Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer

Ja. Dat is nog eens een naam. Welkom bij een experiment.

Ik ben van plan een vampierenverhaal te schrijven. Een verhaal over Nederlandse vampieren, waarvan Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer er een is. Elke week zal ik een blokje van een hoofdstuk plaatsen onder de tag #Ottomar.

Welkom in de vreemde wereld van Ottomar, of zoals hij nu heet: Otto van Bree.

1 – Het oude kerkhof

Ik ben Otto. Nou ja, officieel ben ik Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer, maar de meeste mensen vinden dat te lang. Ik ook, trouwens, maar ik ben nou eenmaal in die familie geboren.

Goed, opnieuw. Ik ben Otto. Otto van Bree. En ik heb een probleem. Mijn probleem is dat ik allergisch ben voor bloed. Nou zou je zeggen dat daar wel overheen te komen is. Dat klopt, maar als vampier kijk je daar toch net even anders tegenaan. Zie het als allergisch zijn voor eten. Dan is het toch anders, hè, want eten is overleven. En niet eten… maakt het nogal ongemakkelijk. Oké, van de dood heb ik dus geen last meer want ik had al iets van vampier gezegd, toch? Dat ben ik dus. En daarom ben ik hier en niet waar ik oorspronkelijk hoor.

Ik hoor eigenlijk in de 17e eeuw. Tenminste, dat is waar alles begon. Daar werd ik geboren als kind van normale mensen en daar groeide ik op. Daar leerde ik lezen, want mijn ouders waren goed af voor die tijd, en daar werd ik voor het eerst verliefd. En gebeten. Nee, dat bijten gebeurde niet door mijn eerste liefde; zij was geen vampier.

Weet je, het stomme was dat ik net bij haar en haar familie op bezoek was geweest toen het gebeurde. Het was een mooie avond geweest, Annegien en ik zaten naast elkaar en hielden af en toe elkaars hand even vast. Ik hoor je al denken: is dat nou een leuke avond bij je liefje? Nou, toentertijd was dat heel wat, maar jullie van nu hebben daar geen weet van. Annegiens ouders vertrouwden me omdat ze mijn familie vertrouwden. De Van Breekelenburgh-Hoofmeyers stonden best aardig in aanzien en dat gaf me bepaalde voorrechten. Zoals het vasthouden Annegiens hand bij haar thuis. Je hoort mijn zucht niet, maar het had zo mooi kunnen worden met haar.

Helaas, op die vermaledijde avond, na het afscheid, ging het mis. Ik was wat aangeschoten door de zware port die haar vader zo graag schonk en ik vergat de waarschuwing om niet over het oude kerkhof naar huis te gaan. Het zou daar niet pluis zijn, maar met een kop dronken van de port en een hart dronken van Annegien was ik overmoedig geworden en besloot ik toch de kortste weg te nemen. Zo kwam ik erachter dat het oude kerkhof beslist niet pluis was. Niet pluis, vol gespuis, zo ging het de ronde, maar ik trok me er die avond niets van aan.

In het begin was het lastig om op het kerkhof te lopen want ook overdag durfde bijna geen goed mens zich op het kerkhof te wagen, dus waren de vele paden amper onderhouden. Overal lagen takken en twijgen, en op veel plaatsen lagen de restanten van het slechte leven, achtergelaten door rovers en ander slecht volk. Ik was al verschillende keren gevallen en door de port in mijn aderen werd het opstaan steeds lastiger.

Eén gedachte over “Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *