Ottomar 9. Werk krijgen, werk houden

Otto en Hille

London by night is erg leuk. Overal is wel wat te doen en we hebben ons erg goed vermaakt als we weer bij het hotel aankomen. Voordat we iemand van Hille’s werk tegenkomen zijn we weer in onze kamer. Omdat we eigenlijk nooit eten hebben we al afgesproken dat we daar ook ‘ontbeten’ hebben. Dat is een stuk makkelijker dan proberen iets van dat spul naar binnen te werken. We kunnen dat wel maar het is niet niet prettig.

Terwijl Hille de kleding aantrekt die ze die dag nodig heeft, denken we terug aan de eerste keer dat we in Londen waren. Dat is een hele tijd geleden, en wat een bijzondere tijd was dat.

“Ben ik netjes zo?” vraagt ze.

“Keurig,” zeg ik. Ik denk aan de tijd dat we net Pier en Straffe verlaten hadden. De tijd in Maassluis was toch wel bijzonder en in die tijd hebben we allebei heel veel opgestoken. Ik heb Hille daar leren lezen en schrijven; iets dat ze nooit verwacht had te leren. Door dat lezen en schrijven heeft ze een hoop kunnen leren en daardoor heeft ze deze baan gekregen. Heel bijzonder hoe zoiets kan lopen. Voor de zekerheid drinkt ze het flesje met haar noodvoorraad leeg; ze moet vandaag haar hoofd bij het werk houden en dan kan ze het niet hebben dat vampier-instincten op gaan spelen.

Ik loop met haar naar beneden om daar op de anderen te wachten. De levenden die haar voor de rest van de dag bij me weghouden. We balen daar allebei van maar het hoort erbij.

“Niet te veel plezier hebben als ik er niet bij ben,” waarschuwt Hille me met een knipoog. Daarna verdwijnt ze met de directie en Mariek door de automatische deur, op weg naar de ontmoeting met de Italianen. Mariek kijkt nog even om naar me en grijnst.

Ik overdenk even wat ik de rest van de dag ga doen. Hille is tot rond acht uur vanavond bezig. Ik heb meelij met haar want ze is gedwongen om mee te gaan naar een etentje met de mogelijke fusiepartners, en vanmiddag zal ze met de lunch ook wat moeten eten. Dan schiet me haar lege flesje te binnen. Daar kan ik wel wat aan doen vandaag. Snel ga ik naar de kamer, spoel het ding om en laat het in mijn jaszak glijden. Op de laptop in de kamer zoek ik even naar bloedbanken in de buurt. Aangenaam verrast door het ruime aanbod schrijf ik een paar adressen op en ga naar buiten waar ik een taxi aanhoudt. Ik geef de man het adres en kijk naar een voorbijglijdend Londen.

Op televisie, in heel wat series, wordt ontzettend veel onzin getoond en bedacht over vampiers. Dat met dat zonlicht bijvoorbeeld, dat valt nogal mee. Je moet er gewoon opnieuw aan wennen. Wijwater? Word je enkel nat van en dan ook nog alleen als ze met heel wat van dat spul gooien. Wat wel netjes klopt is dat je als vampier behoorlijk overtuigend kunt overkomen als je dat wilt. Dat is dan ook de reden dat ik door de mensen van de Londense bloedbank al heel snel vriendelijk wordt ontvangen. Ik krijg ‘tea and cookies’ (hoera voor de thee, dan kan ik die koekjes makkelijker wegspoelen) en daarna krijg ik een rondleiding door het gebouw. De twee mensen die me begeleiden weten niet beter dan dat ik een inspecteur ben van de gezondheidsdienst en ze zullen me laten zien dat alles piekfijn voor elkaar is. Ze brengen me op mijn verzoek ook netjes naar de koelcellen waar het gedoneerde bloed ligt opgeslagen.

“Bent u zeker dat dit allemaal in orde is?” vraag ik de mannelijke helft van mijn begeleidend duo.

Absolutely, sir,” zegt hij. Alles is netjes geregistreerd in de computer. Hij laat me alles zien. Op het moment dat hij ingelogd is in het systeem, maak ik hem op mijn vampiermanier duidelijk dat de gezondheidsdienst bij deze inspectie een proef doet. Van het opgeslagen bloed wordt een monster opgevraagd, bij voorkeur O-positief. De man knikt begrijpend en schrijft netjes een van de voorraadzakken uit terwijl de vrouwelijke helft van het duo een zak uit een rek pakt en die aan me overhandigt. Ik inspecteer de zak. Ik weet intussen waar ik op moet letten na al die jaren ervaring. Het is de juiste bloedgroep. Perfect, daar zal Hille blij mee zijn.

Ik vraag de twee om me weer naar buiten te begeleiden want, zoals zij ook begrijpen, kan ik deze zak niet te lang buiten de koeling houden. Dat zou de kwaliteit niet ten goede komen en daarmee zou ‘de dienst’ dan weer niet blij zijn.

De twee zijn dankbaar voor een zeer positieve waardering van hun instelling en bellen zelfs een taxi voor me. Ik weet dat ik net weer eens bloed gestolen heb. Niet iets om trots op te zijn. Mijn vroegere, levende ik zou zulke praktijken zwaar veroordeeld hebben, maar ik leef niet meer. Levenden doden dieren om zich te voeden. Ik neem iets van een levende mee om mijn vriendin en partner mee te voeden zonder dat er iemand voor hoeft te overlijden. Op die manier is wat ik doe eigenlijk een stuk netter.

De taxi komt vrij snel. Ik geef de chauffeur het adres van het hotel, en een half uur later ligt de zak in de koelkast van onze suite.

*

Onze verrassing was groot toen Nel, de dienstmeid, vertelde dat het niet haar idee was geweest om ons binnen te halen, maar het idee van Mevrouw van der Marel, de echtgenote van de heer des huizes.

“Ze vond jullie sympathiek uitzien en zo zielig in die natte, besneeuwde kleren,” zei Nel. “Ik zal haar vertellen dat jullie hier zijn. Ik denk dat ze jullie iets wil vragen.”

Hille vroeg waar ik aan dacht. Ik zei haar dat de naam Van der Marel iets betekende. Ik had die vaker gehoord maar ik kon me niet herinneren waar. Dat werd duidelijk toen Nel met een dame terugkwam. Mevrouw van der Marel. De vrouw in haar rijke kledij bekeek ons alsof ze iets op een markt keurde. Heel vreemd want ze zag eruit alsof ze nooit op een markt kwam.

“Wie zijn jullie.” Het klonk als een bevel. Hille keek me aan dus stelde ik ons voor.

Ik gebruikte onze eigen namen, vertelde dat we uit Vlaardingen kwamen en dat we een hoop tegenspoed hadden gekend. “Onze excuses voor ons haveloze voorkomen, mevrouw.”

“Jullie horen bij elkaar,” zei de vrouw. Weer geen vraag. “Wij zoeken twee bedienden. Jullie zouden dat kunnen zijn. Bespreek het met Nel. Zij zal me informeren.” Mevrouw van der Marel draaide zich om en verdween uit de keuken. Ik vroeg aan Nel waarom de dame des huizes naar de keuken was gekomen.

“Ze wil niet dat jullie de vloer in de hoofdkamer bevuilen,” was het eenvoudige antwoord. Het was logisch; we zagen er niet schoon uit en dooiende sneeuw druppelde nog steeds van ons af. “De mevrouw wil jullie een eerlijke kans geven.” Nel keek ons aan. Ik vroeg wat dat voor kans moest zijn.

“De mevrouw zoekt een hulp voor mij en ook een voor meneer. Er is veel werk te doen en ik kan dat niet allemaal alleen sinds meneer wethouder is geworden.” Toen Nel dat zei wist ik het weer: mijn vader had over wethouder van der Marel gesproken. Dat ging over rechten om op bepaalde plaatsen met de boten te mogen afmeren. “Kunnen jullie lezen?”

“Ik wel,” zei ik. “En ik kan het Hille leren.” Ik had, door mijn afkomst, ook leren schrijven maar dat hield ik nog even voor me. “Ze leert snel.” Vanuit een ooghoek zag ik haar gezicht oplichten. Ze wilde dolgraag leren lezen.

Het was een vreemd gesprek maar Nel leek het gewend te zijn. Ze vertelde dat ze al verschillende mensen binnen hadden gehad maar dat ze niet ‘keurig genoeg’ werden bevonden om in het huis van een wethouder te werken. Aan het eind van het gesprek zei de dienstmeid dat we moesten gaan en de volgende dag in de ochtend terug moesten komen hier.

Toen we weer op straat stonden was het gestopt met sneeuwen.

“Komen we hier morgen terug?” vroeg Hille. “Ik vond haar wel aardig.” Ze likte haar lippen af. Ik snapte dat wel, want Nel was warm. Ik kon haar bloed in die warme keuken ook ruiken al had ik er niets aan.

“Ik denk dat we terug moeten komen hier,” zei ik. “En dan ‘keurig’. Nettere kleding en zo, en schoon.” Waar we die kleding vandaan moesten halen wisten we nog even niet maar daar zouden we wel wat op vinden. We hadden nog een groot deel van de dag en de hele nacht…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reactie Spam Blokkade door WP-SpamShield