Ottomar. Deel 4. Over sterk zijn.

Otto en Hille

4 – De sterke staaltjes

Ontwaken was als de hel. Ik had het gevoel alsof ik in brand stond. Bewegen leverde nog meer pijn op maar daar kwam ik heel snel achter.

“Hij is wakker,” hoorde ik Hille zeggen.

“Mooi.” Dat was Straffe. “Pier is straks terug met wat flessen. En onze Ottomar heeft denk ik wel geleerd te luisteren.”

“Wat is er gebeurd?” vroeg ik.

“Je liep tegen de zon aan,” zei Hille. “Ik had nog gezegd…” Ik voelde haar koele hand op mijn voorhoofd. Ze vertelde me hoe zij gekeerd was door een vampier uit een ver land. Die was op een schip hierheen gekomen. Die vampier had Pier en Straffe ook gekeerd, en hij had hen drieën geleerd hoe ze nu moesten leven. “Het is echt belangrijk dat je luistert en leert, Ottomar,” zei ze, “anders overleef je de eerste maanden niet.”

Ik luisterde naar haar. Ze vertelde dat de eerste drie of vier maanden belangrijk waren om te wennen aan het vampier-zijn. Zonlicht was dodelijk in die periode, en na een paar maanden zou ik in de vroege ochtend of late avond naar buiten mogen om weer te wennen. ’s Nachts hoefde ik nergens bang voor te zijn want dan was er geen zon.

Het duurde niet lang voor Pier terugkwam. Het vreemde was dat ik had gehoord dat hij eraan kwam, iets dat ik me op dat moment niet eens realiseerde. Hij had, zoals Straffe al had gezegd, flessen bij zich. Een aantal met wijn en een aantal met bloed. Ik wilde niet weten waar hij dat bloed vandaan had en het schokte me te zien dat Hille op zo’n fles aanviel en die enthousiast leegdronk. Pier bracht me persoonlijk een fles wijn.

“Hier. Drinkt. Voelt ge u spoedig beter.” Hij grijnsde. Ik dronk van de wijn en voelde hoe kracht weer in mijn lijf stroomde. Nadat ik de hele fles leeg had gedronken voelde ik me echt beter.

De nacht daarop ging ik met de drie anderen naar buiten. Hille had opdracht gekregen om bij me te blijven en te zorgen dat ik niet weg zou lopen. Het eerste uitstapje was naar het kerkhof. Of ze dat deden om me te treiteren heb ik nooit uitgevonden. Wat me meteen opviel toen we naar buiten gingen was dat ik kon zien alsof het dag was. Ik vroeg aan Hille of dat normaal was. Ze beaamde dat dit normaal was ‘voor ons soort’.

“Er zijn nog meer dingen normaal nu. Of die snel genoeg normaal zijn,” zei ze. In de weken en maanden daarop kwam ik daar wel achter. Ik was altijd al sterk geweest maar nu leek mijn kracht eindeloos. Ik kon zonder moeite een paard optillen. Ook waren mijn reflexen veel sneller dan eerst en ik kon razendsnel bewegen. Dat was hoe Straffe me die ene avond te pakken had genomen. Het duurde een tijd voor ik dat allemaal onder controle had.

We bleven meestal op plaatsen waar de gewone mensen zich in de nacht liever niet ophielden. Zo werden we niet ontdekt maar soms moesten we Vlaardingen in. Pier was niet van plan om constant flessen voor mij te halen, en de anderen moesten ook hun deel doen om aan hun rantsoen te komen.

De eerste avond dat ik meeging op zo’n tocht kwamen we heel dicht in de buurt van het huis waar mijn familie woonde. Ik had verschillende keren tegen mijn medevampiers gezegd dat ik mijn familie wilde zien, maar zij hielden vol dat dat niet goed was.

“Ze denken dat je dood bent. En dat ben je ook.”

“Maar ze hebben nooit mijn lichaam gevonden,” had ik tegengeworpen.

“Er verdwijnen vaker mensen die nooit terug worden gevonden, jong,” waren Straffes woorden. “Deels door dieven en moordenaars. En deels door ons.”

#

De telefoon gaat. Niemand hoort dat behalve ik, want het ding staat heel zacht. Hard genoeg voor mij. Ik weet dat het Hille is. “Hé, hoe is het?”

