Clara’s Ogen. Hoofdstuk 15, deel 2.

Clara's ogen

Clara keek hem aan. “Ik denk het. Ik kon je daar zien staan, heel duidelijk, en opeens begon je vreemd te bewegen, alsof er iets niet goed was, Ron. Ik was bang dat je zou vallen en toen stak ik een arm uit. Ik voelde dat je mijn hand pakte, en toen trok ik. Heel zachtjes. En toen lag je hier op de grond.” Haar ogen werden groot en een beetje angstig. “Heb ik iets verkeerd gedaan, Ron?” Ze sloeg haar handen over haar mond.

“Ik heb geen flauw idee,” bekende hij. “Ik ben nog nooit binnen een schilderij geweest.” Ron keek weer naar de kale muren en toen naar Clara. Alle logica schreeuwde dat dit helemaal verkeerd was, en totaal niet kon. Weer was zijn hart sterker. Hij stapte naar haar toe en nam haar weer in zijn armen. “Niks aan de hand, Clara. We komen hier wel uit.” Al heb ik op dit moment geen idee hoe.

Zo stonden ze daar een tijdje. Ron keek nog eens rond en besefte dat deze ruimte een totaal gebrek aan alles had. Geen stoel, geen tafel, geen bed, alleen die vier muren. “Hoe kun je hier leven?” vroeg hij plompverloren.

Ze keek hem wat verwonderd aan. “Gewoon. Ik sta hier. Of ik zit op de grond, of ik lig. En ik praat met jou.”

Op die manier klonk het allemaal eenvoudig genoeg, maar Ron wist dat hij helemaal gek zou worden als hij in een plek als deze moest leven. Hij zou proberen zich een weg naar buiten te knagen door een van die muren. Die gedachte maakte dat hij hier helemaal niets had gezien om eten mee te maken. En er was ook geen eten. Om een of andere reden had de vrouw in zijn armen geen eten nodig.

Ron tilde een hand op en legde die tegen een van Clara’s wangen. Ze keek hem aan met een mengeling van blijheid, verwarring en bezorgdheid. Langzaam boog hij zich naar haar toe en liet zijn lippen even op de hare rusten. Na die korte kus glimlachte ze.

“Dat was fijn. Wat was dat?”

“Dat, lieve Clara, was een kus.”

“Mag ik er nog een?”

“Natuurlijk.”

Het bleef niet bij één kus. Na een tijdje verbaasde Clara Ron door achteruit te stappen. “Nu moet je teruggaan, Ron.”

Dat overviel hem, vooral omdat het van haar af kwam. “Ja, dat weet ik. Maar dat wil ik eigenlijk niet als dat betekent dat ik jou hier achter moet laten.” Hij omhelsde haar weer.

“Ik wil dat ook niet, maar jij hoort hier niet, Ron,” zei ze. “Ik wil jou het liefst hier houden, maar dat is niet goed. Jij hebt mij geschilderd. Gemaakt. En je moet nog zoveel andere schilderijen maken.”

“Kun je met me meekomen?” vroeg hij, tegen beter weten in.

Clara schudde haar hoofd. Haar haren dansten in het rond en er stonden tranen in haar blauwe ogen toen ze hem weer aankeek. “Dat kan niet. Ik moet hier zijn, Ron, en jij daar. Daarbuiten.” Ze wees naar het licht en het plafond dat in een van de blauwe vlekken te zien was. “Maar je kunt terugkomen als je wilt. Om me te kussen.”

Rons hart zat in een roodgloeiende tang. Ze had gelijk: hij moest terug, maar tegelijkertijd kon hij de gedachte niet verdragen dat hij haar hier achter moest laten, in dit troosteloze niets. Op dat moment hoorde hij haar stem in zijn hoofd, zoals al vaker. “Dit is geen niets voor mij, Ron. Ik ben dit gewend. Dit is mijn plaats. De plaats waar ik jou ontmoette en met je praatte. En de plaats waar je me voor het eerst kuste.”

“En waar ik je nog eens kus,” zei hij, en voegde de daad bij het woord.

“Ik ben blij, Ron. Jij maakt me blij,” zei Clara na de kus. “Maar jij moet nu echt terug.”

Met tegenzin knikte hij. “Je hebt gelijk, maar hoe?”

“Je kwam door die muur, Ron.” Ze wees naar de muur met de vlekken. “Ik denk dat je daardoor ook weer terug moet.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *