dat is lief gezegd, Clara.” Hij gaapte. “Ik moet nu echt naar bed. Die frisse lucht heeft mijn hoofd helder gemaakt, denk ik.” Ron liep naar de slaapkamer.

“Ik zou graag bij je willen zijn, Ron. Om te slapen.”

Ron stond meteen stil. Dat had hij niet verwacht. “Dat zou ik ook fijn vinden, Clara.”

“Heb ik iets verkeerds gezegd,” vroeg zij tegelijkertijd.

“Nee, echt niet. Je verraste me enkel.” Hij glimlachte weer en liep langzaam verder, terwijl allerlei gedachten door zijn hoofd spookten.

Eenmaal in bed, in het donker, dacht hij weer aan Clara. Hij zag haar echt voor zich. Dat was steeds makkelijker de laatste tijd.

Toen Clara opeens naast hem verscheen, zittend op het bed, was hij niet helemaal zeker of hij nog wakker was of al sliep.

“Hallo, Ron,” zei de verschijning, die een hand uitstak naar hem. Ron stak ook een hand uit en hoopte haar aan te raken, maar de afstand bleek te groot te zijn. Hun vingers raakten elkaar bijna, maar echt aanraken lukte niet. Hij probeerde het nog eens, en weer ging het mis. Ondanks dat was het een mooi moment voor hem, iets dat hem diep van binnen raakte.

“Hallo, Clara.” Hij keek in haar grote ogen, naar het gezicht dat hij met zoveel aandacht en… liefde… had getekend en ingekleurd. “Je ziet er mooi uit, Clara.” Hij voelde dat ze daar blij om was, maar ze keek even opzij, met een schuchtere glimlach om haar mond. “Je bent geen complimentjes gewend. Net als je aan zoveel dingen niet gewend bent.”

Clara keek hem weer aan, haar ogen stralend. “Maar ik leer het, Ron. Jij laat me zien hoe dat moet. Door jou… voel ik me goed.”

Zijn hart maakte een klein sprongetje. “Door jou voel ik me ook goed. Mijn leven is door jou zo veranderd.”

“Ik denk dat mijn leven begon toen jij begon me te tekenen, Ron. Jij hebt mij gemaakt.”

Dat had hij niet verwacht. “Ik heb jou gemaakt?”

Clara knikte, langzaam, bedachtzaam, en ze stak een hand uit, alsof ze zijn wang wilde aanraken “Zo voelt het wel voor me, Ron. Hoe meer ik van je leer, hoe meer ik kan denken, en terugkijken. Elke keer als je aan mijn schilderij werkt, voel ik dat ik groei. Hoe vaker we praten, hoe meer ik weet dat ik besta. Jij hebt me gemaakt, Ron. Jij hebt mij een leven gegeven, en gevoelens.” Ze trok haar hand weer terug. In haar ogen stond een verre blik. “Misschien, ooit, kunnen we echt samen zijn.”

Ron luisterde bijna ademloos naar haar. Dit was een volledig nieuwe dimensie in Clara’s persoonlijkheid. Zijn hart vertelde hem dat het allemaal zou gaan gebeuren. Dat moest gewoon. Zijn logica, niet altijd de meest betrouwbare gesprekspartner, herinnerde hem dat ze enkel een schilderij was, een geest die nu ook in zijn hoofd woonde. Zoals gebruikelijk was het zijn hart dat won. De logica verdween in een geluiddichte doos. “Dat zou magisch zijn, Clara. Dat zou geweldig zijn.”

Ze bestudeerde zijn gezicht. “Magisch,” herhaalde ze. Een glimlach speelde om haar mond, alsof ze nu net geleerd had wat magisch betekende. “Ja, dat zou het zijn, Ron. Magisch.” De glimlach maakte plaats voor een treurige uitdrukking. “Je zou nu moeten gaan slapen, Ron.”

Hij wist dat ze gelijk had. Waarschijnlijk sliep hij al, maar hij moest zijn gedachten afzetten en die wat rust gunnen. “Tot morgen, Clara. Als ik weer wakker word.”

Clara glimlachte weer. “Ja. En dan werken we samen verder aan die bloem.” Ze stak weer een hand uit, en tegelijkertijd verdween ze, terwijl Ron door de duisternis van een diepe slaap werd overmeesterd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.