“Waar ben je? Ik moet eruit vanavond.” Haar stem klinkt dringend. Ze heeft dorst. Ik zeg haar waar ik ben en dat ik zo snel mogelijk naar haar toe zal komen. “Graag. Ik wacht beneden op je…”

Ik zeg tegen mijn collega’s dat Hille me nodig heeft en neem hun goedbedoelde grapjes van onder de knoet zitten heel even in ontvangst. Dan leg ik een handvol geld op tafel, mijn deel van de gezamenlijke rekening, en ik ga snel naar buiten.

We wonen gelukkig niet ver hiervandaan. Omdat het al laat en donker is, zijn er niet veel mensen en auto’s onderweg. Ik kan goed snelheid maken en schiet van straat naar straat terwijl ik bedenk waar we de laatste keren zijn geweest voor haar. Binnen vijf minuten sta ik bij Hille, die haar armen om zich heen heeft geslagen.

“Fijn dat je er bent,” zegt ze en knuffelt me even, maar het voelt hard en koud.

“Je hebt te lang gewacht,” mopper ik.

“Ik dacht dat het wel ging.” Ze kijkt me aan met haar grote, donkere ogen. “Sorry.”

“Komt goed. Ik denk dat we een fatsoenlijke kans maken vanavond.” Ik zeg haar de naam van een bloedbank in de buurt waar we al maanden niet zijn geweest en ze knikt opgetogen.

“Dat was een goeie, vorige keer.” Ze pakt mijn hand en we beginnen te lopen, gewoon alsof we aan het wandelen zijn. Het is bijzonder dat zij vroeger zo voor mij zorgde en dat ik dat nu voor haar doe.

Na een kwartiertje zijn we bij het gebouw. Onderweg heb ik haar een beetje bezig gehouden door over het nieuwe programma te vertellen, en het uitje in de kroeg. Ze grinnikt als ik haar over de grappen vertel, maar haar ogen zoeken al de makkelijkste weg naar binnen. Achter de dikke muren en de stalen deur van de bloedbank ligt opgeslagen wat ze nodig heeft. Het zou te makkelijk zijn om die deur open te rukken. Het is ook te opvallend. Wij gaan via het dak, waar we met een stevige sprong op terecht komen. Het is drie hoog en daar is een luik dat gebruikt kan worden bij brand of andere ellende. Uit ervaring weten we dat het nooit afgesloten is, omdat het slot ooit kapot is gegaan en de reparatie veel te duur is.

Ik trek het luik open en glijd naar binnen. Uit gewoonte vang ik Hille op als zij ook naar beneden springt. Ze heeft dat niet nodig maar het voelt goed. Lang staan we daar niet; ze heeft bloed nodig. In het donker dat voor ons niet donker is lopen we een etage naar beneden en vinden de koelruimtes.

“O en A positief,” zegt Hille als we in de ruimte staan. Ze herhaalt de twee bloedtypes als een mantra. We weten het allebei al lang. We hebben velen van ons soort zien sterven doordat ze te vaak de verkeerde bloedsoorten tot zich namen. Het is geen prettig gezicht om een vampier op die manier de tweede dood door te zien maken. Het is niet als met een mens dat het ineens afgelopen is; de tweede dood duurt verschillende minuten en is pijnlijk.

Hille heeft vier zakken in haar handen.

“Vier? Vorige keer had je er twee,” zeg ik.

“Het is erg, Otto. Heel erg.” Ze kijkt me bijna smekend aan. Met deze bloedbank heb ik een soort ongeschreven deal dat we af en toe twee zakken meenemen. Vier is dus erg veel want ik weet dat ze om donors zitten te springen.

“Oké. Voor deze keer dan.” We verlaten de koeling en ik pak mijn portemonnee. Ik leg vierhonderd euro op een bureau; de vergoeding voor vier zakken. Het voelt als veel te weinig dus leg ik er honderd bij. Als ik zie dat Hille op het punt staat in een zak te bijten, schiet ik naar haar toe en houd haar tegen. “Hille. Buiten pas.” Als ze haar tanden eenmaal in zo’n zak heeft drinkt ze hem helemaal leeg, maar het maakt wel vaak troep en dat wil ik hier binnen niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *