Ottomar. Deel 5. Goed bloed.

Hier is alweer deel 5 van de Ottomar en Hille geschiedenis. Ik ben benieuwd of er animo is om meer hiervan te lezen. Ik hoor het graag, via een commentaartje onderaan dit hoofdstuk, of via het contactformulier.

🙂

Otto en Hille

5 – Goed bloed

Eenmaal op het dak doet Hille zich tegoed aan een van de zakken terwijl ik de andere drie vasthoud. Ik zie dat het echt erg moet zijn geweest voor haar; zo gaat ze normaal niet tekeer. Als de zak leeg is staat ze te hijgen. Niet van vermoeidheid; vampiers worden niet moe, maar van voldoening. Een soort bedankje van haar lijf. De onderste helft van haar gezicht is rood van het bloed, haar kleren zijn besmeurd en er liggen zelfs wat kleine plasjes op het dak.

“Dank je, Otto,” fluistert ze terwijl ze met haar vingers haar gezicht afveegt en ze aflikt.

“Waarom heb je het niet eerder gezegd, stomme trien?” vraag ik haar. Ik zie dat haar ogen naar nog een zak kijken maar dat gaat niet gebeuren vanavond. Op één zak kan ze een behoorlijk aantal dagen teren. Nu nog een zak zou die tijdspanne niet echt langer maken. Hille trekt haar bovenlip op. De twee lange tanden zijn nog goed zichtbaar.

“Jij bent de enige die dat zegt en het niet berouwt,” fluistert ze. Ik weet dat ze een strakke hand nodig heeft op deze momenten, anders zou ze de hele bloedbank ruïneren. Dan zou ze ook binnen de kortste keren aan de verkeerde bloedgroepen beginnen, waardoor ze zwak zou worden. Ze zou dat niet overleven.

“Kom op, troel,” zeg ik tegen haar. “Ik breng je naar huis en stop je in bad.”

Hille schiet in de lach en loopt naar de rand van het dak. “Daar lig ik al in tegen de tijd dat je thuiskomt, en dan trek ik je het water in.” Een tel later is ze verdwenen. Ik loop ook naar de rand van het dak maar ze is de straat al uit. Ze is altijd zo vreselijk sterk en snel als ze gedronken heeft. En ze let niet zo goed op in zo’n overmoedige bui. Ik kijk of er niemand in de straat is. Nee, alles veilig, dus pak ik de drie zakken stevig vast en spring omlaag, blij dat ik vanavond die glazen rode wijn heb gehad. Zonder die zou dit toch wat meer moeite kosten.

Als ik thuis kom vind ik Hille’s kleren op de grond. Het spoor eindigt bij de badkamer waar ze onder water ligt. Ik loop toch eerst even weg om die zakken op te bergen want ik ken haar. Dat kon anders vanavond nog wel eens fout gaan. Ik kom terug in de badkamer, waar ze nog steeds onder water ligt, nu met een grijns op haar gezicht. Snel kleed ik me uit waarna ze een hand boven water steekt. Ik pak haar vast. Met een snelle ruk sleurt ze me het bad in. Water spat overal heen.

*

De eerste keer dat ik de drie hielp aan bloed te komen zal ik nooit vergeten. Er waren altijd wel ergens schooiers en schurken te vinden die het volgens Straffe en Pier verdienden om als avondeten te dienen. Het was vreemd om me te realiseren dat ik dat ook vaker had gedacht. Ik had die leeglopers en nietsnutten dan niet meteen met avondeten in verband gebracht, maar ze maakten het leven voor de gewone burgers vaak wel onplezierig. Nu werd ik geconfronteerd met de harde realiteit: we gingen er een ophalen en ‘van kant maken’.

Gezamenlijk liepen we een buurt in die evenzeer gemeden werd als het oude kerkhof. Hier was het tuig van de richel te vinden. De leeglopers en gauwdieven. Niemand zou een van deze lieden missen als hij – of zij – zou verdwijnen. Hille, die een tas met lege flessen bij zich had, hield me tegen toen ik met Pier en Straffe vooruit wilde lopen.

“Wacht hier met mij,” zei ze. “Jij weet nog niet hoe dat moet. In het begin is het moeilijk maar het went heel snel. Vooral als je bloed nodig hebt.” Haar woorden lieten me rillen. Bloed. Ik was bij wezens die bloed nodig hadden om te overleven. Ja, wezens, want dit waren toch geen mensen meer? Ik realiseerde me daarop weer dat ik een van hen was. Ook een wezen. Geen mens meer. “Let op wat ze doen.” Ze hield mijn hand vast. Ik wist dat ik geen kant op zou kunnen zolang ze dat deed, tenzij ik mijn arm af zou hakken. Ze was zoveel sterker dan ik.

We keken vanuit de schaduw toe hoe de mannen langs de dronkenlappen en schooiers liepen. Het was alsof ze op een markt liepen om groenten te keuren. Een van de liggende figuren kwam deels overeind en vroeg met dubbele tong wat de twee kwamen doen. Ik verschoot omdat ik dat op die afstand kon horen. Hille lachte zachtjes toen ze mijn schok voelde.

“Wij komen ‘nen vriend zoeken,” zei Pier terwijl hij en Straffe bij de dronken spreker neerknielden. Het was te ver weg om te zien wat ze precies deden maar na een snelle beweging van Straffe tilden de twee de dronkenlap op en sleepten hem mee in onze richting.

“Nek gebroken,” verklaarde Hille alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Dat was het voor haar natuurlijk ook.

“Hier, doe jij ook eens wat,” zei Straffe toen ze met de dode man bij ons waren aangekomen. Hij hees het lichaam op en gooide het naar me toe. Hille liet mijn arm los zodat ik de dode op kon vangen. Tot mijn verbazing woog de man bijna niets, tot ik me herinnerde dat het aan mij lag. Ik was een vampier. Ik was sterker dan ooit.

Straffe en Pier liepen vooruit en Hille volgde me. We liepen naar een duister deel van de haven waar Pier een aantal flessen uit Hilles tas pakte. Straffe nam de dode man van me over en legde die op de grond zodat des mans hals duidelijk te zien was. Straffe keek op naar Hille en knikte. Ze knielde neer en zuchtte. Toen beet ze in de nek van de dode.

“Hé, hé, niet alles opdrinken,” zei Straffe na een paar seconden terwijl hij haar bij de haren greep en omhoog trok. Hille grauwde als een wild beest en zo zag ze er ook uit. Ik zag twee lange tanden in haar mondhoeken die ik nooit eerder gezien had. Bloed liep over haar kin en ze leek klaar om Straffe te bespringen. Langzaam likte ze haar lippen af en leek toen in haar lot te berusten, terwijl Pier de dode man bij de benen pakte. Hij tilde het lijk op en hield het ondersteboven. Straffe hield de flessen klaar en ving het bloed op dat uit de wonden in de nek liep. Ik keek toe alsof ik in een kwade droom terecht was gekomen. Die twee lieten de dode man leeglopen in flessen!

Naderhand werd het lijk in de haven gegooid. De flessen gingen in de tas en zo wandelden we het oude Vlaardingen in om voor Pier en voor mij nog wat port of wijn te arrangeren…

Eén gedachte over “Ottomar. Deel 5. Goed bloed.”

  1. Ik ben zeer benieuwd hoe het verder gaat. Ze worden vast een keer ontdekt en door de politie gesnapt. Ben benieuwd hoe ze zich daar uit redden.

    Dat je steeds switcht van heden naar verleden vind ik een beetje storend. Maar het is jouw verhaal, dus jij bepaalt de volgorde van tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *