Ottomar deel 7. Subtiel

Beste volgers van Otto en Hille. Het klopt: vorige week was er geen aflevering hier. Er kwam teveel tussendoor en dus besloot ik de nieuwe uit te stellen tot vandaag. Omdat het nu vandaag is… is hier deel 7!

Otto en Hille

7 – Subtiel

Hille belt me op. Dat gebeurt wel vaker, maar niet midden op de dag.

“Hé, wat is er?” vraag ik terwijl ik naar buiten loop. De anderen hoeven niet te worden gestoord als ik bel. Niet nog gestoorder, zou Hille zeggen.

“Slecht nieuws, Ottomar.” Het feit dat ze mijn originele voornaam gebruikt is echt een voorbode van slecht nieuws. “De directie moet een paar dagen naar het buitenland. Londen. En ze willen dat ik meega omdat mijn Engels zo goed is. Ze gaan besprekingen voeren met een club Italianen over een mogelijke fusie.” Hille’s Italiaans is ook niet van echt te onderscheiden. Waarom dit slecht nieuws is? Als ze mee moet dan is ze zonder toezicht, en dat is gevaarlijk. Niet voor haar, maar voor de mensen waar ze al dan niet direct mee te maken krijgt.

“We hebben nog een zak bloed liggen,” fluister ik in de telefoon. Er lopen wat mensen voorbij die dat niet hoeven te horen. “Daarmee zou je het een tijd vol moeten kunnen houden.”

“Die heb ik vanavond al nodig.”

Ik was al bang dat ze dat zou gaan zeggen, en op zo’n korte termijn wordt het lastig om de voorraad aan te vullen. “Wanneer moet je weg?”

“Morgenavond.”

Shit, dat is echt kort dag. Ik zou nog wat bij de bloedbank kunnen gaan halen maar daar zijn we nog niet lang geleden geweest. Bizar hè, een vampier die omzichtig met andermans bloed omgaat? “Ik zal proberen nog iets voor je te regelen.”

“Je bent te gek,” zegt Hille en hangt op. Allemensen, wat moet ik hier nou mee? Hille is een geweldig iemand maar als de honger toeslaat is ze niet subtiel genoeg om zelf onopvallend iets te regelen. Je kunt beter een kanonskogel vragen rustig aan te doen. Ik denk even na en bel dan de enige die misschien iets kan regelen. Het is, lach niet, Vlad. Hij is ook een vampier, uit Hongarije. Niet zo oud als wij maar we kennen hem al een tijdje. Hij werkt in een ziekenhuis als schoonmaker. Een perfecte baan want wie let er nou op een schoonmaker?

Szia, Ottomar,” begroet hij me op z’n Hongaars.

Szia, Vlad.” Ik leg hem in mijn gebrekkige Hongaars ons probleem uit en vraag of hij kan helpen.

“Ik ben bang van niet, Ottomar,” zegt hij. Ik hoor wat geschreeuw bij hem op de achtergrond. “Er is een grote controle bezig hier, met de auditor, en als er iets weg is dan wordt alles ondersteboven gekeerd.”

Dat is niet wat ik wil horen, maar mooier kan hij het niet maken. “Oké, ik snap het, Vlad,” ga ik verder in het Nederlands. Hij verstaat dat denk ik beter dan mijn Hongaars. “Je moet niet je baan op het spel zetten. Kösz! Dank je!”

Sok szerencsét!” zeg hij. Veel succes. Nou, dat heb ik wel nodig. Ik ga maar eens proberen wat dagen vrij te krijgen. Misschien kan ik ook naar London. Het is zowat de enige optie.

*

Het sneeuwde vreselijk die avond. We hadden een bijna dode vrouw gevonden, zwaar onderkoeld en buiten bewustzijn. Straffe en Hille hadden haar leeggedronken, waarna we het lichaam naar een plek buiten de haven hadden gebracht en in het water hadden gesmeten. Het eb zou het lichaam meenemen en voorlopig zou de zee dat niet teruggeven.

“Kom, halen we er nog een,” zei Straffe, “ik kan het nog wel hebben.” Pier en hij namen, zoals altijd de leiding. Hille en ik lieten hen voorgaan en wij liepen steeds langzamer. We wisten dat dit de avond zou zijn. Ik was tegen daglicht bestand, zij was het met die twee al lang zat en een mooiere dekking dan al die sneeuw vannacht zouden we voorlopig niet meer krijgen.

We zagen de twee leiders ver vooruit een straat inslaan.

“Nu,” fluisterde Hille. Hand in hand begonnen we te rennen, de andere kant op. Het maakte niet uit waarheen, als we maar ver weg kwamen. We hadden allebei een fles bij ons zodat we ons een tijdje konden redden.

Pas toen we in Maassluis waren stopten we. We waren hier wel vaker geweest maar erg goed wisten we hier de weg niet. We vonden een plek in een stal zodat we even uit de sneeuw waren. De kou deerde ons niet maar al dat dikke, vallende spul was op een gegeven moment wel vervelend.

Amper in de stal begon Hille te vloeken. Ik vroeg wat er was. Ze vloekte nog een paar keer flink en zei toen dat ze haar fles kwijt was geraakt. “En ik heb wat nodig, Ottomar. Nu. Die vrouw was heel mager; er zat bijna niks in en Straffe had het meeste al gepakt.”

Dat was nieuws dat mij ook liet vloeken, want Hille zou het heel moeilijk krijgen als ze niet op tijd iets te drinken kreeg, en aan mijn fles port had ze niets. “Goed. Dan gaan we op zoek.” Hier in Maassluis moesten ook zwervers en leeglopers zijn. We moesten ze enkel vinden. In een onbekende plaats die ondergesneeuwd was.

Het was niet vreemd dat we ook hier bij de haven de ontheemden en het gajes vonden. Een aantal probeerden zich te warmen bij een zielig vuur van door de sneeuw doorweekt hout. Het was de rook die ons naar die groep leidde. Voor we de steeg ingingen struikelden we bijna over iemand die onder de sneeuw lag. Ik knielde neer en trok een man omhoog die niet reageerde. Bijna bevroren. Een tel later kreeg ik een dreun en vloog bijna door de lucht, om een meter verderop in de sneeuw te landen. Toen ik weer stond had Hille haar tanden al in des mans nek geslagen en deed zich tegoed aan hem. Ik vroeg me af of zijn bloed nog wel vloeibaar was in deze koude, maar de laag sneeuw had hem blijkbaar goed beschermd tegen te snel afkoelen.

Terwijl Hille dronk, hield ik de ingang van de steeg in het oog. Als iemand haar zag dan zaten we in de penarie. Niemand daar waagde zich echter van het armetierige vuurtje weg, en toen Hille opstond en haar lippen aflikte was ik opgelucht.

“Hier,” zei ik terwijl ik haar een zakdoek gaf. Ze schudde haar hoofd en maakte met haar vingers haar kin schoon. Nadat ze haar vingers had afgelikt keek ze me tevreden aan.

“Nu kan ik weer een paar dagen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *