Clara’s Ogen. Hoofdstuk 14, deel 2.

Clara's ogen

“Replica’s?” Ron keek bedachtzaam terwijl hij het voorbeeld bekeek. “Mag dat wel?”

“Natuurlijk, Ron,” zei Jess. “Veel mensen willen dit soort werk graag in huis hebben, maar ten eerste kunnen ze dat niet betalen, en ten tweede is er maar een origineel. Wij bieden een service aan voor de allerbeste, natuurgetrouwe replica’s voor een schappelijke prijs. Daarom zoeken we naar de beste schilders in het land, om dit soort juweeltjes te maken.”

Ron knikte. Dat klonk heel aannemelijk.

“Hé, Ron. Klaar om je bij de elite te voegen?” Tot Rons verrassing was het Marcus die dat zei. De man kwam naar de klaarstaande schilderswerkplek. “Uiteraard. Jouw favoriet. Ik ben nu met een Rembrandt bezig. Wil je even komen kijken?” Marcus sloeg een arm om Rons schouders en dirigeerde hem naar de enorme panelen waarachter hij aan het werk was. De replica van de Nachtwacht was ongelofelijk mooi.

Marcus had een groot televisiescherm achter zich staan, waarop hij het hele schilderij in detail kon bekijken.

“Heb jij dat gemaakt?” Ron keek vol ongeloof naar het enorme werk. Het leek zoveel op het origineel dat het griezelig was, tot en met de naam van de al lang overleden schilder.

“Ja, helemaal mijn werk,” zei Marcus trots. “Hier, pak een vergrootglas en duik erin. Maar niet op het doek kwijlen, Ron.”

Ron pakte het glas aan en bestudeerde het doek. Hij kon niet anders dan toegeven dat dit een bijzonder staaltje vakmanschap was.

“Ik weet het, Ron,” zei Marcus, die straalde na dat compliment. “En jij kunt ons nu laten zien dat jij dit ook kunt, jongen.”

Ron leefde totaal niet voor uitdagingen, maar in dit geval wist hij dat hij het kon. Hij knikte. “Ik zal mijn best doen.”

Jess en Marcus zeiden dat ze niet meer van hem verwachtten, maar ook niet minder.

Na zes uur intensief werk, alleen onderbroken voor een haastige lunch, moest Marcus Ron van het schilderij afsleuren. “Kom op, jongen. Tijd om uit te rusten en wat te eten om dit te vieren. Morgen komen we terug en dan kun je weer lekker verder.”

Marcus nam Ron mee naar een restaurantje in de buurt en vertelde hem dat hij in zijn carrière bij Ostring al een stuk of tien van die enorme Nachtwachten had geschilderd. “Het gaat me steeds beter af,” zei hij, “en ik ben dol op dat schilderij. Van wat ik zag van je Van Gogh ga jij ook al de goede kant op. Ik ben niet zo van dat werk. Ik ben, denk ik, een reïncarnatie van Rembrandt.”

Ron moest daar wel om lachten. Dat was hoe hij dacht over Vincent van Gogh. “Wie zijn die andere schilders?” vroeg hij toen. “Die wonen niet in ons gebouw, toch? Ik heb ze nog nooit gezien.”

“Klopt. Dit zijn oudgedienden, en die hebben het al zo goed voor elkaar dat ze hun eigen woning hebben hier in de stad. Replica’s maken is alles wat ze doen en daar leven ze goed van. Je weet het misschien nog niet, maar je krijgt tien procent van de verkoop van een werk dat je aflevert. Hard werken, jongen, en dan tikt dat lekker aan.”

Toen Ron eenmaal thuis was, was het te laat en te donker om nog aan de bloem te werken, en ook voor Clara’s afbeelding was het te donker. Dat laatste vond hij erg jammer.

“Hallo, Ron,” zei Clara. “Je was lang weg.”

“Ja, klopt. Sorry. Er is iets interessants dat ik aan het doen ben in de stad. Jammer dat het zo laat is geworden. Ik zou graag nog even aan jou door willen werken.”

“Ik begrijp het,” zei Clara in zijn hoofd. “Maar je bent nu hier, en dat is fijn. Nu kunnen we even praten.”

Hij glimlachte en begon uit te leggen wat hij ‘in de stad’ aan het doen was. Ook dat hij daar nog wel een paar dagen mee bezig zou zijn, omdat het een behoorlijke opdracht was.

“En daarna ben je weer een paar dagen hier?” vroeg ze hoopvol.

“Ja, zeker weten. En dan maken we samen die bloem af,” beloofde hij. “En we gaan verder aan jouw schilderij.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.