Ottomar. Deel 6. Slapen en waken

Otto en Hille

De dagen en weken gingen snel in mijn nieuwe gezelschap. Een paar keer probeerde ik te ontsnappen en mijn familie te bezoeken, maar voor ik de smerige straat uit was had Straffe me al te pakken. Na vier pogingen gaf ik het maar op. Volgens mij vond Straffe dat best jammer maar ik leerde over het algemeen erg snel.

Wat ik vreemd vond, en waar ik maar met moeite aan kon wennen, was dat we niet sliepen. We werden niet moe zoals levenden (het viel me in het begin zwaar om dat te zeggen in plaats van ‘gewone mensen’) dus hadden we geen slaap nodig. Wel waren we vaak niets aan het doen. Dan zaten of lagen we maar ergens, starend, wachtend tot de tijd voorbij was. Het ergste vond ik op een gegeven moment dat ik alleen naar buiten kon als het niet licht was. Een voordeel was dan weer dat het herfst was en de zon was vaak afwezig. Daardoor kon ik het buiten-zijn makkelijker oefenen.

Op een duistere, regenachtige namiddag stelde Hille voor dat zij en ik een stuk zouden gaan wandelen. Pier en Straffe vonden het prima, die lieten het de laatste tijd helemaal aan haar over om voor mij te zorgen, voor zover dat nog nodig was. Zij vonden dat ze belangrijker dingen te doen hadden, zoals liggen wachten tot het donker was om weer een zwerver leeg te laten lopen.

“Je doet het goed,” vertrouwde Hille me toe toen we de bouwvallige hut verlaten hadden en een stuk gewandeld hadden. De regen stroomde om ons heen alsof we door een rivier liepen. “We hebben twee anderen gehad die het niet volhielden. Een is de zon ingelopen voor ze er aan toe was. De ander moesten we… beëindigen.” Dat klonk onprettig. Ik vroeg haar wat dat betekende. “We hebben hem verbrand. Dat is een van de weinige manieren waarop een vampier uit zijn bestaan kan worden verlost.”

“Verlost?” Dat woord verbaasde me.

“Ja. Het is het enig juiste woord. Als je niet meer wilt of kunt en je kunt niet sterven dan moet je verlost worden, of beëindigd. Door eigen toedoen of dat van anderen. Het is niet fraai om te doen.”

“Waarom ben je nog steeds bij Pier en Straffe,” wilde ik weten. “Jij kunt toch iets beters vinden?” Ik keek haar aan. Regen spoelde langs haar gezicht en maakte dat ik iets voelde dat ik me herinnerde. Even zag ik het gezicht van Annegien voor me. Toen zag ik Hille weer.

“Er was nooit iemand om mee samen te zijn,” zei ze. In haar gezicht zag ik ook een verandering. “Tot nu.” Ze zei die laatste twee woorden bijna onhoorbaar – behalve voor mijn oren.

We stonden in de stromende regen een hele tijd naar elkaar te kijken. Toen stak ik mijn hand uit en ze pakte die vast. Ik trok haar tegen me aan. Midden op straat. Het interesseerde me niet wat iemand ervan zou denken.

“Als ik wat verder ben als vampier… Dan vertrekken we,” zei ik. “Jij en ik.”

Haar ogen begonnen te stralen en een moment later vond haar mond de mijne. Het duurde een hele tijd voor we weer in beweging kwamen.

“Duurde lang voor jullie terug zijn,” zei Pier toen we druipend de keet weer binnenkwamen. “Gaan zwemmen?”

“Nee,” zei Hille. Ik reikte in de diepe zakken van mijn mantel en haalde drie flessen port tevoorschijn.

“Ohoo….” Pier kwam daar helemaal voor overeind. “Het goei spul ook nog.”

“Speciaal voor jou gevonden,” zei ik. “Op een wachtende kar. Het was maar nat aan het regenen.” Uiteraard had ik voor mezelf een fles achtergehouden, anders was die ook door Pier in beslag genomen. Sinds ik bij het groepje was had hij zichzelf tot leider gebombardeerd, iets wat Straffe totaal niet boeide.

*

“Het was de juiste beslissing om toen samen weg te gaan,” zegt Hille als we uit het bad stappen. “Met die twee losers zou ik zo oud niet zijn geworden. En zeker niet hebben bereikt wat ik nu heb bereikt.”

Ik weet dat ze gelijk heeft. Pier en Straffe waren blokken aan haar been. “Klopt. Hebben we goed gedaan. Ik ga nog even weg om te kijken of alles goed draait. Als je wilt dan kom je mee.” Aan haar blik kan ik het antwoord al aflezen.

“Netflix.”

Precies. “Leuke serie over vampiers gevonden zeker,” plaag ik haar terwijl ik mijn kleren opraap. Die hebben onze stoeipartij in de badkuip niet droog doorstaan.

“Nee, wel iets over een paar computernerds die geen vrouw kunnen krijgen,” kaatst ze terug. “Die doen me soms een beetje aan je collega’s denken. Maar niet aan jou.” Hille slaat haar armen om me heen en legt haar hoofd op mijn schouder. “Zorg dat je snel terug bent. Ik wil nog naar buiten vannacht. Gek doen.”

“Als je meegaat kan dat eerder,” zeg ik tegen haar maar zij vindt het fijner om hiervandaan te vertrekken. Voor ik de deur uit ben, zit ze al met de afstandsbediening in de hand en roept “Nerd!” achter me aan. Lachend trek ik de deur dicht.

Het is nog donkerder dan eerst. Prima, dan hoef ik niet zo op te passen. Binnen recordtijd ben ik bij mijn werk en ga snel naar binnen. Het vraagt amper tijd om te zien dat alles goed loopt. Gaaf. Ik geef de lucht voor mijn scherm even een high-five en ben snel weer buiten.

“Ben je nou al terug?” Hille zet het programma op pauze. “Dit is nog niet afgelopen.” Ze kijkt zowaar sip want nu moet ze kiezen tussen het programma af kijken en meteen de deur uit. “Jij ook met je gehaast,” moppert ze om tijd te rekken. Ik ga op mijn gemak naast haar zitten op de bank en til haar op mijn schoot.

“Zet maar aan. Kijken we samen.”

“Jij bent gek,” besluit Hille. “Je vindt dat programma niet eens leuk.”

“Maar ik vind jou leuk en het is fijn als ik je zo dichtbij heb. Nou, zet dat stomme ding aan anders komen we nooit weg.”

Lachend drukt ze op de knop en de aflevering speelt verder. Gelukkig duurt het niet lang want ze heeft gelijk: dit is niet echt mijn soort programma, al zitten er best leuke momenten in.

De TV gaat uit en we staan op. “Jij mag zeggen waar we heen gaan,” stel ik voor. “Jij wil zonodig de deur uit.”

“Alsof ik dat nog niet had bedacht,” zegt Hille. “We gaan een rondje rennen. Naar het ziekenhuis en terug.” Het ziekenhuis ligt twaalf kilometer verderop.

“Ik had wel wat meer verwacht, eerlijk gezegd. Daar hoef ik geen sportschoenen voor aan te trekken.”

“Pffft, die heb je niet eens. Heb je gezien wat ik vanavond gegeten heb? Een beetje rustig kan geen kwaad hoor.” Hille grijnst van oor tot oor. Ze vindt het leuk om dit soort levenden-dingen te zeggen.

We gaan naar buiten en zetten het op een lopen. Het gaat hard. Heel hard. Als we bij het ziekenhuis zijn kijk ik op mijn horloge. Vier minuten.

“En?” vraagt Hille terwijl ze over mijn schouder hangt. “Rustig genoeg?”

“Ja, erg rustig,” zeg ik met een grijns. “Als we dat een uur volhouden zijn we honderdtachtig kilometer verder.”

“Wauw. Niet slecht voor iemand met een volle buik,” grapt Hille. “Ik dacht het wat kalm aan te doen. Voor jou.”

“Jij bent lief,” zeg ik en gooi haar over mijn schouder. Dat had ze niet verwacht, en of ze nou vampier is of niet, ze gilt echt.

“Zet me neer, gek! Wat moeten ze wel denken!”

Nou, eerlijk gezegd interesseert me dat geen zier. Rustig begin ik te wandelen terwijl ik Hille maar met moeite onder controle houd, ondanks dat ze nu vreselijk moet lachen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *