Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 5.

Clara's ogen

"Gisteren had ik verf aan mijn handen. En dat water van het schoonmaken…" Ron haalde een beetje verf tevoorschijn en zette een glas met water klaar. Met zijn vingers besmeurd en nat ging hij weer rondjes draaien. Hij leunde op tafel en… weer gebeurde er niets. "Dat was het dus ook niet…"

"Nee…" Ron hoorde de teleurstelling in Clara's stem.

"Ik snap het niet…" Ron krabde aan zijn kin en probeerde nog iets te bedenken. De geur van de verf aan zijn vingers drong in zijn neus en onmiddellijk begon de kamer om hem heen te draaien. Ron voelde zich vallen… zag een hand… greep ernaar… Vlekken blauw, grijs en groen schoten langs hem heen. Een moment later lag hij op dezelfde ondergrond als de avond ervoor.

"Ron!"

Voor hij kon bewegen, zat Clara op haar knieën naast hem en drukte haar lippen op de zijne. "Je bent hier," zei ze na een tijdje.

Hij keek op naar haar en sloeg zijn armen om haar heen. Ron trok haar bovenop zich en hield haar stevig vast. "Ja. Ik ben hier. En ik ben zo blij dat ik weer hier ben en dat ik je vast kan houden."

Dat waren de laatste woorden die een tijdlang gezegd werden… tot Clara zich van Ron af liet rollen. "Dat was zo fijn," zuchtte ze.

Ron ging op zijn zij liggen en keek naar haar gezicht. Het gezicht dat hij zo goed kende en waar nu puur geluk vanaf straalde. Clara draaide haar hoofd naar hem en hij zag haar ogen glinsteren. Ron legde een hand over haar wang. "Bij jou zijn zorgt ervoor dat ik me goed voel, Clara."

Ze kwam overeind, drukte hem terug op de grond en kuste hem nog eens. Toen ging ze naast hem liggen, met haar hoofd op zijn schouder, terwijl hij een arm om haar heen hield. "Dit maakt me blij, Ron," zei ze. Voorzichtig legde ze een hand op zijn borst. "Dit, zo dicht als je bij me bent. En om te weten dat je hier bent voor mij."

Hij knikte en drukte zacht een kus op haar voorhoofd. "Ik zou graag willen dat je met me mee kon komen." Die woorden lieten een schok door haar heen gaan. "Clara, wat is er?"

"Niets," fluisterde ze. "Alles is goed. Houd me vast en alles is goed."

In stilte lagen ze daar, op de grond. Ron besefte dat dit iets was waar hij altijd op had gehoopt, en wat hij zo lang gemist had. Een vrouw zo dicht bij hem. Hij wilde dat dit moment nooit voorbij zou gaan, en hij wilde haar nooit meer kwijt. Even probeerde hij te beredeneren hoe dit allemaal kon gebeuren, want Clara had hem verteld dat zij pas was gaan bestaan nadat hij haar ogen had geschilderd. Zijn gedachten werden zo verwarrend dat hij het maar opgaf, en zich in plaats daarvan concentreerde op haar zachte, warme lichaam tegen het zijne aan.

Pas toen Clara met een vinger de vorm van zijn kin en wang volgde, deed Ron zijn ogen weer open. Haar glimlach deed hem goed, en hij glimlachte ook. Toen was er iets in haar ogen dat hem een beetje liet schrikken.

"Ik denk dat je nu terug moet gaan, Ron."

Precies de woorden die hij niet wilde horen. "Ik wil niet." Hij wist dat hij als een klein kind klonk, maar dat maakte nu niet uit.

"Dat weet ik." Haar lippen raakten even zijn wang. "Maar het is beter dat je dat doet. Jij bent nodig in jouw wereld. Je moet daar slapen, niet hier."

"En hoe weet jij dat?" Ron hoopte dat dat er niet te vinnig uitkwam.

Clara ging rechtop zitten. "Weet ik niet, maar het is waar."

Ron kwam ook overeind, wetend dat ze gelijk had. "Ja. Ik moet morgen weer werken. Die Dali schildert zich niet zelf, en als ik daaraan werk kan ik hier blijven en naar jou toe komen." Hij pakte een van haar handen en kuste de palm. "Jij bent bijzonder, Clara. Je betovert me."

"En jij hebt mij betoverd, Ron. Jij hebt me… gemaakt."

Ze stonden op en hielden elkaar nog eens vast. Na een kus keek Ron naar de muur met de vreemde vlekken. "Moet je me weer duwen? Of zal ik proberen te springen?"

"Kun je zelf springen? Ik wil je niet duwen," bekende Clara. "Ik draai me wel om, zodat ik je niet hoef te zien weggaan. Want dat doet pijn."

Ron wist precies wat ze bedoelde. Hij gaf haar nog snel een kus en een knuffel, en rende toen de paar stappen naar de vreemde muur. Hij deed zijn ogen dicht en wachtte op de klap – maar die kwam niet. In plaats daarvan was hij terug bij zijn tafel, in zijn appartement, en hij wankelde achteruit. Gelukkig wist hij dat dat zou komen, dus viel hij deze keer niet. "Clara?"

"Ron?"

"Ik ben veilig terug."

"O… Dan kan ik weer kijken."

Ron merkte dat ze niet 'o, goed' zei. Niet bij elkaar zijn was niet goed. Dat voelde hij zelf ook zo. Hij keek naar zijn nog vochtige hand en veegde die droog. "We kunnen nu bij elkaar zijn wanneer we willen, Clara. Zolang ik maar verfwater heb." Dat idee maakte het alleen-zijn iets minder erg, maar hij wist waar zij was, alleen, in een doek. Een gevoel van wanhoop maakte zich even meester van hem. Toen voelde hij haar glimlach, en hij voelde zich meteen wat beter.

"Dat is fijn," zei Clara, "en ik kijk nu al uit naar je volgende bezoek, mijn lieve Ron."

De schilder zette Clara's beeltenis voorzichtig op een veilige plek en ging toen naar bed.