Clara’s ogen. Hoofdstuk 14, deel 4.

Clara's ogen

Op weg naar huis, in de minibus, had iedereen het over de twee vrouwen, maar allemaal in een positieve en prettige manier. Alleen Cornelia was stil, net als anders. Gedurende het diner, na de tentoonstelling, zat Ron uitgerekend naast die stille vrouw. Dat was bijzonder, want Cornelia slaagde er vaak in een klein tafeltje voor haar alleen te bemachtigen. Deze keer was het restaurant te vol, dus had ze zich moeten schikken.

“Hoe gaat het met je vriendin?” vroeg Cornelia plotseling aan Ron.

“Vriendin?” Even wist hij niet wie ze bedoelde.

“Het blonde meisje in je kamer en je hart.”

Ron liet bijna zijn bestek vallen. “Hoe weet jij dat?”

“Ik weet meer dan veel mensen denken. En dat is goed zo,” zei Cornelia, haar stem gedempte. “Zij is degene die maakt dat jij je anders voelt, en ik zie dat. Ik weet niet wie ze is.”

“Ze is een schilderij,” zei Ron, maar hij wist hoe zwak dat klonk. Cornelia keek hem maar een paar tellen aan, maar haar blik maakte duidelijk dat zij wel beter wist. “Zou je dit alsjeblieft stil willen houden?” fluisterde hij zijn vraag.

“Natuurlijk. Dit gaat niemand iets aan. Zelf mij niet, maar ik kan dit soort dingen niet buitensluiten. Ik raad je wel aan om het glas aan de kant te zetten.”

“Glas?” Ron snapte er niets van.

“Het glas. Verder weet ik het ook niet. Ik vertel je alleen maar wat je moet weten.” Cornelia haalde even haar schouders op. “Doe ermee wat je wilt en kunt. Of niet.” En daarmee was het gesprek afgelopen. Haar bord was amper leeg, maar ze stond op en verliet het restaurant.

Na het diner liep de rest van de groep terug naar huis. Ron hoopte dat niemand iets zou vragen over het fluistergesprek met Cornelia, maar niemand leek het te hebben gemerkt.

“Ron, kerel,” zei Marcus, “ik hoorde iets leuks. Morgen belt Barbie je op voor een nieuwe klus. Ik hoop dat je van Salvador Dali houdt.”

“Barbie?” Op dat moment begreep Ron dat hij Barbara bedoelde. “O! Ja, Dali is geweldig. Ik vind zijn werk heel boeiend. Maar hoe weet jij dat?”

Marcus knipoogde. “Als je zolang in de branche meedraait als ik, dan leer je vanzelf de juiste mensen kennen, en dan hoor je wel eens wat. Doe wel verbaasd, oké?”

Ron was wel een beetje verbaasd door dit nieuws, maar toen hij eenmaal thuis was en met Clara kon praten, verdween dat vreemde nieuwtje al snel naar de achtergrond.

Samen bekeken ze Clara’s schilderij. Er was iets dat hij nog wilde aanpassen, en omdat het licht van buiten al wat afnam, pakte hij het doek en legde hij het op tafel. Daar hing een lamp die nog wel even genoeg licht zou geven. Hij pakte een tube van de grote zak verf die hij van Ross had gekregen en ging voorzichtig aan het werk. Hij gebruikte de fijnste penseel, met maar een paar haren, om de details rond Clara’s ogen goed te krijgen. Telkens maakte hij die penseel goed schoon in de pot water, voor hij verder ging. Als er vooral maar geen spatten op het doek kwamen.

Een klopje op de deur liet hem schrikken. Gelukkig stond de penseel net in de pot. Wie kon dat zijn om deze tijd?

“Hé. Laura.”

“Hallo, grote man,” zei Laura, die duidelijk een pyjama droeg. Een die nogal doorschijnend was ook nog. “Zou ik vannacht bij jou mogen slapen? Ik ben… een beetje eenzaam.”

Ron zuchtte. Hij had al vaker van Laura’s slaap-gewoontes gehoord, en het was enkel een kwestie van tijd voor ze aan zijn deur zou staan, had Marcus gezegd. En vanavond was het moment daar.

“Waarom die zucht, Ron? Vind je me niet leuk? Als dat zo is dan doe je toch gewoon het licht uit voor ik binnenkom?” Laura grinnikte. Ze had hier duidelijk heel wat ervaring mee.

“Laura, dit is niets voor mij,” begon Ron.

“Het is nooit te laat om te veranderen, Ronnie-boy,” zei ze, terwijl ze een knoopje van haar pyjamajas losmaakte.

“Daar verander ik niet voor. Sorry, maar…” Ron wilde gewoon dat ze wegging, zonder gedoe.

“Wat is er, jongen? Ben je homo of zo? Dat kun je gewoon zeggen hoor. Ik wil zeker zijn dat ik ‘het’ nog heb.”

“Je hebt ‘het’ nog wel, Laura, maar ik heb er gewoon geen trek in. Fijne avond nog.” En toen maakte hij gewoon de deur dicht. “Jezus, dat kon ik nog net hebben,” zei hij terwijl hij terug liep naar de tafel.

“Wat wilde ze, Ron?”

“Ze wilde hier slapen. In mijn bed.”

“O. Is dat van haar kapot?”

Ron moest onwillekeurig grinniken om haar onschuldige reactie. “Het is gewoon een raar mens,” zei hij, en daarmee was voor hem de zaak afgedaan. Op dat moment ging er iets mis.

Ron verstapte zich over een plooi in het vloerkleed en dreigde om te vallen. Hij greep zich vast aan een stoel die op een of andere manier uit zijn hand schoot en tegen de tafel klapte. De potten met penseelspoelwater sprongen op en kwamen met een klap neer.

“O nee! Verdomme!”

Spatten uit de twee potten water waren op Clara’s schilderij terecht gekomen. Er zat blauw in haar haren en groene vlekken prijkten naast haar gezicht.

Ron staarde ontzet naar de kleurige ravage op het doek.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.