Clara’s Ogen. Hoofdstuk 11, deel 1.

Clara's ogen

11. De grote dag komt

Het telefoontje van Barbara kwam als een schok verpakt als een verrassing. “Hallo Ron, hoe is het? Ik heb geweldig nieuws voor je. Wat vind je van volgende week zondag?”

Ron fronste. “Dat klinkt echt naar zo’n dag tussen zaterdag en maandag.”

“Precies, Ron! En dan hebben we je tentoonstelling gepland!”

“O. Ehm, wat? O!” Het nieuws drong met vertraging tot hem door. “Je meent het!” Hij verkeerde meteen in een hoerastemming, terwijl een sliertje twijfel erdoorheen kroop. Hij had zijn laatste werk klaar, dat wel, maar hij was niet zeker of hij er zelf klaar voor was.

“Iedereen is blij voor je, Ron,” schetterde Barbara, “en een van de partners, meneer Burns, heeft al aangekondigd dat hij een van je doeken wil kopen.”

De telefoon viel bijna uit zijn handen. “Geen geintje?” Het was geen geintje.

“Dat is supergeweldig, Barbara! Maar wat moet ik nu allemaal gaan doen?”

“Geen zorgen, grote schilder. Morgen komt er een auto om je op te halen. Dan breng je je laatste werk mee. Wij zorgen dat het netjes ingelijst wordt, en dan is er ook iemand die je een knap pak aanmeet.”

“Pak?” Ron werd meteen zenuwachtig. Hij was geen vriend van knappe pakken.

“Beslist, Ron. Je moet er pico bello uitzien. Dat deed Laura toch ook bij haar tentoonstelling? En maak je geen zorgen, je hebt alle inspraak bij de keuze, maar je moet er wel goed uitzien.”

~~~

De volgende dag kreeg Barbara helemaal gelijk. Harvey kwam hem ophalen, met de enorme auto, en nadat ze zijn schilderij ‘op kantoor’ hadden afgegeven werd hij naar een grote, bekende kledingwinkel gebracht. Daar bracht hij een groot deel van de ochtend door, maar toen zijn tentoonstellingsoutfit eenmaal bij elkaar was, voelde hij zich perfect op zijn gemak in die kleding. Het had niets weg van de stijve pakken die hij zo haatte.

Hij bekeek zich nog eens in de spiegel. De donkerrode broek en het rode vest maakten het bijna witte, zijden hemd bijna lichtgevend. Hij kreeg ook nieuwe schoenen, maar een sjaaltje wuifde hij weg. “Er zijn genoeg kunstenaars die zoiets doen, maar ik heb liever niets om mijn nek waaraan ik kan worden opgehangen,” was zijn reden hiervoor.

Hij vroeg de dame die hem hielp om een foto te maken. Die kon hij dan naar Shelley en zijn ouders sturen. Dat was uiteraard helemaal geen probleem.

Met zijn nieuwe spullen zat hij in het restaurant van de kledingwinkel en stuurde een berichtje naar Harvey dat hij klaar was. Daarna stuurde hij de foto rond en belde zijn ouders, om ze te vertellen over de tentoonstelling. Ze waren verbaasd dat het zo snel al zou gebeuren maar ze waren ook heel blij voor hem. Zijn moeder zei dat ze het meteen door zou geven aan Shelley, en dat kwam goed uit want Harvey wandelde net naar binnen.

Die avond vertelde Ron het nieuws ook aan zijn medeschilders, die allemaal heel enthousiast reageerden. Zelfs Cornelia, die normaal gesproken heel erg op zichzelf was, wenste hem veel succes.

Marcus, degene die het langst bij Ostring Art werkte, gaf Ron een klap op de schouder. “Goed gedaan, jongen. Zo’n tentoonstelling betekent dat je iets te bieden hebt. Er zijn genoeg mensen die komen en weer gaan zonder dat ze iets speciaal neer hebben kunnen zetten, dus welkom bij de club.”

Iedereen die aan tafel zat beloofde naar de expositie te komen, en degenen die er vanavond niet bij waren zouden worden gewaarschuwd. Op die manier zou er altijd genoeg transport zijn op Rons grote dag.

In de dagen dat die grote dag dichterbij kwam werd Ron steeds nerveuzer. Clara voelde dat aan en slaagde er regelmatig in om hem weer kalm te krijgen. Ron was verbaasd over het effect dat zij en hun gesprekken op hem hadden.

Hij belde zijn ouders en zijn zus nog eens, om over de tentoonstelling te praten. Ze waren allemaal heel blij voor hem en zouden er graag bij zijn, maar het was toch even te duur om met z’n allen te komen vliegen, en zijn ouders waren te oud om die zes uur in een bus te zitten, en nog eens zes uur terug. Ron besloot Barbara te bellen en zijn dilemma uit te leggen.

“Ron, lieverd, goed dat je hierover belt. Natuurlijk moet je familie erbij zijn. Als jij een deel van de vliegtickets betaald, laten we zeggen de helft, dan betalen wij de rest en dan zorgen wij ook dat ze in een fatsoenlijk hotel kunnen overnachten. En uiteraard regelen wij dan het vervoer naar en van de galerij.”

Ron was helemaal ondersteboven van al die gulheid. Hij bedankte haar en belde meteen weer naar zijn ouders, die net zo ondersteboven waren. Zijn moeder zei dat ze dat goede nieuws ook meteen aan Shelley zou laten weten.

Shelley hing vijf minuten later al aan de telefoon om haar broer te bedenken. “Je bent helemaal te gek, Ron! Hoe heb je dat voor elkaar gekregen? Heb je een wit voetje bij de grote baas of zo?”

Ron schoot in de lach. “Ik ken Barbara, dat blijkt genoeg te zijn,” zei hij.

“Ahhhh. dus je hebt toch een belangrijke vriendin,” grapte Shelley. “Lijkt ze een beetje op je Clara?”

Nu moest Ron lachen en daarna kletsten ze nog een beetje tot Shelley weer aan het werk moest.

Clara’s ogen. Hoofdstuk 10, deel 4.

Clara's ogen

Ze likte wat ijs van haar vingers. “Natuurlijk. Zolang je het niet erg vindt dat ik een smeerboel maak van mezelf…”

“Hoor jij wel eens stemmen?”

Felicity keek hem vragend aan. “Ja, natuurlijk. Ik hoor die van jou nu, tenzij ik me vergis.”

Ron voelde zich wat opgelaten. “Nee, niet zo. Ik bedoel meer stemmen in je hoofd. Alsof je ze aan de telefoon hebt, maar dan zonder telefoon.” Hij wilde bijna dat hij hier niet over begonnen was.

Felicity keek hem weer aan, terwijl het ijs op haar jeans droop. “Je bent serieus, hè?” Toen hij knikte zei ze: “Soms praat ik tegen mezelf, in mijn hoofd. En je wilt niet weten wat ik dan soms zeg. 18+ komt dan niet eens in de buurt.” Ze knipoogde.

“O ja, die ken ik,” bekende Ron. “Maar ik heb de laatste tijd het gevoel alsof ik tegen iemand in een schilderij praat.”

Haar wenkbrauwen schoten omhoog. “Dat is een nieuwe voor me. Ik heb van schrijvers gehoord die met de personages praten die ze beschrijven… Misschien heb jij onderdrukte schrijversgevoelens en ben je per ongeluk in het verkeerde vak terecht gekomen.”

Ron was opgelucht dat ze hem toch serieus nam. In elk geval een heel eind.

“Ik zou me geen zorgen maken, Ronnie,” zei ze, terwijl ze hem met een door het gesmolten ijs plakkerige hand op de knie klopte. “Zolang je je nog bewust bent van wat de echte wereld is en wat niet, en zolang je af en toe een praatje maakt met mij, dan zit je wel goed. O shit.” Toen pas merkte Felicity het ijs-patroon op haar broek. “Ik heb mijn dag weer… Hier, kun jij dit even vasthouden?” Ron wilde het restant van haar ijsje aanpakken, maar het ding was zo glibberig dat het uit haar hand viel en op zijn been landde. “O god, nee, Ron, sorry!”

Ondanks de plakkerige kou op zijn been schoot Ron in de lach. Een paar mensen in de buurt keken op, om te zien of ze iets spannends misten. Hij veegde het spul zo goed mogelijk weg en begon weer te lachen. Felicity probeerde ook de vlekken weg te krijgen en begon met hem mee te lachen. Het was ook te komisch!

“Volgende keer moeten we naar het kleinere parkje gaan,” vond Ron. Toen Felicity vroeg waarom, verteld hij over de eendenvijver. “Als we dan weer zo’n troep maken, lopen we gewoon de vijver in om het eruit te weken.”

Weer schoten ze allebei in de lach, nu om dat rare idee. Felicity zei dat de eenden dat misschien niet eens zo leuk zouden vinden.

Omdat ze nu wel erg plakkerig waren, besloten ze om maar terug te gaan naar huis en daar iets anders aan te doen.

“Bedankt voor de leuke wandeling, Ron,” zei Felicity toen ze de lift uitstapte. “Ik had dat even nodig.”

“Ik ook,” zei Ron. “En ik zal daar steeds aan denken als ik deze broek aantrek.”

Ze gaf hem een snelle, korte knuffel. “Tot bij het eten, Ron.” Toen ging de liftdeur dicht en was ze, terwijl hij nog een etage omhoog ging.

Toen hij zijn appartement binnenkwam waren Clara’s ogen het eerste dat hij zag. Hij had het schilderij op de ezel laten staan. Onmiddellijk voelde hij zich schuldig, alsof hij haar op een of andere manier ontrouw was geweest door met Felicity te gaan wandelen.

“Dit wordt echt te gek voor woorden,” zei hij tegen zichzelf terwijl hij de plakkerige broek uittrok en die in de wasmand gooide. Toen hij weer iets schoons aanhad ging hij bij Clara zitten en keek hij in haar ogen. “Te gek voor woorden misschien, maar wel de moeite waard,” besloot hij.

“Wat is de moeite waard, Ron?” vroeg Clara. Dat verraste hem. Het gebeurde niet vaak dat ze met hem praatte terwijl hij zijn ogen wijd open had. Ron vertelde haar over de wandeling met Felicity en hoe hij zich voelde toen hij haar afbeelding weer had gezien. “Daar hoef je je toch niet slecht over te voelen, Ron? Zij is daar, en ik ben hier. Je kunt toch bevriend zijn met mij en met haar?” Op die manier klonk het zo eenvoudig.

Ron knikte, al kon zij dat niet zien. “Dat is zo. En het was leuk om te gaan wandelen, maar ik zou liever met jou gaan wandelen.”

“Dat is lief van je, Ron, maar ik kan niet met je meegaan. Felicity wel.” Haar logica deed hem denken aan Seven of Nine, het personage van Star Trek Voyager.

“Dat klopt, maar ik vind het toch jammer.”

“Het is zoals het is, Ron. Ik ben al heel blij dat we kunnen praten, en dat ik kan zien hoe jij me ziet.”

Hij glimlachte. “Het is nog licht genoeg. We zullen eens kijken of ik nog wat meer aan je schilderij kan werken zodat je nog echter wordt.”

Vol overgave stortte hij zich op het doek, en als Ross niet op de deur had geklopt zou hij het avondeten vergeten zijn.

Clara’s ogen. Hoofdstuk 10, deel 3.

Clara's ogen

Een half uurtje later stond hij op en verliet hij zijn appartement. Het weer was perfect dus had hij geen jas nodig. Toen hij de voordeur uitliep botste hij bijna tegen Felicity op. “Oh! Sorry! Ik zag je niet!”

Felicity schoot in de lach. “Dat komt omdat je zo lang bent. Lange mensen zien kleintjes als mij niet zo goed.” Ze had haar armen vol met boodschappen. “Ik ben net wezen inkopen. Dat was ik een paar dagen vergeten.”

“Geef maar wat hier, dan help ik je,” bood Ron aan, en samen brachten ze de lading naar haar appartementje.

Felicity vroeg wat hij wilde gaan doen voor hij haar bijna om had gelopen. Een wandeling vond ze wel een goed idee en vroeg of ze met hem mee mocht lopen. “Alleen als je dat leuk vindt, natuurlijk.”

Ron vond het wel een leuk idee. “Tuurlijk. Gewoon meegaan, en ik beloof dat ik niet te hard zal lopen.”

“Hoe schiet het op met je werk?” vroeg Felicity toen ze onderweg waren. “Ik hoorde dat je tentoonstelling eraan komt.”

Ron beaamde dat en zei dat hij met het laatste stuk bezig was. “Morgen zal ik ze laten weten dat het klaar is. Want dan is het klaar. De laatste opdracht.”

“Toppie. Ik vind die opdrachten wel raar. Het voelt een beetje alsof we schilderijen aan het vervalsen zijn,” zei Felicity.

“Tja. Meneer Ostring zei dat veel van de klanten specifieke wensen hebben. En als ze daar blij van worden…”

“Dat herinner ik me.” Ze knikte. “Hij was daar heel duidelijk over, maar toch vind ik het raar.”

“Raar of niet, het is een leuke manier om je eigen werk ook te kunnen doen. Met een dak boven je hoofd, eten op tafel en een leuk zakcentje ook nog,” herinnerde Ron haar. “Ik vind het wel wat hebben. Vooral de verdienste erbij.”

“Ik ontwierp afbeeldingen voor advertenties,” zei Felicity. “Soms wel vervelend maar het betaalde de rekeningen.”

Ron vertelde haar over de klusjes die hij voor anderen deed. “Leuk hoor, maar wel moeilijk om ervan te leven. Soms moest ik echt even de eindjes aan elkaar knopen.”

Felicity moest daarom lachen, en stak haar arm door de zijne. “Ik weet er alles van. Die advertenties waren een aangename doorbraak, maar het sloopt wel je creativiteit. Ze zeiden precies wat ze wilden hebben; ik hoefde het enkel maar te tekenen. Zelf iets bedenken of toevoegen… man, daar stond de doodstraf op.”

“En daar heb je hier geen last van,” zei Ron. “Hier kun je gewoon met verf spelen en je eigen ideeën op het doek spetteren.”

Spetteren? Is dat hoe jij werkt?” Felicity grijnsde.

Ron lachte ook en vertelde haar dat het zo had gevoeld toen hij had geprobeerd iets a la Picasso te maken. “Dat was een totale afgang.”

“O! Mocht jij Picasso doen? Ik zat vast aan Mondriaan, met al die stomme blokken en strepen.” Felicity schudde haar hoofd en verklaarde dat bij Mondriaan echt een paar schroefjes los hadden gezeten.

Ze kwamen bij een groter park, een heel eind verderop, en vonden daar een ijscokar, dus trakteerden ze zichzelf op iets lekkers en vonden ergens een bank onder een boom.

“Felicity? Kan ik je wat vragen?”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 10, deel 2.

Clara's ogen

Eenmaal weer ‘thuis’ zat Ron alweer snel in de dagelijkse routine en dat werd een wekelijkse routine. Hij werkte aan de schilderijen voor zijn expositie, soms samen met Laura die al bijna klaar was met haar collectie. Barbara van kantoor belde af en toe om te horen hoe het ging. Ron was zo bezig met zijn werk dat hij constant vergat om zich daar even te melden. Hij waardeerde die persoonlijke aandacht wel.

Er was een nieuw lid van de schildersgemeenschap gearriveerd; een jonge vrouw genaamd Felicity. Tussen Ron en haar ontwikkelde zich snel een hechte vriendschap, maar hij bleef met Clara praten, wiens gezicht steeds meer vorm kreeg gedurende de momenten die hij reserveerde om aan haar portret te werken.

Op een dag kondigde Laura aan dat ze klaar was voor haar expositie. Alle andere schilders waren blij voor haar, en op de grote dag had zowat iedereen tijd gemaakt om bij haar grote moment te zijn. Iedereen was netjes gekleed, en de expositie werd gehouden in een kleine maar erg nette galerij in een rustig deel van New York. Meneer Ostring en Jess waren er, net als Barbara. Dat was een verrassing voor Ron; hij had haar eigenlijk nog nooit gezien.

De hele expositie was een groot succes. Laura’s werk was niet altijd wat Ron mooi vond, maar dat was een van de bijzondere dingen aan hun vak: je kon alle kanten op en er waren altijd wel mensen enthousiast over iets wat je had gemaakt.

Aan het eind van de avond was er een kleine receptie, in besloten kring. De schilders waren er, meneer Ostring en Jess, en een aantal mensen die Ron niet kende. Vol trots liet Laura daarna weten dat vier mensen al een bod hadden uitgebracht op een aantal van haar werken. Daar kreeg ze een staande ovatie voor, want vier geïnteresseerden was best veel.

Vanaf dat moment kreeg de tijd voor Ron vleugels. Hij had nog maar een paar weken om zijn laatste twee schilderijen te maken. Een als een opdracht om iets in de stijl van Marc Chagall te maken, en de laatste voor zijn eigen expositie. Hij was daar zo druk mee dat hij amper tijd had om iets aan Clara’s beeltenis te doen. Hij was blij dat haar gezicht zo goed als klaar was, en de haarlijn was ook klaar; een vlotte korte coupe.

De gesprekken met Clara waren een vast onderdeel van de avonden geworden, en soms ook van de ochtenden. Het feit dat ze er ‘s morgens niet altijd was maakte de verbinding met haar stem bijzonder. Zo werd dat geen vaste prik, want routines waren gevaarlijk.

Na een dag hard werken aan de Chagall-improvisatie, die nu af was, trakteerde Ron zichzelf op een biertje. Hij was erg tevreden over hoe het werk uit de verf was gekomen, en hij grijnsde om zijn woordgrapje. Het was echt goed geworden, tot zijn eigen verbazing. Alle andere opdrachten, behalve de twee in de stijl van Van Gogh, waren allemaal aardig gelukt, maar deze en de Van Goghs waren echt goed geworden. Meneer Ostring had Ron zelfs opgebeld nadat hij de Van Gogh-reproducties had gezien.

“Je bent moe, Ron,” zei Clara. Ze was er onmiddellijk nadat hij zijn ogen even dicht had gemaakt. Het voelde voor hem alsof haar gezicht heel dicht bij het zijne was, en meteen zag hij een paar details die hij misschien nog kon verbeteren.

“Ben ik ook, Clara. Dit was een uitputtingsslag maar wel de moeite waard. Morgen kan ik het even wat kalmer aan doen. Ik heb alleen nog het laatste doek voor mijn tentoonstelling, en dat is bijna klaar, dus de druk is wel van de ketel af.” Hij genoot van de sensatie van haar glimlach die hij nu ook kon zien. Haar glimlach was meestal amper te merken, maar hij kende haar gezicht inmiddels zo goed dat hij elke kleine beweging opving.

“Je zou kunnen gaan wandelen,” stelde Clara voor. “Ik heb gezien dat wandelen goed is voor je.”

Ron knikte. “Misschien moet ik dat doen. Ik blijf nog even zitten. Even tot rust komen. En met jou praten.”

Clara´s ogen. Hoofdstuk 10, deel 1.

Clara's ogen

10. Felicity

“Hallo Ron,” zei Clara toen hij in bed lag.

“Hé, Clara.” Daar was de glimlach weer. “Hoe is het met je?” Ze bleef stil. Ze kon het hem dus weer niet vertellen. Dat intrigeerde hem. “Shelley vindt je ook leuk,” zei hij daarop. “Zij is mijn zus.”

“Dat is leuk.” Haar reactie klonk wat koel. Misschien wist ze niet wat een zus was, bedacht Ron.

“Morgen neem ik je mee terug naar New York. Je schilderij, bedoel ik dus. Ik ga echt mijn best doen om dat af te maken. Ik wil weten hoe je eruit ziet.” Diep in zijn hart wist hij dat al maar dat wilde hij eigenlijk nog niet weten. Op die manier bleef er nog iets mysterieus om Clara zweven.

“Dat vind ik fijn. Was het leuk vandaag?” Op een of andere manier voelde Ron iets meer diepte in haar stem, meer volume. Alsof ze beter leerde praten door al hun gesprekken.

“Ja, het was leuk. Dank je. Ik hoop dat jij je niet alleen hebt gevoeld.”

“Nee.”

Ron schudde zijn hoofd. “Er is zoveel aan jou dat ik niet begrijp, Clara.”

“Is dat echt zo?”

“Ja. Teveel dingen, misschien zelfs. Ik weet niet waar je bent. Ik heb geen idee hoe je hier terecht bent gekomen. Jij wel?”

“Ik weet het niet zeker, Ron. Jij bent de eerste met wie ik praat. En ik weet ook niet hoe ik hier terecht ben gekomen.”

“En je hebt geen idee waar je bent. Dat is ook zo’n puzzel.” Hij probeerde zich voor te stellen hoe het was om ergens te zijn zonder te weten waar dat was. Of wat het was. Want ze had nog nooit kunnen uitleggen hoe haar omgeving eruit zag, behalve ‘donker’.

“Ja. Jij moet nu gaan slapen, Ron,” zei ze.

“Dat klopt.” Hij zuchtte even.

“Is er iets mis, Ron?”

Rons wangen gloeiden in het donker toen hij toegaf dat hij haar het liefst in zijn armen wilde hebben en dan in slaap vallen. “Dat gebeurt niet vaak, Clara, maar jij doet iets met me dat ik niet kan verklaren.” En niet kwijt wil, dacht hij erachteraan. En weer voelde hij die vreemde sensatie terwijl ze glimlachte.

“Slaap lekker, Ron.”

“Goedenacht, Clara…”

