Clara's ogen – Pagina 2 – Paul's Boekenwereld

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 5.

Clara's ogen

“Gisteren had ik verf aan mijn handen. En dat water van het schoonmaken…” Ron haalde een beetje verf tevoorschijn en zette een glas met water klaar. Met zijn vingers besmeurd en nat ging hij weer rondjes draaien. Hij leunde op tafel en… weer gebeurde er niets. “Dat was het dus ook niet…”

“Nee…” Ron hoorde de teleurstelling in Clara’s stem.

“Ik snap het niet…” Ron krabde aan zijn kin en probeerde nog iets te bedenken. De geur van de verf aan zijn vingers drong in zijn neus en onmiddellijk begon de kamer om hem heen te draaien. Ron voelde zich vallen… zag een hand… greep ernaar… Vlekken blauw, grijs en groen schoten langs hem heen. Een moment later lag hij op dezelfde ondergrond als de avond ervoor.

“Ron!”

Voor hij kon bewegen, zat Clara op haar knieën naast hem en drukte haar lippen op de zijne. “Je bent hier,” zei ze na een tijdje.

Hij keek op naar haar en sloeg zijn armen om haar heen. Ron trok haar bovenop zich en hield haar stevig vast. “Ja. Ik ben hier. En ik ben zo blij dat ik weer hier ben en dat ik je vast kan houden.”

Dat waren de laatste woorden die een tijdlang gezegd werden… tot Clara zich van Ron af liet rollen. “Dat was zo fijn,” zuchtte ze.

Ron ging op zijn zij liggen en keek naar haar gezicht. Het gezicht dat hij zo goed kende en waar nu puur geluk vanaf straalde. Clara draaide haar hoofd naar hem en hij zag haar ogen glinsteren. Ron legde een hand over haar wang. “Bij jou zijn zorgt ervoor dat ik me goed voel, Clara.”

Ze kwam overeind, drukte hem terug op de grond en kuste hem nog eens. Toen ging ze naast hem liggen, met haar hoofd op zijn schouder, terwijl hij een arm om haar heen hield. “Dit maakt me blij, Ron,” zei ze. Voorzichtig legde ze een hand op zijn borst. “Dit, zo dicht als je bij me bent. En om te weten dat je hier bent voor mij.”

Hij knikte en drukte zacht een kus op haar voorhoofd. “Ik zou graag willen dat je met me mee kon komen.” Die woorden lieten een schok door haar heen gaan. “Clara, wat is er?”

“Niets,” fluisterde ze. “Alles is goed. Houd me vast en alles is goed.”

In stilte lagen ze daar, op de grond. Ron besefte dat dit iets was waar hij altijd op had gehoopt, en wat hij zo lang gemist had. Een vrouw zo dicht bij hem. Hij wilde dat dit moment nooit voorbij zou gaan, en hij wilde haar nooit meer kwijt. Even probeerde hij te beredeneren hoe dit allemaal kon gebeuren, want Clara had hem verteld dat zij pas was gaan bestaan nadat hij haar ogen had geschilderd. Zijn gedachten werden zo verwarrend dat hij het maar opgaf, en zich in plaats daarvan concentreerde op haar zachte, warme lichaam tegen het zijne aan.

Pas toen Clara met een vinger de vorm van zijn kin en wang volgde, deed Ron zijn ogen weer open. Haar glimlach deed hem goed, en hij glimlachte ook. Toen was er iets in haar ogen dat hem een beetje liet schrikken.

“Ik denk dat je nu terug moet gaan, Ron.”

Precies de woorden die hij niet wilde horen. “Ik wil niet.” Hij wist dat hij als een klein kind klonk, maar dat maakte nu niet uit.

“Dat weet ik.” Haar lippen raakten even zijn wang. “Maar het is beter dat je dat doet. Jij bent nodig in jouw wereld. Je moet daar slapen, niet hier.”

“En hoe weet jij dat?” Ron hoopte dat dat er niet te vinnig uitkwam.

Clara ging rechtop zitten. “Weet ik niet, maar het is waar.”

Ron kwam ook overeind, wetend dat ze gelijk had. “Ja. Ik moet morgen weer werken. Die Dali schildert zich niet zelf, en als ik daaraan werk kan ik hier blijven en naar jou toe komen.” Hij pakte een van haar handen en kuste de palm. “Jij bent bijzonder, Clara. Je betovert me.”

“En jij hebt mij betoverd, Ron. Jij hebt me… gemaakt.”

Ze stonden op en hielden elkaar nog eens vast. Na een kus keek Ron naar de muur met de vreemde vlekken. “Moet je me weer duwen? Of zal ik proberen te springen?”

“Kun je zelf springen? Ik wil je niet duwen,” bekende Clara. “Ik draai me wel om, zodat ik je niet hoef te zien weggaan. Want dat doet pijn.”

Ron wist precies wat ze bedoelde. Hij gaf haar nog snel een kus en een knuffel, en rende toen de paar stappen naar de vreemde muur. Hij deed zijn ogen dicht en wachtte op de klap – maar die kwam niet. In plaats daarvan was hij terug bij zijn tafel, in zijn appartement, en hij wankelde achteruit. Gelukkig wist hij dat dat zou komen, dus viel hij deze keer niet. “Clara?”

“Ron?”

“Ik ben veilig terug.”

“O… Dan kan ik weer kijken.”

Ron merkte dat ze niet ‘o, goed’ zei. Niet bij elkaar zijn was niet goed. Dat voelde hij zelf ook zo. Hij keek naar zijn nog vochtige hand en veegde die droog. “We kunnen nu bij elkaar zijn wanneer we willen, Clara. Zolang ik maar verfwater heb.” Dat idee maakte het alleen-zijn iets minder erg, maar hij wist waar zij was, alleen, in een doek. Een gevoel van wanhoop maakte zich even meester van hem. Toen voelde hij haar glimlach, en hij voelde zich meteen wat beter.

“Dat is fijn,” zei Clara, “en ik kijk nu al uit naar je volgende bezoek, mijn lieve Ron.”

De schilder zette Clara’s beeltenis voorzichtig op een veilige plek en ging toen naar bed.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 4.

Clara's ogen

Eenmaal uit de trein holde hij naar huis en klopte als een razende op de deur van Marcus’ appartement.

“Ron, jongen! Kom binnen! Wat is er loos? Je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien.” Marcus liet hem binnen en duwde hem in een stoel. “Ik pak een biertje voor je. Dat heb je, denk ik, wel nodig.”

Met het blikje bier in de hand vertelde Ron wat hij had gezien. De oudere schilder liet hem rustig uitpraten en knikte af en toe.

“Ik snap dat je hiervan geschrokken bent, en het is goed dat je meteen naar mij bent gekomen, jongen. Je zag hoe ze veiligheidsspul in de lijst zetten. De klanten vragen daarom. Ze betalen een hoop geld voor hun schilderijen en ze willen die houden. Meneer Ostring vertelde me dat ze daarom camera’s en microfoons in de lijsten zetten, en nog meer van die handel, zodat ze een gestolen werk kunnen traceren. Dat gebeurt wel eens, weet je.” Marcus knipoogde. “En dat zegt meteen wat van de kwaliteit van ons werk, toch?” Hij klopte Ron op de schouder. “Alles onder controle, Ron. Je hoeft je echt geen zorgen te maken.”

“Maar een camera?” Ron vond het nog steeds vreemd.

“Dan kunnen ze meteen de dief filmen en later identificeren. Moderne techniek staat voor niets, Ron. Kijk maar naar de telefoon in je broekzak. Ook zo’n wonderding. Weet je, ik ben blij dat die techniek ons nog niet kan vervangen. Dan kunnen wij lekker blijven schilderen. Dus geen zorgen, Ronnie boy, geniet van je vrijheid en laat Ostring de beveiliging maar regelen.”

Ron zuchtte. Dit klonk allemaal heel logisch. “Dank je, Marcus. Ik was echt even heel erg bezorgd.”

“Dat was te zien, Ron.” Marcus knikte. “Zorg nou maar eerst voor jezelf. Ga wat eten, want we hebben je vanavond gemist. En ontspan je een beetje.”

“Ik was bezig met een Dali,” verklaarde Ron zijn afwezigheid. “En ik schoot een beetje door.” Het voorstel van Marcus was zeker goed. Hij had genoeg ingekocht dus een snelle hap maken was geen probleem.

Toen hij binnenkwam werd hij onmiddellijk begroet door Clara. Haar verwelkoming maakte meteen dat hij zich beter voelde. Terwijl hij wat te eten maakte vertelde hij haar van zijn werk aan de Dali, over de ontdekking en wat Marcus daarvan had gezegd. Toen hij dat eenmaal kwijt was kon hij het van zich afzetten, en na het eten ging hij rustig zitten. Het was te laat om nog iets aan haar schilderij te doen, maar hij kon naar haar kijken terwijl ze praatten.

“Je voelt al veel beter dan toen je binnenkwam, Ron,” zei ze.

“Dat klopt.” Ron verbaasde zich amper nog over hoe goed Clara hem aanvoelde.

“Je hoeft je geen zorgen te maken, zei Marcus,” herhaalde ze, “en dat is goed.” Toen voelde Ron dat ze zuchtte.

“Wat is er, Clara? Waarom die zucht?”

“Ik heb je gemist, Ron. Het was zo fijn toen je hier was.” Ze klonk een beetje verlegen nu.

“Ik mis jou ook, schoonheid.” Zijn ogen dwaalden weer naar haar gezicht op het doek. “Wat ben je toch een mooie vrouw.” Hij meende dat, en niet alleen omdat hij haar gezicht gecreëerd had.

“Dank je. Ik vind jou een mooie man, Ron.”

“Dat is alleen maar omdat je geen andere mannen kent,” grinnikte hij.

“Zou je weer hierheen kunnen komen?” vroeg ze. “Net als gisteren? Dat zou me erg blij maken. Zeker als je me weer zou kussen.”

Ron stond op en keek naar het schilderij. “Ik weet niet zeker hoe ik dat gisteren deed, Clara, maar laten we het eens proberen. We weten al dat het voor mij makkelijk genoeg is om weer hier terug te komen. Je hoeft me er enkel uit te smijten.” Daar moesten ze allebei om lachen.

Ron legde het schilderij weer op tafel en deed de lamp aan, net als de dag ervoor. Nu moest hij alleen nog duizelig worden. Dat was gisteren ook zo. De kunst was enkel om een goede manier te vinden om die duizeligheid op te roepen.

“Ron! Wat ben je aan het doen?” Clara klonk verbaasd terwijl hij als een malle rondjes ging draaien.

“Mezelf duizelig maken. Gisteren was ik ook duizelig,” antwoordde hij terwijl het leek te lukken. Hij stopte en greep bijna naast de tafel. Hij boog voorover, klaar om in het schilderij te vallen, maar dat gebeurde niet. “Da’s raar… het werkt niet…” Er was dus nog iets anders dan gisteren. Gisteren zat het schilderij nog vol met vlekken en spatten, en dat wilde hij niet nog eens doen. Die klieders wegwerken was genoeg werk geweest.

“Misschien is dat het…” zei hij toen hardop.

“Misschien is wat het, Ron?”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 3.

Clara's ogen

“Nee, onmogelijk,” zei iemand. “Het ding zit er al in, en de handel wordt vanavond verscheept. We kunnen niet het risico nemen dat iemand argwaan krijgt, alleen daarvoor.”

“Maar het nieuwe apparaatje is zoveel beter,” zei stem twee. “En vervangen duurt maar tien minuten.”

Ron stopte voor hij bij de kamer kwam waarin de discussie werd gevoerd.

“Terrence wil dat dit gebeurt, Roger, en daarom gebeurt het.”

De onderzoekende schilder keek voorzichtig de kamer in. Drie mannen stonden bij een tafel en ze waren haastig iets aan het uitpakken. Het pakpapier werd haastig verscheurd. Er zat een schilderij in, en toen de mannen het optilden herkende Ron de Rubens-replica waar Ross aan had gewerkt.

Met wat gereedschap rommelden de mannen aan de achterkant van het frame waar het schilderij in zat. Ron was verbaasd. Dat kon het schilderij laten barsten, wat waren die lui van plan? Iets vertelde hem dat hij niet naar binnen moest gaan. Hij moest zich hier niet mee bemoeien. Het was duidelijk dat deze mannen dit vaker hadden gedaan.

