Ottomar deel 3. Het gaat over drank.

Otto en Hille

3 – Rode wijn, port en zonlicht

Vandaag is het een drukke dag. Er is nieuwe software in gebruik genomen waar wij als programmeer-team hard aan hebben gewerkt. We hebben ons kapot getest en we zitten nu bovenop de hoofdconsole om te zien of alles ook blijft werken. We hebben met zoveel mogelijk mensen tegelijk geprobeerd om het systeem te laten crashen maar dat is ons niet gelukt. Tot nu toe hebben de andere medewerkers het ook niet voor elkaar gekregen en dat doet ons deugd.

“Nog een half uurtje kijken, jongens,” zegt Gert, de programmaleider, “en dan geloof ik het wel. Dan gaan we dit vieren.” Een aantal anderen blijven bij de console hangen om te kijken hoe het systeem wordt gebruikt. Ik vind het wel best. Als het fout gaat dan is er niet veel nodig om dat te zien. Ik ga verder aan een stuk software waar ik graag aan knutsel. Het is iets dat geen haast heeft. Plots hoor ik iemand dichterbij komen. Vampiers horen nou eenmaal beter dan levende mensen, net als dat we een hoop andere dingen beter kunnen. Of in elk geval anders doen. Ik denk ‘beter’.

“Hé, Otto, ga je nog mee?” De collega geeft me een klap op een schouder om me te laten schrikken. Ik speel mee om niet op te vallen. Mijn zwaaiende hand laat mijn computermuis door de lucht vliegen en nog net op tijd bedenk ik dat die beter te pletter kan vallen dan dat ik het ding grijp. Dat ziet er menselijker uit, al zou ik dat ding wel tien keer uit de lucht kunnen plukken.

“Gert! Kostenpost Otto!” wordt er geroepen terwijl iedereen lacht. Goed zo, laat ze maar lachen. Hoe minder ik opval, hoe beter.

“Ik zeg toch dat zo’n ding aan een draadje beter is,” mopper ik terwijl ik de restanten van de uit-elkaar-gespatte muis opveeg. Goedkoop spul. Een tientje meer en je hebt een muis die tegen een stootje kan. Ze lachen weer. Ik ben nogal ouderwets in dit soort dingen. In de kast liggen nog stapels muizen dus de volgende dag kan ik zonder probleem weer verder.

We verlaten het kantoor, allemaal blij dat de programmatuur tot nu toe zonder storing draait. Ik heb aangeboden om vanavond nog even te gaan kijken of de nachtroutines ook goed gaan, want die draaien dan met heel wat meer informatie. We lopen vol goede moed naar de stamkroeg van het bedrijf. Raar dat een bedrijf een stamkroeg heeft eigenlijk, maar het is dichtbij en meestal wel leuk daar. Ze zijn daar onderhand ook gewend aan mijn rode-wijn-of-port-wensen, wat wel zo prettig is. Ik ben er vandaag weer aan toe.

*

“Kijk,” zei Pier toen ik aan de tafel was gaan zitten. “Ik zei dat ge stom waart geweest, ja? Wij zijn vampiers, gelijk gij nu zijt.”

“Wat zijn vampiers?” viel ik de man in de rede. Ik had nog nooit van zoiets gehoord.

“Vampiers zijn wezens die op mensen lijken maar die dood zijn geweest,” verklaarde Pier. “De meeste vampiers drinken mensenbloed om te kunnen leven.” Hij wees even naar Hille. “Da’s wat zij u gaf daarjuist.”

“Mensenbloed?” Ik staarde de man aan. Hij moest gek zijn want wie zou zoiets doen?

“Hij spreekt de waarheid,” zei Hille, die ook was aangeschoven. “Dat was mensenbloed. Gelukkig heb je niet te veel verspild want het is moeilijk om aan meer te komen zonder op te vallen.”

“Kijk,” zei Pier weer. Iets in zijn stem zorgde ervoor dat ik hem aan moest kijken. Later zou ik leren dat dat een van de vele trucjes was die vampiers ter beschikking hadden. “Soms zijn er vampiers die geen bloed kunnen verdragen. Zoals gij. En zoals ik. Want ik heb u gekeerd. Heel soms gaat dat over van de een vampier naar de ander. Ik heb er vier gekeerd nu en gij zijt de eerste die dit ook heeft.” De man reikte over de tafel naar een fles waar hij de kurk uittrok. “Hier. Een flinke teug en ge voelt u beter.”

Ik pakte de fles en rook eraan. Het was rode wijn maar van een slechte kwaliteit. Moest ik dat drinken? Aan de andere kant zou het wel de vieze smaak van het bloed uit mijn mond wassen dus deed ik wat me was opgedragen. Bijna voor niets want de vieze smaak werd vervangen door een andere, al was de oorsprong van de tweede wel beter.

“Beter, wat?” Pier keek me oprecht belangstellend aan. “Hoe ouder de wijn, hoe beter. Of port. Port is nog beter maar da’s bekans niet te betalen.” Hij stak een hand uit en wees naar de fles. Ik gaf hem de fles en hij dronk die ineens leeg.

“Zeg, heb je een naam?” vroeg Hille.

“Ottomar,” zei ik.

Hille knikte. “Altijd beter om een naam te weten.” Ze keek naar mijn kleding en betastte de stof van mijn jas. “Mooi. Duur. Goeie familie zeker.”

Ik reageerde daar niet op. Misschien waren ze gewoon op het geld van mijn familie uit, en op dat van Annegiens familie. Dat zou ze niet lukken! “Ik weet niet wat jullie van mij willen,” zei ik terwijl ik opstond en even op mijn benen wankelde. Wat voelde ik me toch raar. “Wat ik wel weet is dat ik weg moet. Ik hoor niet bij jullie dus eis ik dat jullie me laten gaan. Als jullie me niet tegenhouden zal ik jullie niet bij de schout rapporteren.”

“Haha, als we je niet laten gaan dan doe je dat ook niet,” zei Straffe, die zijn hoofd schudde. “Hille. Laat hem de deur zien.”

Hille stond op als of ze zijn dienstmeid was en liep naar een deur die in een duistere hoek van de keet zat. Even vond ik het vreemd dat ik die deur gewoon kon zien terwijl ik wist dat die in het duister verscholen lag. En hoe wist ik dat? Voor ik daar verder over kon nadenken was ik al bij de deur.

“Doe je ogen dicht,” zei Hille, die haar hand op de deurknop hield.

“Waarom? Staat de duvel buiten?” Ik begreep haar zorgen niet.

“Voor jou wel,” zei ze. “Weet je het zeker?” Ik knikte en sloot mijn ogen. Ik hoorde hoe ze de deur opende en meteen kreeg ik een dreun, alsof iets groots en zwaars pijnlijk tegen me aan klapte. De deur was dicht voor ik de grond raakte.

“Wat was dat?” wilde ik weten terwijl langzaam het pijnlijke gevoel wegebde. Ik knipperde met mijn ogen tot de vreemde witte vlekken weg waren. Waar kwamen die vandaan?

“Zonlicht,” zei Hille. “Als je pas gekeerd bent dan heb je daar last van. Dat moet je oefenen.”

“Oefenen? Zonlicht?” Ik krabbelde overeind en hield me met moeite staande tegen de muur. “Zonlicht is goed voor een mens. Ga aan de kant, ik heb dingen te doen.” Meer struikelend dan lopend begaf ik me naar de deur en trok die open.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reactie Spam Blokkade door WP-SpamShield