Clara’s ogen. Hoofdstuk 9, deel 1.

Jeetje, ik heb weer een vergissing gemaakt. Heel hoofdstuk 8 is de revu al gepasseerd. Ik ben echt goed met bloggen, he? 😉

We pakken de draad op op het moment dat Ron even naar huis gaat.

Clara's ogen

9. Weer thuis

De volgende ochtend was Ron al vroeg op. Hij pakte snel de paar dingen in die hij mee wilde nemen en daarna pakte hij de plaatselijke bus naar de centrale vertrekhal van de lange-afstandsbus.

Hij was ruim op tijd, dus gunde hij zich in een restaurantje een ontbijt en wat extra koffie, en daarna vond hij zijn plek in de bus die hem naar huis zou brengen.

Toen de reis begon was de bus maar half vol. Het vertrek was perfect op tijd en Ron keek voor de tiende keer op zijn horloge. De reis zou zes uur duren en hij had zich daarop voorbereid met een hoop luistermuziek op zijn telefoon en de nodige dutjes. Een paar keer probeerde hij met Clara te praten, maar die was er niet. Dat idee maakte hem aan het lachen; ze was er eigenlijk nooit. Niet echt in elk geval. Ron vroeg zich even af of ze alleen in de buurt van New York kon ‘verschijnen’, maar toen hij dat bedacht kwam de bus net aan bij het busstation.

De passagiers verdrongen zich bij de deur om zo snel mogelijk buiten te komen. Dat werkte natuurlijk tegen, dus duurde het even voor Ron met zijn tas ook de bus kon verlaten. Hij stond amper buiten toen hij Shelley hoorde roepen. Ze zwaaide als een gek en kwam toen op hem af hollen.

“Hé broertje! Welkom thuis. Zeg eens wat op z’n New Yorks.” Ze lachte terwijl ze het zei.

“Zo ver ben ik nog niet, Shell, en ik denk ook niet dat dat ooit gaat komen. Ze praten allemaal zo snel daar, je wordt er helemaal gek van.”

Het duurde niet lang voordat ze in haar auto zaten en snel daarna waren ze op weg naar huis. Naar Midlothian. Het verkeer was heel aardig voor hen, en daardoor duurde het amper een half uur voor ze de borden richting Midlothian al zagen. Shelley stuurde de auto meteen naar het huis van hun ouders, want dat hadden ze gevraagd. Ron zou en moest daar blijven eten, en Shelley ook, en de ‘wereldreiziger’ moest alles vertellen over zijn belevenissen in de grote stad.

Ron had het idee dat hij nog lang niet alles verteld had toen Shelley aankondigde dat ze hem naar zijn eigen huis zou brengen.

“Wil je dat ik morgen even langskom?” vroeg ze terwijl Ron de veiligheidsgordel losmaakte.

“Ja, leuk, maar bel eerst even,” zei Ron. “Ik wil een stuk gaan lopen morgen. In de natuur. Dat gaat daar amper. Het lijkt daar een betonnen jungle vergeleken met hier.”

Shelley zei dat ze dat meteen geloofde, en dat was ook de reden dat ze nooit naar zo’n plek zou willen verhuizen. “Slaap lekker, broertje.”

“Dank je, Shell. Ook voor de ritjes en zo.”

Ze zwaaide terwijl ze wegreed. Toen draaide Ron zich naar zijn kleine huis. Hij was toch wel heel erg blij weer hier te zijn, om zijn eigen stek weer te zien. Snel ging hij naar binnen.

Zijn zus had het hier goed bijgehouden. Beter dan Ron ooit zou doen, moest hij voor zichzelf bekennen. Zonder te stoppen liep hij naar de kleine kamer waar al zijn half afgewerkte projecten op hem wachtten en haalde het doek met de ogen uit het rek. In de woonkamer maakte hij alle lampen aan, zette de schildersezel op en zette het schilderij erop. Daarna haalde hij de doek ervanaf.

Even moest hij een stapje terug doen terwijl hij naar adem hapte. Dat waren echt Clara’s ogen.

“Ron…” Clara’s stem was er zo plotseling en duidelijk dat hij zich omdraaide om te zien waar ze was.

“Clara.” Een glimlach trok over zijn gezicht toen hij haar stem hoorde.

“Ben je nu thuis? In je eigen huis?”

“Ja, daar ben ik nu. En ik weet niet of jij er iets van kunt zien.” Ron keek weer naar het schilderij. “Ik kijk nu naar de ogen die ik heb geschilderd. Jouw ogen.”

“Als je stilstaat dan kan ik ze zien, Ron. In de reflectie in je ogen…”

Ron stond dus stil, en probeerde niet te knopperen.

“Dat zijn mijn ogen.” Het klonk half als een constatering, half als een vraag.

“Ja, Clara. Dat zijn jouw mooie ogen.” Opeens baalde Ron dat het al zo laat was. Hij wilde aan haar gezicht beginnen, maar daarvoor had hij daglicht nodig, zodat hij de goede kleuren kon zien.

“Dank je dat je me dit liet zien, Ron.”

“Graag gedaan, Clara.”

“Moet je nu gaan slapen, Ron?”

“Eigenlijk wel, ja. En dan kan ik morgen aan je gezicht gaan werken.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.