Een van de mannen pakte een pincet en rommelde in het hout. Even later haalde hij er iets uit. “Kijk, zo snel gaat dat. Waar is dat nieuwe ding?”

Iemand pakte een doosje en haalde er iets uit. Hij hield het in een doekje. De man met het pincet pakte het ding op en ging aan de slag, maar het lukte niet.

“Verdomme. Die nieuwe is groter. Wat een gelazer.”

“Kun je het er niet gewoon induwen?” vroeg een van de anderen.

“En riskeren dat ik het sloop? Jij bent zeker cum laude afgestudeerd op de idioten-vakschool.” De pincetman ging zitten. “Kijk maar of je het gat wat groter krijgt zonder iets te vernielen.”

Ron vroeg zich af waarom ze het een of andere elektronische ding in de schilderijlijst wilden stoppen. Als het tegen diefstal was dan konden ze het toch gewoon achterop plakken? Daarvoor hoefden ze geen gaten in het frame te maken.

Een van de mannen liep weg en kwam even later terug met een apparaatje dat hij gebruikte om aan de lijst te prutsen. Terwijl hij bezig was werd hij door de andere man gemaand om voorzichtig te zijn. De prutser reageerde daar niet op en ging rustig verder, tot het kleine ding in de lijst paste. Ron snapte er steeds minder van toen de lijst aan de kant werd gezet en er een laptop op de tafel kwam. Toen die aanging werd hem opeens een hoop duidelijk. Het scherm van de computer liet een deel van de kamer zien – vanuit de lijst! Ze hadden er een camera ingebouwd. Een van de mannen liep naar het schilderij toen en tikte op het frame. De computer maakte een afschuwelijk geluid.

“Mooi. Beeld en geluid. Dichtplakken die handel, inpakken en af gaan leveren.”

Ron hield zijn adem in terwijl hij heel zachtjes langs de muur naar de lift gleed. Hij drukte op de knop en gelukkig kwam de lift dit keer heel snel. Hij drukte fanatiek op de knop voor de begane grond en vervloekte de langzaam sluitende deuren. Toen die eindelijk weer opengingen maakte hij zich uit de voeten en ademde pas weer toen hij buiten stond. Daar liep hij sneller dan normaal naar het metrostation, en pas toen hij in de trein zat voelde hij zich wat rustiger worden.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 16, deel 2

Clara's ogen

Ron repareerde de schade aan het schilderij zo goed mogelijk. Ondertussen praatten de twee over hun ontmoeting in Clara’s omgeving. Toen het tijd was om te vertrekken was Ron tevreden met de ‘restauratie’. Het was nog niet af, maar het moest eerst drogen, voor hij verder durfde te gaan.

Vlak voor hij wegging blies hij een kushandje naar het schilderij, en hij beloofde haar om zo snel mogelijk weer thuis te zijn.

Na de lunch in het gebouw van Ostring Arts zocht hij Jess op.

“Hé, Ron. Fijn dat je er bent. We hebben een verzoek voor een spoedopdracht. Meneer Ostring heeft speciaal om jou gevraagd hiervoor, omdat jij een van de weinigen bent die echt iets hebben met Dali.” Jess pakte een foto uit een envelop. “Het gaat om dit werk.” De foto toonde een werk van Dali met de enorme titel het uiteenvallen van de volharding der herinnering. De meeste mensen zouden het enkel herkennen aan de klokken die overal als nat wasgoed lagen. “Denk je dat je deze kunt maken?”

Ron knikte. “Natuurlijk.” Hij bekeek de foto nog eens. Dit was een van Dali’s bekendste werken. “De grote hangt denk ik boven?”

“Klopt. Wanneer kun je beginnen? Meneer Ostring hoopt dat dit volgende week dinsdag klaar is.” Jess keek hem hoopvol aan.

“Hmm. Misschien. Dat betekent wel dat ik in het weekend een keer moet terugkomen. Misschien allebei de weekenddagen.” Ron fronste even. Het was een mooie opdracht, maar die zou wel ten koste gaan van zijn tijd met Clara.

“Geen probleem, hoor,” zei Jess. “Marcus is hier op zaterdag, en Ross en Felicity zijn er op zondag. En er is altijd iemand van bewaking hier, die kan je binnen laten.” Ze schoof de foto weer in de envelop en legde die op haar bureau. “Het is geweldig dat je zo snel beschikbaar bent, Ron. Als je wilt, kun je vast naar boven gaan en eens kijken.” Dat was duidelijk de uitnodiging om meteen te beginnen, zoals hij al had verwacht. “En veel plezier, Ron!”

De bovenste verdieping was verlaten toen Ron er aankwam. Dat was wel vreemd. Meestal waren hier minstens twee anderen aan het werk.

Hij wandelde langs de ezels met schilderijen die nog onderhanden waren. Een Rembrandt, waarschijnlijk weer iets van Marcus, en een zeldzame Gauguin. Ron vroeg zich af wie daarmee bezig was. Zoals het werk daar stond zag het er heel vreemd uit, maar ja, het was nog lang niet af. Er was ook een ezel met een bizarre foto erop geplakt. ‘Onbekende schilder’ stond op een briefje dat met een paperclip aan de foto zat. De afbeelding zelf was van een abstract naakt, helemaal blauw, en vreemde patronen in vloekende kleuren eromheen. De aanblik bezorgde hem koude rillingen.

Zijn eigen plek met de nieuwe opdracht stond lekker dicht bij de grote ramen. Het voorbeeld was al opgezet, en er stond een laptop bij met daarop een gedetailleerde afbeelding van het werk van Dali, zodat hij de kleinste dingen ook goed kon kopiëren. Hij hield van Dali’s werk. Op het eerste gezicht zag het er niet zo complex uit, maar als je lang genoeg keek zag je overal de kleine extra’s die het werk zo uniek maakten. Dat zou de grootste uitdaging zijn: al die details aanbrengen. Ron was dan ook blij met de laptop en het grote scherm.

Hij nam even de tijd om het werk in zich op te nemen voor hij met de eerste lijnen begon. Het doek was relatief klein, dus hoe Dali al die elementen zo perfect had gemaakt was eigenlijk een raadsel. En Ron ging dat overdoen.

~~~

Opeens gingen de lampen in het plafond aan. Ron keek op. Was het al zo laat? Hij herinnerde zich iets van een lunch die Jess zelf was komen brengen, maar waar was de rest van de tijd gebleven? Hij rekte zich uit en rolde met zijn schouders. Kunstlicht betekende het einde van de werkdag. De kleuren waren essentieel dus kon hij morgen pas verder.

Hij maakte zijn spullen schoon en zette de computer uit. Toen pas merkte hij dat er anderen bezig waren geweest. Stoelen stonden anders, een paar ezels waren wat verplaatst. En hij had daar niets van gemerkt.

De lift nam zijn tijd om de bovenste verdieping te bereiken. Ron stapte naar binnen en drukte op een knop. Terwijl de cabine omlaag zoefde wreef Ron zijn gezicht, en stapte uit toen de deuren open gingen. Pas toen de lift weer weg was, realiseerde Ron zich dat hij op de verkeerde verdieping was.

“Jesses, ik ben echt te lang bezig geweest,” mopperde hij op zichzelf, en drukte weer op de liftknop. De lift was alweer weg om iemand anders op te halen.

Terwijl hij wachtte, hoorde Ron opeens een luide stem. De spreker klonk boos. Wat was dat? Nieuwsgierig liep Ron in de richting van het geluid, aan het eind van de gang. Een tweede en een derde stem werden nu hoorbaar.

Clara’s Ogen. De rest van hoofdstuk 15 en een stukje 16.

Clara's ogen

“Maar hoe moet ik dan…” begon hij. Op dat moment gaf Clara hem een stevige duw in de richting van de muur. Even was er weer die duizeligheid terwijl de wereld bestond uit blauwe vlekken. “…daar doorheen…” Voor hij uitgepraat was viel hij achterover en lag hij op zijn rug in de huiskamer. Zijn hoofd kwam net niet tegen de schildersezel terecht. “Jezus!” Binnen een paar tellen stond hij weer en keek hij naar Clara’s gezicht, met de vlekken eromheen. “Clara!”

“Lieve Ron,” zei ze in zijn hoofd. “Dit is zoals het hoort te zijn.”

“Dat weet ik wel, maar ik verdom het om dat te accepteren,” zei hij koppig. Tranen stonden in zijn ogen toen hij het schilderij oppakte en voorzichtig op de ezel zette, voor er nog meer onheil over uitgestort zou worden.

“Ron,” zei Clara, zo kalm als altijd, “je kunt altijd terugkomen. Maar je moet nu eerst slapen.”

Ron staarde naar het schilderij, terwijl zijn hersens nog steeds probeerden te verwerken wat zojuist was gebeurd. Zijn hersenen maakten er niet veel van. Hij raakte zijn lippen aan, daar waar hij de hare net nog gevoeld had. Een diepe zucht ontsnapte. “Je hebt gelijk, Clara. Eigenlijk zou ik dankbaar moeten zijn dat je me terug hebt gestuurd.”

“Maar dat ben je niet.” Weer was daar die sensatie van haar glimlach.

“Denk je dat jij daar veilig bent, Clara?” Hij wist dat het een vreemde vraag was, maar hij moest die gewoon stellen.

“Ja, Ron. Maar je geen zorgen. Ik ben hier veilig.”

Weer een zucht. “Kon ik je nog maar een keer kussen.”

“Dat zou ik ook fijn vinden. Maar ga slapen, Ron. Droom van me, en ik kus je in je droom.”

“Ja, goed idee. Welterusten, lieverd.”

“Lieverd? Dat klinkt… lief, Ron.”

“Dat is iets wat we tegen speciale mensen zeggen, Clara. En jij bent heel speciaal voor mij.”

“Dan ben jij ook mijn lieverd, Ron.”

Ron sloot zijn ogen en verbeeldde zich dat hij haar wang even streelde. Daarna maakte hij aanstalten om te gaan slapen.

16. Barbara’s telefoontje

Ron werd wakker en voelde zich opvallend vrolijk. Hij had over Clara gedroomd. Terwijl hij zich opmaakte om de wereld te begroeten, praatte ze met hem in zijn hoofd. Ze babbelde heel opgetogen over zijn korte bezoekje aan haar wereld. Ron voelde dat ze hem miste, net zoals hij haar miste, maar haar logica was sterker geweest dan de zijne. En er was uiteraard werk dat hier op hem wachtte. En op een ander niveau van het leven was er ook nog iets als boodschappen die gedaan moesten worden.

Terwijl hij zich met dat laatste bezighield, in de supermarkt, ging zijn telefoon. “Met Ron,” zei hij, zonder op het scherm te kijken wie hem hier belde.

“Hallo Ron! Met Barbara.”

Hij herinnerde zich Marcus’ aankondiging. “Hallo, Barbara, leuk om van je te horen.”

“Goed om jou ook weer te horen, Ron. Ben je druk?”

“Ja, vreselijk. Ik sta hier te twijfelen of ik deze sinaasappels moet kopen.”

“Wat?” Ze klonk oprecht verbaasd. “O! Ik snap het, je bent aan het winkelen. Koop in ieder geval bananen. Die zijn heel goed voor als je je eens wat down voelt. Zou je vanmiddag hierheen kunnen komen? We hebben een speciaal project voor je.”

“Dat klinkt goed. Ik zal zorgen dat ik er ben. Ergens tussen een uur en half twee? Anders moet ik de sinaasappelen laten vallen en meteen gaan rennen.”

“Nee hoor, geen probleem,” zei Barbara. “Wij zorgen voor de lunch, ik zal Jess laten weten dat je komt.”

Het gesprek was over, dus kocht Ron de sinaasappelen en een paar bananen, en wandelde op zijn gemak terug naar huis met zijn buit. Hij hoefde zich niet te haasten.

“Ze hebben gebeld,” zei Ron tegen Clara, toen hij thuis kwam. “Ik moet vanmiddag naar het hoofdkantoor.”

“Zul je lang weg zijn?” vroeg ze.

Ron zette de ezel met haar beeltenis dichter bij het raam en begon de ergste vlekken weg te werken. “Ik weet het echt niet. Marcus zei dat ze een replica van een Dali willen hebben. Ik kan me voorstellen dat ze willen dat ik er meteen aan begin.”

Ze was even stil. “Ik zal je missen, Ron.”

“Ik ga jou ook missen, lieverd.”

“Het is zo fijn als je dat zegt… Lieverd…”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 15, deel 2.

Clara's ogen

Clara keek hem aan. “Ik denk het. Ik kon je daar zien staan, heel duidelijk, en opeens begon je vreemd te bewegen, alsof er iets niet goed was, Ron. Ik was bang dat je zou vallen en toen stak ik een arm uit. Ik voelde dat je mijn hand pakte, en toen trok ik. Heel zachtjes. En toen lag je hier op de grond.” Haar ogen werden groot en een beetje angstig. “Heb ik iets verkeerd gedaan, Ron?” Ze sloeg haar handen over haar mond.

“Ik heb geen flauw idee,” bekende hij. “Ik ben nog nooit binnen een schilderij geweest.” Ron keek weer naar de kale muren en toen naar Clara. Alle logica schreeuwde dat dit helemaal verkeerd was, en totaal niet kon. Weer was zijn hart sterker. Hij stapte naar haar toe en nam haar weer in zijn armen. “Niks aan de hand, Clara. We komen hier wel uit.” Al heb ik op dit moment geen idee hoe.

Zo stonden ze daar een tijdje. Ron keek nog eens rond en besefte dat deze ruimte een totaal gebrek aan alles had. Geen stoel, geen tafel, geen bed, alleen die vier muren. “Hoe kun je hier leven?” vroeg hij plompverloren.

Ze keek hem wat verwonderd aan. “Gewoon. Ik sta hier. Of ik zit op de grond, of ik lig. En ik praat met jou.”

Op die manier klonk het allemaal eenvoudig genoeg, maar Ron wist dat hij helemaal gek zou worden als hij in een plek als deze moest leven. Hij zou proberen zich een weg naar buiten te knagen door een van die muren. Die gedachte maakte dat hij hier helemaal niets had gezien om eten mee te maken. En er was ook geen eten. Om een of andere reden had de vrouw in zijn armen geen eten nodig.

Ron tilde een hand op en legde die tegen een van Clara’s wangen. Ze keek hem aan met een mengeling van blijheid, verwarring en bezorgdheid. Langzaam boog hij zich naar haar toe en liet zijn lippen even op de hare rusten. Na die korte kus glimlachte ze.

“Dat was fijn. Wat was dat?”

“Dat, lieve Clara, was een kus.”

“Mag ik er nog een?”

“Natuurlijk.”

Het bleef niet bij één kus. Na een tijdje verbaasde Clara Ron door achteruit te stappen. “Nu moet je teruggaan, Ron.”

Dat overviel hem, vooral omdat het van haar af kwam. “Ja, dat weet ik. Maar dat wil ik eigenlijk niet als dat betekent dat ik jou hier achter moet laten.” Hij omhelsde haar weer.

“Ik wil dat ook niet, maar jij hoort hier niet, Ron,” zei ze. “Ik wil jou het liefst hier houden, maar dat is niet goed. Jij hebt mij geschilderd. Gemaakt. En je moet nog zoveel andere schilderijen maken.”

“Kun je met me meekomen?” vroeg hij, tegen beter weten in.

Clara schudde haar hoofd. Haar haren dansten in het rond en er stonden tranen in haar blauwe ogen toen ze hem weer aankeek. “Dat kan niet. Ik moet hier zijn, Ron, en jij daar. Daarbuiten.” Ze wees naar het licht en het plafond dat in een van de blauwe vlekken te zien was. “Maar je kunt terugkomen als je wilt. Om me te kussen.”

Rons hart zat in een roodgloeiende tang. Ze had gelijk: hij moest terug, maar tegelijkertijd kon hij de gedachte niet verdragen dat hij haar hier achter moest laten, in dit troosteloze niets. Op dat moment hoorde hij haar stem in zijn hoofd, zoals al vaker. “Dit is geen niets voor mij, Ron. Ik ben dit gewend. Dit is mijn plaats. De plaats waar ik jou ontmoette en met je praatte. En de plaats waar je me voor het eerst kuste.”

“En waar ik je nog eens kus,” zei hij, en voegde de daad bij het woord.

“Ik ben blij, Ron. Jij maakt me blij,” zei Clara na de kus. “Maar jij moet nu echt terug.”

Met tegenzin knikte hij. “Je hebt gelijk, maar hoe?”

“Je kwam door die muur, Ron.” Ze wees naar de muur met de vlekken. “Ik denk dat je daardoor ook weer terug moet.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 15, deel 1

Clara's ogen

15. Clara’s wereld

“Ron! Wat is er gebeurd?” Clara klonk bezorgd.

Ron antwoordde niet. Hij pakte een doek en begon voorzichtig de schade te beperken. Terwijl hij daarmee bezig was, schoten hem Cornelia’s woorden te binnen. “Zet het glas aan de kant.” Dit had ze bedoeld! “Hoe kon die heks dat weten,” vroeg hij zichzelf af.

“Wie is de heks?” vroeg Clara. Ron voelde dat ze nu door zijn ogen keek. “Dat is jammer, hè? Maar jij kunt dat herstellen, lieve Ron. Jij wel. Jij kunt alles met schilderen.”

Ron verstijfde even. “Wat zei je?”

“Ik zei: jij kunt dat herstellen, lieve Ron. Is dat verkeerd?”

“Ehm. Nee…” Ron wist zich heel even geen raad hiermee. “Nee, echt niet. Ik vind dat leuk.” Hij glimlachte en voelde zich even heel stom. “En je hebt gelijk. We gaan dat schilderij opknappen, en mooier maken dan het al was. Lieve Clara.”

Het logische deel van zijn brein, dat zo vaak genegeerd werd, waarschuwde hem nogmaals om niet de grip op de realiteit kwijt te raken, en als zo vaak kwam dat bericht niet aan bij de schilder.

Ron ruimde de waterpotten, die het probleem hadden veroorzaakt, op en waste zijn handen. Als die vlekken gedroogd waren dan zou het wel meevallen, wist hij. Er waren heel wat technieken om dit soort ellende aan te pakken, maar niet nu. Gelukkig was hij er op tijd bij geweest. Die verf was kwaliteitsspul; als hij te lang had gewacht dan zou het schilderij niet te redden zijn geweest.

Toen ook de verf opgeruimd was, liep hij terug naar de tafel en keek naar het schilderij. “Mijn Clara.” Een glimlach speelde weer om zijn mond.

“Mijn Ron,” reageerde Clara, en hij voelde dat zij ook glimlachte. Op de een of andere manier kon hij de lippen op het schilderij in die glimlach zien krullen. Dat kon niet, maar na een paar keer knipperen met zijn ogen was die glimlach er nog steeds.

“Clara?” vroeg hij, terwijl hij merkte dat de wereld om hem heen begon te draaien. Hij leunde op de tafel voor wat stabiliteit. Hoe kon hij opeens zo duizelig zijn?

“Ron? Wat gebeurt er? Gaat het goed met je?” Clara klonk nu meer dan bezorgd.

“Ik weet het niet,” zei hij. “Ik word zo…”

“Kan ik iets doen?” Clara klonk bijna angstig.

Alles werd nog gekker toen haar gezicht voor hem leek te zweven, en ergens vandaan kwam een hand. Haar hand. Die zat vast aan een arm. Haar arm. Ron was nu zo draaierig dat hij de uitgestoken hand pakte. De hand voelde zacht en veel te echt.

De kamer tolde nu als een gek om hem heen en hij verloor zijn evenwicht. Ron viel voorover.

~~~

De duik duurde niet lang. Ron herinnerde zich een hoop wit, en vlekken, en daarna duisternis. Toen hij bijkwam, lag hij op zijn rug. De geur hier was niet die van zijn appartement, en toen hij met gesloten ogen rondtastte, merkte hij dat de ondergrond vreemd hard was. Op het moment dat zijn armen bewogen, hoorde hij Clara’s stem.

“Ron! Ben je in orde?”

Ron hoorde iets ruisen naast zich en keek op. Hij was net op tijd om te zien hoe Clara naast hem neerknielde. Ze pakte een van zijn handen en keek bezorgd.

“Ben je in orde, Ron? Hoe ben je hier terecht gekomen?”

“Clara?” Ron knipperde een paar keer met zijn ogen. Was zijn fantasie nu met hem aan de haal gegaan? Dit kon toch niet? Hoe hij ook knipperde, zijn appartement kwam niet terug, dus ging hij rechtop zitten. “Ja, ik ben oké.” Hij keek haar aan. Ze was het echt. Ze was echt. “Waar ben ik?” vroeg hij toen.

“Je bent hier, bij mij,” zei Clara. Ze stond op en wachtte tot hij ook opgestaan was. Meteen daarna sloeg ze haar armen om hem heen en klemde zich tegen hem aan. “Je bent echt hier, Ron. Ik kan je zien, en vasthouden,” fluisterde ze.

In een reflex hield Ron Clara vast en keek rond om te bepalen waar ze eigenlijk waren. Er was drie muren van hetzelfde, bleke materiaal als de vloer, en de vierde muur zat vol blauwe vlekken, en sommige daarvan lieten een beeld zien. Het leek wel het plafond van zijn huiskamer. En de streep licht? Dat was toch niet de tafellamp? “Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Ik ben toch niet in mijn eigen schilderij gevallen?”

Clara’s ogen. Hoofdstuk 14, deel 4.

Clara's ogen

Op weg naar huis, in de minibus, had iedereen het over de twee vrouwen, maar allemaal in een positieve en prettige manier. Alleen Cornelia was stil, net als anders. Gedurende het diner, na de tentoonstelling, zat Ron uitgerekend naast die stille vrouw. Dat was bijzonder, want Cornelia slaagde er vaak in een klein tafeltje voor haar alleen te bemachtigen. Deze keer was het restaurant te vol, dus had ze zich moeten schikken.

“Hoe gaat het met je vriendin?” vroeg Cornelia plotseling aan Ron.

“Vriendin?” Even wist hij niet wie ze bedoelde.

“Het blonde meisje in je kamer en je hart.”

Ron liet bijna zijn bestek vallen. “Hoe weet jij dat?”

“Ik weet meer dan veel mensen denken. En dat is goed zo,” zei Cornelia, haar stem gedempte. “Zij is degene die maakt dat jij je anders voelt, en ik zie dat. Ik weet niet wie ze is.”

“Ze is een schilderij,” zei Ron, maar hij wist hoe zwak dat klonk. Cornelia keek hem maar een paar tellen aan, maar haar blik maakte duidelijk dat zij wel beter wist. “Zou je dit alsjeblieft stil willen houden?” fluisterde hij zijn vraag.

“Natuurlijk. Dit gaat niemand iets aan. Zelf mij niet, maar ik kan dit soort dingen niet buitensluiten. Ik raad je wel aan om het glas aan de kant te zetten.”

“Glas?” Ron snapte er niets van.

“Het glas. Verder weet ik het ook niet. Ik vertel je alleen maar wat je moet weten.” Cornelia haalde even haar schouders op. “Doe ermee wat je wilt en kunt. Of niet.” En daarmee was het gesprek afgelopen. Haar bord was amper leeg, maar ze stond op en verliet het restaurant.

Na het diner liep de rest van de groep terug naar huis. Ron hoopte dat niemand iets zou vragen over het fluistergesprek met Cornelia, maar niemand leek het te hebben gemerkt.

“Ron, kerel,” zei Marcus, “ik hoorde iets leuks. Morgen belt Barbie je op voor een nieuwe klus. Ik hoop dat je van Salvador Dali houdt.”

“Barbie?” Op dat moment begreep Ron dat hij Barbara bedoelde. “O! Ja, Dali is geweldig. Ik vind zijn werk heel boeiend. Maar hoe weet jij dat?”

Marcus knipoogde. “Als je zolang in de branche meedraait als ik, dan leer je vanzelf de juiste mensen kennen, en dan hoor je wel eens wat. Doe wel verbaasd, oké?”

Ron was wel een beetje verbaasd door dit nieuws, maar toen hij eenmaal thuis was en met Clara kon praten, verdween dat vreemde nieuwtje al snel naar de achtergrond.

Samen bekeken ze Clara’s schilderij. Er was iets dat hij nog wilde aanpassen, en omdat het licht van buiten al wat afnam, pakte hij het doek en legde hij het op tafel. Daar hing een lamp die nog wel even genoeg licht zou geven. Hij pakte een tube van de grote zak verf die hij van Ross had gekregen en ging voorzichtig aan het werk. Hij gebruikte de fijnste penseel, met maar een paar haren, om de details rond Clara’s ogen goed te krijgen. Telkens maakte hij die penseel goed schoon in de pot water, voor hij verder ging. Als er vooral maar geen spatten op het doek kwamen.

Een klopje op de deur liet hem schrikken. Gelukkig stond de penseel net in de pot. Wie kon dat zijn om deze tijd?

“Hé. Laura.”

“Hallo, grote man,” zei Laura, die duidelijk een pyjama droeg. Een die nogal doorschijnend was ook nog. “Zou ik vannacht bij jou mogen slapen? Ik ben… een beetje eenzaam.”

Ron zuchtte. Hij had al vaker van Laura’s slaap-gewoontes gehoord, en het was enkel een kwestie van tijd voor ze aan zijn deur zou staan, had Marcus gezegd. En vanavond was het moment daar.

“Waarom die zucht, Ron? Vind je me niet leuk? Als dat zo is dan doe je toch gewoon het licht uit voor ik binnenkom?” Laura grinnikte. Ze had hier duidelijk heel wat ervaring mee.

“Laura, dit is niets voor mij,” begon Ron.

“Het is nooit te laat om te veranderen, Ronnie-boy,” zei ze, terwijl ze een knoopje van haar pyjamajas losmaakte.

“Daar verander ik niet voor. Sorry, maar…” Ron wilde gewoon dat ze wegging, zonder gedoe.

“Wat is er, jongen? Ben je homo of zo? Dat kun je gewoon zeggen hoor. Ik wil zeker zijn dat ik ‘het’ nog heb.”

“Je hebt ‘het’ nog wel, Laura, maar ik heb er gewoon geen trek in. Fijne avond nog.” En toen maakte hij gewoon de deur dicht. “Jezus, dat kon ik nog net hebben,” zei hij terwijl hij terug liep naar de tafel.

“Wat wilde ze, Ron?”

“Ze wilde hier slapen. In mijn bed.”

“O. Is dat van haar kapot?”

Ron moest onwillekeurig grinniken om haar onschuldige reactie. “Het is gewoon een raar mens,” zei hij, en daarmee was voor hem de zaak afgedaan. Op dat moment ging er iets mis.

Ron verstapte zich over een plooi in het vloerkleed en dreigde om te vallen. Hij greep zich vast aan een stoel die op een of andere manier uit zijn hand schoot en tegen de tafel klapte. De potten met penseelspoelwater sprongen op en kwamen met een klap neer.

“O nee! Verdomme!”

Spatten uit de twee potten water waren op Clara’s schilderij terecht gekomen. Er zat blauw in haar haren en groene vlekken prijkten naast haar gezicht.

Ron staarde ontzet naar de kleurige ravage op het doek.

Clara’s ogen. Hoofdstuk 14, deel 3.

Clara's ogen

Twee dagen later was de Van Gogh replica klaar. Charles Simmons was naar de bovenverdieping gekomen om het werk te inspecteren. Hij had iemand bij zich die Ron niet kenden, maar de twee waren erg tevreden over het resultaat. Ze feliciteerden Ron met zijn vakmanschap, en het werk aan zijn eerste echte opdracht. “De klant zal erg blij zijn, Ron. Dank je dat je dit zo perfect hebt gedaan. We laten het weten als er weer een replica moet worden gemaakt die bij je past.”

Ron ging even bij Marcus kijken, die nu aan een Rubens-replica bezig was. “Ik ben klaar hier.”

“Goed, man. Vonden ze het wat? Haha, natuurlijk vonden ze het wat, anders was je niet klaar,” lachte Marcus. “Kom je met de club eten vanavond? Ik ben hier ook zo klaar. Deze laag moet eerst goed drogen voor ik verder kan.”

“Ik denk dat ik lekker thuis blijf en daar wat eet,” zei Ron. “Ik zie je later wel weer eens. Succes met deze opdracht, Marcus.”

Hij wachtte op de lift en stapte uit op de verdieping waar Jess werkte om haar te laten weten dat hij klaar was met de replica.

“Aardig van je dat je het komt zeggen, Ron. Charles was al hier om het aan te kondigen. Meneer Ostring is beslist ook blij met dat nieuws.” Jess schoof een envelop over het bureau. “Hier is een kleine verrassing voor je, Ron. Fijne avond.”

Op weg naar huis keek Ron in de envelop en vond een bankbiljet van honderd dollar. Dat was echt een leuke verrassing, dus hij kwam thuis in een prima humeur.

Clara was blij voor hem, als had ze duidelijk geen idee hoeveel honderd dollar was, maar dat maakte niet uit. Ron ging goed voor ‘hun bloem’ zitten en samen maakten ze het doek af, hij schilderend en zij kijkend en aanwijzingen gevend. Het duurde zo niet lang, en Ron was echt opgetogen over het resultaat. Het was op zich een eenvoudig schilderij, maar door de details en de manier waarop hij het invallende licht had gevangen was het toch bijzonder geworden.

Na dat succes maakte Ron snel iets te eten voor zichzelf en daarna ging hij zitten voor Clara’s portret. “Ik ga iets aan je haar doen,” zei hij. “Ik weet nog niet precies wat, maar…” Hij bekeek het gezicht voor hem aandachtig. “Je pony wordt wat langer,” besloot hij. “En het haar moet ietsje over je gezicht vallen. Niet teveel maar net een klein beetje.”

“Ik vind het bijzonder dat je dat allemaal bedenkt, Ron.”

Terwijl hij werkte, vertelde hij dat hij heel vaak aan haar dacht, aan hoe ze eruit zou zien en ook hoe ze als persoonlijkheid zou zijn. “Op die manier creëer ik een echt, compleet iemand, Clara, en dat is een goede basis om een afbeelding van iemand te maken.”

Met aandacht werkte hij daarna een tijdje aan haar oogopslag en haar lippen. Toen hij vond dat het te donker aan het worden was stopte hij met het werk. Het verbaasde hem eigenlijk wel hoeveel aandacht hij aan de details schonk. Normaal gesproken deed hij dat ook wel, maar dit was toch opvallend.

Ook de volgende dag was hij constant met het schilderij bezig en hij was meer en meer onder de indruk van wat Clara en hij aan het maken waren.

“Bijna niet te geloven,” zei hij. “Je zou zo van het doek af kunnen stappen.”

Clara was er stil van. Ron wist dat ze blij was met wat ze door zijn ogen zag. “Ik wil je zo graag zelf bedanken, Ron,” fluisterde ze uiteindelijk.

“Ik voel hoe blij je hiermee bent, Clara,” zei hij. “Dat is al heel veel dank.” Even overwoog hij om het schilderij mee te nemen voor een wandeling, maar dat zou wel heel raar uitzien, dus bleef hij gewoon thuis om met haar te praten.

~~~

In de weken die volgden werd Ron regelmatig naar de bovenverdieping van het Ostring-gebouw geroepen. Soms was Marcus er ook. Hij kwam Laura wel eens tegen, en Ross liep er regelmatig rond.

Ron werkte aan een Picasso, een Rembrandt, een klein werk van Vincent van Gogh dat in meneer Ostrings kantoor zou komen te hangen, en hij kreeg zelfs een opdracht om een replica van de Mona Lisa te maken. Daar stond hij behoorlijk op te zweten, net als de Rembrandt, want dat waren stijlen die hij niet zo beheerste.

Gedurende die tijd kwam ook Felicity’s tentoonstelling dichterbij, en dat was een aangename onderbreking voor iedereen. Ron was een beetje verbaasd dat ze hem niet om morele steun vroeg, zoals hij haar had gevraagd, maar toen hij Felicity aan de arm van een blonde schoonheid zag, begreep hij hoe de vork in de steel zat. Het leek er ook op dat Felicity en de blonde vrouw elkaar behoorlijk goed kenden.

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 14, deel 2.

Clara's ogen

“Replica’s?” Ron keek bedachtzaam terwijl hij het voorbeeld bekeek. “Mag dat wel?”

“Natuurlijk, Ron,” zei Jess. “Veel mensen willen dit soort werk graag in huis hebben, maar ten eerste kunnen ze dat niet betalen, en ten tweede is er maar een origineel. Wij bieden een service aan voor de allerbeste, natuurgetrouwe replica’s voor een schappelijke prijs. Daarom zoeken we naar de beste schilders in het land, om dit soort juweeltjes te maken.”

Ron knikte. Dat klonk heel aannemelijk.

“Hé, Ron. Klaar om je bij de elite te voegen?” Tot Rons verrassing was het Marcus die dat zei. De man kwam naar de klaarstaande schilderswerkplek. “Uiteraard. Jouw favoriet. Ik ben nu met een Rembrandt bezig. Wil je even komen kijken?” Marcus sloeg een arm om Rons schouders en dirigeerde hem naar de enorme panelen waarachter hij aan het werk was. De replica van de Nachtwacht was ongelofelijk mooi.

Marcus had een groot televisiescherm achter zich staan, waarop hij het hele schilderij in detail kon bekijken.

“Heb jij dat gemaakt?” Ron keek vol ongeloof naar het enorme werk. Het leek zoveel op het origineel dat het griezelig was, tot en met de naam van de al lang overleden schilder.

“Ja, helemaal mijn werk,” zei Marcus trots. “Hier, pak een vergrootglas en duik erin. Maar niet op het doek kwijlen, Ron.”

Ron pakte het glas aan en bestudeerde het doek. Hij kon niet anders dan toegeven dat dit een bijzonder staaltje vakmanschap was.

“Ik weet het, Ron,” zei Marcus, die straalde na dat compliment. “En jij kunt ons nu laten zien dat jij dit ook kunt, jongen.”

Ron leefde totaal niet voor uitdagingen, maar in dit geval wist hij dat hij het kon. Hij knikte. “Ik zal mijn best doen.”

Jess en Marcus zeiden dat ze niet meer van hem verwachtten, maar ook niet minder.

Na zes uur intensief werk, alleen onderbroken voor een haastige lunch, moest Marcus Ron van het schilderij afsleuren. “Kom op, jongen. Tijd om uit te rusten en wat te eten om dit te vieren. Morgen komen we terug en dan kun je weer lekker verder.”

Marcus nam Ron mee naar een restaurantje in de buurt en vertelde hem dat hij in zijn carrière bij Ostring al een stuk of tien van die enorme Nachtwachten had geschilderd. “Het gaat me steeds beter af,” zei hij, “en ik ben dol op dat schilderij. Van wat ik zag van je Van Gogh ga jij ook al de goede kant op. Ik ben niet zo van dat werk. Ik ben, denk ik, een reïncarnatie van Rembrandt.”

Ron moest daar wel om lachten. Dat was hoe hij dacht over Vincent van Gogh. “Wie zijn die andere schilders?” vroeg hij toen. “Die wonen niet in ons gebouw, toch? Ik heb ze nog nooit gezien.”

“Klopt. Dit zijn oudgedienden, en die hebben het al zo goed voor elkaar dat ze hun eigen woning hebben hier in de stad. Replica’s maken is alles wat ze doen en daar leven ze goed van. Je weet het misschien nog niet, maar je krijgt tien procent van de verkoop van een werk dat je aflevert. Hard werken, jongen, en dan tikt dat lekker aan.”

Toen Ron eenmaal thuis was, was het te laat en te donker om nog aan de bloem te werken, en ook voor Clara’s afbeelding was het te donker. Dat laatste vond hij erg jammer.

“Hallo, Ron,” zei Clara. “Je was lang weg.”

“Ja, klopt. Sorry. Er is iets interessants dat ik aan het doen ben in de stad. Jammer dat het zo laat is geworden. Ik zou graag nog even aan jou door willen werken.”

“Ik begrijp het,” zei Clara in zijn hoofd. “Maar je bent nu hier, en dat is fijn. Nu kunnen we even praten.”

Hij glimlachte en begon uit te leggen wat hij ‘in de stad’ aan het doen was. Ook dat hij daar nog wel een paar dagen mee bezig zou zijn, omdat het een behoorlijke opdracht was.

“En daarna ben je weer een paar dagen hier?” vroeg ze hoopvol.

“Ja, zeker weten. En dan maken we samen die bloem af,” beloofde hij. “En we gaan verder aan jouw schilderij.”