~~~

De volgende dag ging veel te snel voorbij. Ron was druk met dingen bij elkaar zoeken en in tassen stoppen, en hij pakte Clara’s Ogen heel goed in. Veel te snel stond Shelley aan de deur om hem op te halen, zodat hij hun ouders nog even kon zien voor ze hem naar de stad en het busstation bracht.

Eenmaal daar gaf hij zijn zus een enorme knuffel en vroeg wat hij haar schuldig was voor de benzine, maar dat wuifde ze weg. “Zorg maar dat je veilig aankomt, en bel even als je er bent,” zei ze. Hij beloofde dat te doen.

De bus was behoorlijk vol deze reis, dus moest Ron een paar toeren uithalen om goed te kunnen zitten en het doek niet te beschadigen. De chauffeur had aangeboden om het in de bagageruimte te stoppen maar daar wilde Ron niets van weten.

Het was een vermoeiend eerste deel van de reis. Daarna kwam de stoel naast hem vrij en kon hij het schilderij en een tas naast zich kwijt in plaats van bovenop hem.

Tegen de tijd dat hij in zijn appartement aankwam was hij doodmoe. Vooral in het begin had hij doodsangsten uitgestaan dat Clara’s Ogen zouden worden beschadigd. Hij was het gaan zien als meer dan een schilderij. Het was, op een vreemde manier, de personificatie van de vrouw met wie hij, in zijn hoofd, al die gesprekken had. Na een telefoontje naar zijn zus pakte hij het snel uit en zette hij het doek op de kleine bank. Hij ging er tegenover zitten en bekeek de ogen, en de omtrek van het gezicht.

“Ben ik nou officieel gek aan het worden?” vroeg hij. Er kwam geen antwoord, dus het was waarschijnlijk niet zo erg. En niemand had Vincent van Gogh verteld dat hij gek was, dus dat was extra bemoedigend. Wat was het voordeel van de twijfel toch een geweldig iets.

Clara´s Ogen. Het laatste stukje Hoofdstuk 9.

Clara's ogen

Zoals altijd was het etentje bij zijn ouders een vrolijke en smakelijke aangelegenheid. Shelley had geholpen in de keuken, omdat hun moeder ook de jongste niet meer was. Mevrouw Brooks wilde dat nog steeds niet geloven, maar ze was toch altijd blij met wat hulp.

Na het eten zat iedereen na te genieten in de huiskamer, de meesten met een glas wijn, Ron met een biertje. Ron vertelde honderduit over het vreemde welkom in New York, hoe hij tot het contract was gekomen en over het appartement waar hij nu woonde. Hij liet ook wat foto’s zien die hij met zijn telefoon had gemaakt. Shelley was wederom onder de indruk dat hij nog steeds scheve en slechte foto’s maakte, maar moest toegeven dat New York er, ook schots en scheef, indrukwekkend uitzag.

“En je weet zeker dat geen van de schilderessen daar een goede match voor je zijn?” vroeg ze nog eens.

“Heel zeker. Laura is erg leuk maar ze is een zigeunerin. Ik heb geen idee hoe vaak zij per week in haar eigen bed slaapt,” zei Ron. “En Cornelia… die vertrouwt helemaal niemand.” Hij herhaalde het commentaar van Marcus, dat Ron niemand moest vertrouwen die door Cornelia werd vertrouwd. “En de anderen… nee. Niet voor mij.”

“Ron, je bent gewoon te kieskeurig,” zei zijn moeder terwijl ze de hand van haar echtgenoot even vastpakte. “Net als je vader, en die vond ook iemand.”

“Ik wil gewoon een schoonzus,” zei Shelley met een grijns op haar gezicht. “Ik blijf erbij dat hij ergens een schatje verstopt heeft. Hij is haar aan het schilderen, wisten jullie dat?”

Door die opmerking zei Rons moeder dat hij maar eens moest opschieten en die juffrouw eens mee moest brengen, waarna Ron uitlegde dat hij enkel maar een meisje aan het schilderen was dat hij zelf bedacht had.

“Geloof mij maar,” zei Shelley, “hij heeft best een goede smaak. Als ze echt was zouden jullie haar heel leuk vinden.” Ze keek naar haar broer. “Zeker dat je haar niet stiekem ergens hebt gezien?”

Ron schudde zijn hoofd. “Zeker weten. Dat zou ik me herinneren.” De gedachte aan Clara liet hem glimlachen, en dat was weer koren op Shelley’s molen om hem nog even langer te plagen. Iedereen moest erom lachen.

Het was knap laat geworden. Ron en Shelley stonden bij hun auto’s.

“Moet je morgen alweer weg,” zei zijn zus wat spijtig.

“Ja. Een paar dagen is een paar dagen.”

Shelley zei dat ze hem op tijd op zou halen en naar de bus zou brengen. “En niet te lang wachten voor je weer een keer hierheen komt, lange.”

Ron beloofde dat.

Clara s Ogen. Hoofdstuk 9, deel 3.

Clara's ogen

Ron lachte om haar opmerking. “Geen bier, echt niet. Geeneens lunch, trouwens. Ik heb haar echt gewoon maar bedacht. En Clara is een leuke naam, toch?”

“Je stelt me teleur, Ron. Je weet dat ik zit te wachten op een schoonzus waarmee ik kan roddelen, en je blijft die boot maar afhouden.” Shelley zuchtte en liet zich in op een stoel vallen. “Ik draag je bij deze op om er een voor me te vinden. Zij zou goed zijn, maar aan de andere kant zou ik wel een hekel kunnen krijgen aan een schoonzus die er beter uitziet dan ik.”

Ron schudde zijn hoofd terwijl hij zijn spullen ging schoonmaken. “Je zult het hiermee moeten doen, Shell. Ze zit enkel in mijn hoofd.” En hoe, voegde hij er in stilte aan toe.

Shelley snoof luidruchtig. “Als ik zie hoeveel details er al in dat gezicht zitten, dan denk ik dat ze ook al in je hart zit, broertje.” Ze grinnikte en zei dat ze dat niet zo erg vond. “Op die manier heb ik geen concurrentie. Bijna klaar om te vertrekken?”

De schilder keek nog even naar het gezicht op het doek en voelde de neiging om sorry te zeggen tegen Clara, maar met zijn zus in de buurt zou dat heel raar zijn. Hij trok zijn schildershemd uit controleerde dat alle tubes verf dicht waren en daarna vond hij zichzelf geschikt om de buitenwereld te betreden.

“Mooi niet. Schone broek aan, anders kom je niet mijn auto in,” commandeerde Shelley. “Ik weet dat mensen als jij zo slordig kunnen zijn, maar als je zo blijft dan krijg ik die schoonzus nooit, Ron. Dus opschieten.” Of ze de broek bedoelde of de schoonzus liet ze in het midden. Daarna begon ze hem uit te horen over de vrouwen in de schildersgemeenschap, en of een van hen misschien de rol van aanstaande schoonzus over zou kunnen nemen. Ron wist dat ze dat hoofdzakelijk deed om hem te plagen en lachte om de meeste vragen die ze op hem afvuurde.

Toen hij zich had omgekleed reden ze naar de stad waar ze iets gingen eten en daarna zouden ze een aantal van Rons vrienden ontmoeten. Die vonden het leuk dat hij weer thuis was, al was het maar voor een paar dagen. ‘s Avonds zouden Ron en Shelley bij hun ouders eten.

Shelley zette Ron thuis af. “Je hebt genoeg tijd om je even op te knappen, broertje,” zei ze. “En niet vergeten, half zeven daar.”

“Even opknappen,” mopperde Ron niet overtuigend. “Jij en al je opknappen zorgt ervoor dat er geen vel op mijn lijf blijft.”

“Hup, eruit, douchen!” riep Shelley terwijl ze deed alsof ze hem wilde meppen. Lachend stapte Ron uit en zei dat ze voorzichtig moest rijden.

Toen ze weg was ging Ron naar binnen en schoot even onder de douche. Daarna, met schone kleren aan, stond hij voor Clara’s beeltenis. “Je wordt verdomd een mooie meid, Clara,” zei hij.

“Vind je dat echt, Ron?”

Haar stem overviel hem zo dat hij even schrok. “Ja. Beslist. Het is nog lang niet klaar, maar ik ben heel erg tevreden met hoe het wordt.”

“Ik ben blij dat je me mooi maakt, Ron. Dank je.”

Ron glimlachte. Ze klonk echt dankbaar. “Ik mocht willen dat ik je kon schilderen met jou als model, Clara.”

“Nee,” zei ze. “Dit is beter. Ik wacht tot je me helemaal hebt geschilderd, Ron. Ik denk dat jij me mooier maakt dan ik zou kunnen zijn.”

Toen hij dat hoorde moest de schilder toch even gaan zitten. De golf van emotie die hem overviel raakte hem diep. Haar eenvoud en eerlijkheid was steeds weer een verrassing, en even had hij het gevoel dat hij verliefd werd op haar. Alweer. Een traan die over zijn wang rolde herinnerde hem eraan dat hij op tijd weg moest.

“Ron? Ben je verdrietig?” Weer haar rustige stem, nu met een hint van bezorgdheid.

“Nee. Ja. Ik weet het niet. Sorry. Opeens mocht ik willen dat je echt bent.”

“Waarom?”

“Omdat jij jezelf bent, Clara.” Hij zuchtte en zij zei niets. “Ik moet nu gaan. Mijn ouders en mijn zus verwachten me.”

“Tot later, Ron. Ik ben hier. Als je gaat slapen.”

“Dag Clara, tot straks.”

Ron verliet zijn huis en stapte in zijn auto. Shelley had daar goed voor gezorgd; de motor startte meteen. De auto leek ook een stuk schoner dan eerst.

Clara s Ogen. Hoofdstuk 9, deel 2.

Clara's ogen

De telefoon ging. Ron stak zijn penseel tussen zijn tanden en beantwoordde de telefoon daardoor met een soort spraakgebrek.

“Hé, Ron, met Shelley. Wat ben je vandaag aan het doen? Ik heb vanmiddag vrij, als je wilt kunnen we er samen op uit.”

Ron legde het kleurenpalet aan de kant en de penseel ernaast zodat hij verstaanbaar was. “Dat klinkt leuk, zus.”

“Je klinkt weer superenthousiast,” lachte ze. “Ben je druk?”

“Schilderen,” verklaarde hij.

“Wat ben je aan het schilderen?” vroeg ze. “Ik dacht dat je naar huis was gekomen om niet te schilderen.”

“Niet wat maar wie. Ik ben een meisje aan het schilderen.”

Even was Shelley stil. “O god, je gaat me toch niet vertellen dat je in New York de vrouw van je dromen bent tegengekomen? Hoe ziet ze eruit? Schildert ze ook? Hoe heet ze? En wanneer kan ik haar eens ontmoeten?”

Haar stroom van vragen ging nog een tijdje door. Ron kreeg geen tijd om antwoord te geven. Dat was prima want wat zou hij moeten antwoorden?

“Nee, weet je wat, vertel me maar niets over haar. Maak haar schilderij klaar en dan kijk ik als ik er ben. Ik kom zo snel mogelijk en dan moet je me alles over haar vertellen. Sneller schilderen, broertje, want ik wil mijn toekomstige schoonzus zien!”

Met een zucht beëindigde Ron het gesprek. “Net wat ik nodig had,” zei hij tegen zichzelf terwijl hij weer naar het doek keek. Hij zat er vlakbij. De omtrek van haar gezicht stond er al, met fijne potloodlijnen, en hij was net bezig om haar gezicht wat basiskleur te geven. Rond haar ogen was het gezicht al aardig gelukt en ook haar neus begon vorm te krijgen. Om haar mond zat ook al wat kleur. Het was een precisieklus.

Het verbaasde hem een beetje dat hij haar ogen nogal hoog op het doek had gezet, maar nu kwam dat wel goed uit. Zo had hij de ruimte om Clara veel verder uit te werken. Ron pakte het palet op en werkte nog een tijdje aan haar gezicht. Toen hij daarover tevreden was pakte hij weer een potlood en begon hij de details van haar haren in te vullen.

Na een aantal pogingen, die hij telkens weer uitveegde, schudde hij zijn hoofd. “Dit klopt niet,” mopperde hij, en stapte terug van het doek. De omtrek was goed maar er miste iets, en hij kreeg nu niet te pakken wat dat was. Hij besloot dat zo voorlopig te laten en bekeek haar gezicht. Ja, dat ging echt de goede kant op.

Ron genoot even van de ver-weg-uitdrukking die haar ogen hadden, alsof ze naar iets uitkeek, en tegelijk vond hij dat hij Clara’s lichtelijk naïeve kant ook goed had geraakt. Het korte haar stond haar goed, en wat er verder nog met het doek ging gebeuren liet hij even aan de willekeur van een potlood over. Iets met een zomerjurk, besloot dat potlood. Het idee was goed, maar de uitwerking had nog wel het nodige aan aandacht nodig.

Hij was nog steeds druk bezig toen Shelley arriveerde. Hij was zo gefocust op zijn werk dat hij haar niet eens hoorde binnenkomen. Pas toen de deur flink hard dicht knalde draaide hij zich om.

“Hé, schildertje.”

“Hé, zustertje.” Hij grinnikte.

Shelley liep om de ezel heen. “Jeetje, Ron! Dat is een knap ding dat je gevangen hebt! Hoe heet ze?”

“Clara.” Verdomme, dacht hij daarna meteen. “Maar ze is niet echt. Ik heb haar bedacht en getekend.”

“Wat?” Shelley was heel wat gewend van haar broer maar dit ging wel erg ver. “Heb je teveel bier gehad? Dat moet wel. Je geeft een gezicht op een doek toch geen naam?”

Clara’s ogen. Hoofdstuk 9, deel 1.

Jeetje, ik heb weer een vergissing gemaakt. Heel hoofdstuk 8 is de revu al gepasseerd. Ik ben echt goed met bloggen, he? 😉

We pakken de draad op op het moment dat Ron even naar huis gaat.

Clara's ogen

9. Weer thuis

De volgende ochtend was Ron al vroeg op. Hij pakte snel de paar dingen in die hij mee wilde nemen en daarna pakte hij de plaatselijke bus naar de centrale vertrekhal van de lange-afstandsbus.

Hij was ruim op tijd, dus gunde hij zich in een restaurantje een ontbijt en wat extra koffie, en daarna vond hij zijn plek in de bus die hem naar huis zou brengen.

Toen de reis begon was de bus maar half vol. Het vertrek was perfect op tijd en Ron keek voor de tiende keer op zijn horloge. De reis zou zes uur duren en hij had zich daarop voorbereid met een hoop luistermuziek op zijn telefoon en de nodige dutjes. Een paar keer probeerde hij met Clara te praten, maar die was er niet. Dat idee maakte hem aan het lachen; ze was er eigenlijk nooit. Niet echt in elk geval. Ron vroeg zich even af of ze alleen in de buurt van New York kon ‘verschijnen’, maar toen hij dat bedacht kwam de bus net aan bij het busstation.

De passagiers verdrongen zich bij de deur om zo snel mogelijk buiten te komen. Dat werkte natuurlijk tegen, dus duurde het even voor Ron met zijn tas ook de bus kon verlaten. Hij stond amper buiten toen hij Shelley hoorde roepen. Ze zwaaide als een gek en kwam toen op hem af hollen.

“Hé broertje! Welkom thuis. Zeg eens wat op z’n New Yorks.” Ze lachte terwijl ze het zei.

“Zo ver ben ik nog niet, Shell, en ik denk ook niet dat dat ooit gaat komen. Ze praten allemaal zo snel daar, je wordt er helemaal gek van.”

Het duurde niet lang voordat ze in haar auto zaten en snel daarna waren ze op weg naar huis. Naar Midlothian. Het verkeer was heel aardig voor hen, en daardoor duurde het amper een half uur voor ze de borden richting Midlothian al zagen. Shelley stuurde de auto meteen naar het huis van hun ouders, want dat hadden ze gevraagd. Ron zou en moest daar blijven eten, en Shelley ook, en de ‘wereldreiziger’ moest alles vertellen over zijn belevenissen in de grote stad.

Ron had het idee dat hij nog lang niet alles verteld had toen Shelley aankondigde dat ze hem naar zijn eigen huis zou brengen.

“Wil je dat ik morgen even langskom?” vroeg ze terwijl Ron de veiligheidsgordel losmaakte.

“Ja, leuk, maar bel eerst even,” zei Ron. “Ik wil een stuk gaan lopen morgen. In de natuur. Dat gaat daar amper. Het lijkt daar een betonnen jungle vergeleken met hier.”

Shelley zei dat ze dat meteen geloofde, en dat was ook de reden dat ze nooit naar zo’n plek zou willen verhuizen. “Slaap lekker, broertje.”

“Dank je, Shell. Ook voor de ritjes en zo.”

Ze zwaaide terwijl ze wegreed. Toen draaide Ron zich naar zijn kleine huis. Hij was toch wel heel erg blij weer hier te zijn, om zijn eigen stek weer te zien. Snel ging hij naar binnen.

Zijn zus had het hier goed bijgehouden. Beter dan Ron ooit zou doen, moest hij voor zichzelf bekennen. Zonder te stoppen liep hij naar de kleine kamer waar al zijn half afgewerkte projecten op hem wachtten en haalde het doek met de ogen uit het rek. In de woonkamer maakte hij alle lampen aan, zette de schildersezel op en zette het schilderij erop. Daarna haalde hij de doek ervanaf.

Even moest hij een stapje terug doen terwijl hij naar adem hapte. Dat waren echt Clara’s ogen.

“Ron…” Clara’s stem was er zo plotseling en duidelijk dat hij zich omdraaide om te zien waar ze was.

“Clara.” Een glimlach trok over zijn gezicht toen hij haar stem hoorde.

“Ben je nu thuis? In je eigen huis?”

“Ja, daar ben ik nu. En ik weet niet of jij er iets van kunt zien.” Ron keek weer naar het schilderij. “Ik kijk nu naar de ogen die ik heb geschilderd. Jouw ogen.”

“Als je stilstaat dan kan ik ze zien, Ron. In de reflectie in je ogen…”

Ron stond dus stil, en probeerde niet te knopperen.

“Dat zijn mijn ogen.” Het klonk half als een constatering, half als een vraag.

“Ja, Clara. Dat zijn jouw mooie ogen.” Opeens baalde Ron dat het al zo laat was. Hij wilde aan haar gezicht beginnen, maar daarvoor had hij daglicht nodig, zodat hij de goede kleuren kon zien.

“Dank je dat je me dit liet zien, Ron.”

“Graag gedaan, Clara.”

“Moet je nu gaan slapen, Ron?”

“Eigenlijk wel, ja. En dan kan ik morgen aan je gezicht gaan werken.”

Clara’s Ogen. Hoofdstuk 7, deel 5.

Clara's ogen

De volgende ochtend belde Ron naar Barbara op kantoor, en vroeg of hij een paar dagen weg kon. Hij legde de nadruk op zijn ouders, maar dat bleek helemaal niet nodig te zijn.

“Ron, als je denkt dat je even weg moet, dan moet je gewoon gaan. Als je ons maar laat weten wanneer je weg bent en weer terugkomt. En laat het de anderen even weten, zodat die zich geen zorgen maken. Het is geweldig dat je je ouders wilt gaan bezoeken. Die zullen beslist trots op je zijn,” was Barbara’s reactie.

“Dat zijn ze denk ik wel. Ze hopen dat ik het hier in de grote stad ga maken,” zei Ron en grijnsde.

“Charles Simmons had een hoge dun van je werk,” zei Barbara. “Ik weet zeker dat je hier op je plek zult zijn.”

Ron regelde dat hij drie of vier dagen weg zou zijn. Het duurde even voor hij een goede busverbinding had gevonden die ook nog betaalbaar was. Die avond vertelde hij de anderen over zijn korte vakantie en iedereen wenste hem goede reis en enkele schilders vroegen hem de groeten te doen aan zijn ouders en zijn zus.

Ross klapte Ron op de schouder. “Blij dat je je verstand terug hebt, jongen. Als ik dat terugvind ga ik ook even op een trip. Maar ja, iedereen zegt dat ik een verloren zaak ben, dus…”

“Ik snap dat wel,” zei Ron. “Dit is echt een gave plek om te werken, en dat het zo makkelijk is om even vrij te nemen… helemaal geweldig.”

Laura knikte. “Als er een droom waar kan worden dan gebeurt dat hier, Ron. Het is veilig, leuk betaald, een dak boven je hoofd en heel veel vrijheid. Ik kan daar wel mee leven.”

Marcus vertelde daarop wat verhalen over reizen die hij had gemaakt terwijl hij voor Ostring Art werkte. Sommige waren dolkomisch en sommige waren ontroerend. Hij beloofde dat hij eens wat foto’s zou laten zien, en ook een schilderij dat hij op zo’n reis had gemaakt. “Dat was toen ik in Californië was, bij de Redwoods, die enorme bomen. Meneer Ostring wilde het van me kopen maar ik kan er geen afstand van doen.” Uiteraard moest iedereen na die opmerking het schilderij zien, dus was het na het gezamenlijke avondeten even heel druk in Marcus’ appartement.

Iedereen vond dat Marcus het juiste besluit had genomen. Het schilderij had een bijna tastbare atmosfeer. Zoiets verkocht je niet. Omdat de bezoekers schilders waren hadden ze allemaal hun eigen ideeën om het schilderij nog beter te maken, maar Marcus lachte daarom. Hij was tevreden met zijn werk, en dat was waar het om ging.

Ron lag vroeg in bed die avond, en hij belde even naar zijn ouders en toen zijn zus om aan te kondigen dat hij een paar dagen thuis zou zijn. Hij had wel verwacht dat ze dat leuk zouden vinden, maar het nieuws leek aan te komen als het beste van het jaar.

Shelley bood aan om hem in Richmond van de bus te komen halen, ondanks dat hij daarvandaan met een andere bus makkelijk in Midlothian zou kunnen komen. “Dan hoef je niet zo te sjouwen en te zoeken, Ron.”

Hij zou weinig te sjouwen hebben, maar hij nam het aanbod dankbaar aan. Het was wel zo makkelijk en het gaf Shelley meer tijd om hem al het lokale nieuws te vertellen.

“Je bent opgewonden,” zei Clara toen hij het licht uit had gedaan en zijn ogen had gesloten.

“Dat klopt. Ik wist niet dat ik mijn familie zo zou missen, tot nu.”

“Is het leuk om familie te hebben?” vroeg Clara. Er was totaal geen emotie in haar stem, en dat maakte dat Ron zich afvroeg of ze wel wist wat familie eigenlijk inhield.

“Voor mij is het dat wel,” zei Ron voorzichtig.

“Dan ben ik blij dat je erheen gaat.”

“Ik ook. En ik breng het schilderij van jouw ogen mee terug. Dan kan ik je een gezicht geven, Clara.”

“Dank je, Ron. Slaap lekker.”

“Welte… ehm, goedenacht, Clara.”