Clara’s Ogen. Hoofdstuk 5, deel 3.

Clara's ogen

Het meisje grijnsde en deed de routine nog eens voor, nu heel langzaam en overdreven. “En nou jij.”

Ron herhaalde de acties en zowaar, daar waren zijn foto’s.

“En nou niet vergeten, oké? Ik kom hier niet altijd langs als je zit te kloten.”

“Hé Clara, kom je nog?” riep een van haar vrienden. De groep was een stukje doorgelopen en iemand miste haar nu dan toch.

“Heet jij Clara?” vroeg Ron.

“Ja. Mag dat niet?” Ze stond op.

“Tuurlijk wel, maar Clara heeft blauwgrijze ogen,” flapte hij eruit.

Clara keek hem even onderzoekend aan. “Niet deze Clara.” Ze grinnikte even. “Veel plezier met je foto’s.”

“Dank je!” riep hij haar na terwijl ze naar haar vrienden holde. Wat een rare ontmoeting zeg, een Clara, midden in New York. Hij keek nog even naar de weglopende groep en bekeek daarna zijn foto’s. Die waren niet eens zo slecht geworden. Toen kreeg hij een idee. Hij schakelde de telefoon weer in en belde zijn zus. “Shelley! Je raadt nooit waar ik ben!”

“Je zit in de gevangenis en dit is het enige telefoontje dat je mag maken.” Shelley klonk geamuseerd.

“Nee. Ik zit in Central Park. Op een bankje. Bij een meer.”

“O. Dat klinkt niet best.”

“Waarom niet?” Ron had die reactie niet verwacht.

“Anders zou je toch aan het werk zijn? Of hebben ze je op de eerste dag al ontslagen, en zit je nu op de bus te wachten die je terugbrengt naar het vliegveld?”

Ron schoot in de lach en vertelde haar dat dit onderdeel was van zijn oriëntatie en hoe de vorige dag was verlopen. Ze was aardig onder de indruk van haar broer en beloofde het goede nieuws door te geven aan hun ouders. Na het telefoongesprek stond Ron op, vond de weg naar buiten en toen, met de kaart in de hand, ging hij op zoek naar het gevoel van Manhattan.

Zijn wandeling bracht hem naar de Gutenberg Speelplaats en daarvandaan kwam hij terecht bij het park genaamd Hellekeuken. Het was een boeiende plek waar mensen basketbal en handbal speelden. Misschien een goede plek om te onthouden, voor als hij zelf eens sportief wilde zijn.

Ron keek op zijn horloge toen zijn maag aankondigde dat honger in aantocht was. Al bijna middag? De tijd was omgevlogen, en om twee uur zou Harvey hem weer komen halen! Opschieten dus, terug naar het hotel om iets te eten. Hij had ook niet veel gegeten vanmorgen, en dat was ook nog eens erg vroeg geweest, dus volgde hij de kaart en vond hij zonder problemen de weg terug.

Ron zat in de lobby zijn ochtendfoto’s te bekijken toen de chauffeur binnenkwam.

“Goedemiddag, meneer Brooks. Bent u zover?”

Ron grinnikte. “Zeker weten. Weet je dat ik bijna te laat was?” Terwijl ze onderweg waren vertelde Ron de man over zijn ochtendwandeling door Manhattan en hoe leuk dat was geweest.

Snel waren ze bij de bestemming, waar Jess Ron alvast het kantoor van meneer Ostring binnenloodste. De man was er nog niet; iets met een lunchafspraak die uit liep, verklaarde ze. Maar Ron kon in het kantoor wachten. Dat was een stuk prettiger dan in de wachtkamer. “En als u iets uit de bar wilt hebben, er is genoeg,” zei ze.

Ron hield het bij een bitter-lemon en bekeek met aandacht een aantal schilderijen die aan de muren hingen. Sommige waren echt goed. Andere waren een stuk minder geslaagd. Daar had iemand geprobeerd een oude meester na te doen en was daarin totaal mislukt. Waarom een kunstliefhebber als meneer Ostring zoiets aan de muur wilde hebben snapte Ron niet.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *