Clara’s Ogen. Hoofdtuk 5, het laatste deel

Clara's ogen

Het bed was nog steeds te zacht. Ron probeerde te lezen voor het slapengaan maar hij kon geen echt comfortabele houding vinden, dus legde hij het boek weg en deed hij de lamp uit. De geur van deze grote suite was nog steeds vreemd. Hij sloot zijn ogen en wachtte op de slaap, die niet lang op zich liet wachten.

Een stem die “hallo” zei maakte dat hij met een ruk rechtop ging zitten. Het duurde even voor hij zich realiseerde dat het helemaal niet donker was in de slaapkamer. Hij had het licht toch uitgedaan?

“Hallo?” vroeg hij terug, erg wakker voor iemand die net nog diep in slaap was geweest.

“Hallo,” zei de stem weer. Een vrouwenstem. Het gekke was dat het vrouwenlichaam, dat normaal bij een vrouwenstem hoorde, er niet was.

“Wie ben je?” Ron keek rond. Niemand. “En waar ben je?”

“Ik ben Clara en ik weet niet waar ik ben. Het is erg donker hier.”

“Ehm. Dit is niet echt, hè? Ik ben in een hotel in Manhattan, het is midden in de nacht en ik ken maar één Clara. Dat meisje uit Central Park.” En kennen was best een groot woord.

“Maar je kent mij ook,” zei de stem kalm. De stem was zacht en vriendelijk. Voor iemand die niet wist waar ze was, klonk de vrouw erg beheerst. “En je hebt al eerder met me gepraat.”

“Ehm.” Ron fronste. “Ik heb met je gepraat…” Hij snapte het niet. “Wacht even. De enige andere Clara waar ik mee heb gepraat is het schilderij. De ogen. En nu ga jij me vertellen dat jij dat bent?”

“Ik denk het wel. Ik weet het niet zeker. Maar ik hoor je stem als je tegen me praat.”

Ron probeerde zich te herinneren of hij misschien iets vreemds gegeten of gedronken had, want dit kon niet waar zijn. Hij stapte uit bed en liep naar de woonkamer. Die was net zo helder verlicht als de slaapkamer, maar er was niemand. Geen vrouw. Alleen hij. “Kun je me nog steeds horen?”

“Ja.”

“En… kun je me zien?”

“Nee. Ik zei toch dat het hier donker is?”

“O ja. Klopt.” Ron voelde zich nu opgelaten en tegelijk vreemd. Hoe kon hij nou in een hotel, midden in de nacht, tegen een onzichtbare vrouw praten die niet wist waar ze was. Misschien toch teveel bier, Ron? “En sinds wanneer ben je daar? Waar daar dan ook is?”

“Dat weet ik niet. Niet lang, denk ik.”

Ron ging op de bank zitten, in wat hij vermoedde dat zijn droom was. “En ben je in een kamer?” Terwijl hij het vroeg was hij niet zeker of hij hier wel in mee moest gaan. Dit sloeg nergens op. Hij zou terug naar bed moeten gaan en gewoon doorslapen.

“Misschien.”

“Je verwart me, Clara.”

“Sorry. Ik dacht dat het een goed idee zou zijn om met je te praten, maar als je je daardoor niet goed voelt…” Ze klonk een beetje gekwetst.

“Ook sorry, Clara. Ik wilde niet grof zijn. Ik zou nu eigenlijk moeten slapen. Waarom slaap jij trouwens niet?”

Even was het stil. “Ik geloof niet dat ik dat ooit gedaan heb. Is het fijn om te slapen?”

“O ja, beslist. Je gaat liggen en… wacht… weet je niet wat slapen is?”

“Nee.”

Ron stond op van de bank en liep terug naar de slaapkamer. “Ik denk dat dit gesprek nu lang genoeg heeft geduurd. Ik ben waarschijnlijk aan het slaapwandelen. Iedereen weet wat slapen is. Ik ga daar nu mee verder. Misschien krijg jij de smaak ook te pakken.”

Hij stond stil naast het bed maar de stem was verdwenen. Met een zucht gleed hij het bed in en trok het dekbed over zich heen. Zijn ogen vielen dicht.

De volgende ochtend werd hij wakker op de bank in de woonkamer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *