Clara's ogen – Pagina 9 – Paul's Boekenwereld

Clara’s ogen. Deel 2

Zoals al aangekondigd, elke zondag een stukje van het verhaal over Clara’s ogen. Hier is het volgende deel uit hoofdstuk 1…

Clara's ogen

Na de rit trakteerde hij zichzelf op een biertje en smeet zichzelf daarna in zijn hangmat. Die hing officieel gedeeltelijk in de tuin van de buren maar die vonden dat geen punt als hun zoontje de hangmat ook af en toe mocht gebruiken. Op die manier was dat prettig geregeld.

Terwijl hij daar zo tussen de bomen hing, dacht hij na over zijn leven en de toekomst. Op een of andere manier moest er iets gebeuren, want het kleine plaatsje Midlothian in Virginia waar hij nu woonde zou hem nooit de grote doorbraak opleveren waar hij op hoopte. Daarvoor zou hij naar de grote steden moeten, met de grote mensen en de grote galerijen. Plaatsen als Los Angeles, of New York. Of Miami. New York zou het helemaal zijn, wist hij, maar hij wist ook dat daar al veel te veel berooide artiesten rondliepen die met prutsbaantjes hun bestaan bij elkaar moesten schrapen.

Misschien, zo fantaseerde hij, moest hij naar Frankrijk, waar zijn idool Vincent van Gogh had gewoond. Werken aan schilderijen op het platteland, mooie doeken maken en dan doorbreken in Parijs. Dat klonk geweldig. Oké, hij zou dan wel Frans moeten leren, maar dat leek hem niet zo’n probleem. Hij dagdroomde een tijdje over de agenten die hem zouden bekogelen met uitnodigingen om naar New York te komen, voor een grote expositie in een beroemde galerij, zoals Hauser&Wirth of zelfs de Gagosian Gallery. Dat was wel wat anders dan de kleine tentoonstelling die hij hier in Midlothian eens had gehouden, in een gemeenschapshuis.

Ron merkte pas dat hij in slaap was gevallen toen zus Shelley een straal water in zijn nek spoot uit de fles die ze bij zich had. Van de schrik viel hij bijna uit zijn hangmat.

“Jezus, Shell, moet dat?!”

Shelley klapte dubbel van het lachen. “Mij maakt het niet uit. Jij ligt bijna op de grond, ik niet!”

Ron krabbelde overeind uit de hangmat. “En bedankt hè…” Hij wreef even over zijn gezicht om echt wakker te worden. “Wat brengt jou hier? Ben je je sleutels weer kwijt?”

“Sleutels? Hoezo?” Shelley keek verwonderd, al was ze alom bekend dat niet alleen haar sleutels vaak ergens neerlegde en ze niet meer kon vinden.

“Daarvoor kwam je de laatste drie keer hier, weet je nog?” Hij knipoogde. “Kan ik iets voor je inschenken?” Hij pakte zijn bierblikje. Halfvol en warm.

“Graag!”

Eenmaal binnen dook Ron de koelkast in.

“Is dat Johns zus?” vroeg zijn zus.

“Ja, klopt. Herken je haar?” Dat was positief. “Wat wil je drinken? Cola? Sinas? Bier?”

“Cola! Lekker!”

“Dat…. is jammer.” Ron keek naar de lege fles die hij uit de koelkast had gepakt. Hoe was dat gebeurd? “De Cola is op. Sinas dus?” Dat was prima, vond Shelley, die hem daarna vertelde dat ze was gekomen om hem aan de verjaardag van hun moeder te herinneren.

“Dank je, maar daar had je niet voor hoeven komen, zus. Da’s volgende week zondag,” zei hij, vol vertrouwen.

“Ja, daarom dus. Mam is overmorgen jarig.”

Ron keek even verbaasd. “Je had ook een SMS-je kunnen sturen.”

Clara’s Ogen

Ik ga een begin maken met het publiceren van stukjes uit een nieuw verhaal. Nou ja, nieuw is het niet echt. Het is een verhaal dat ik eerder in het Engels heb geschreven.

Je vraagt je mogelijk af wat er met Otto en Hille aan de hand is. Niets. Helemaal niets. Er zit op dit moment even geen schot in dat verhaal dus heb ik daar helemaal niets over te melden, behalve dan dat er geen schot in het verhaal zit, maar dat had ik al gemeld. 😉

Voor degenen die geïnteresseerd zijn in fantasy en een schilder die met zijn werk allerlei avonturen gaat beleven is er dus nu “Clara’s Ogen”. Het gaat over ogen. En Clara. En ook over Rob Brooks.


Ogen

Clara’s Ogen

Hoofstuk 1. Blok 1.

1. Ogen

Ron keek naar de twee grote ogen in het incomplete, grof geschetste gezicht. Ze keken uitdrukkingsloos terug naar hem. In een opwelling pakte hij een potlood en niet veel later keken diezelfde twee ogen scheel.

“Een stuk beter,” vond de schilder en knipoogde naar de beeltenis van iemands zus. “Dat zou je in werkelijkheid ook wel staan.”

Ogen waren belangrijk. Dat wist hij. Het spreekwoord ‘ogen zijn de poort naar de ziel’ zou speciaal voor hem kunnen zijn uitgevonden, dacht hij wel eens. Jammer dat die schele ogen het niet zouden halen, want Johns zus was niet scheel.

Hij keerde zich weer naar het doek waarop hij met de echte afbeelding bezig was. Het grootste probleem was dat ze niet in de buurt woonde maar heel ver weg, en het enige waar hij mee kon werken waren wat foto’s. Gevaarlijke foto’s, want ten eerste waren ze best oud en ten tweede waren de foto’s waar haar gezicht bruikbaar op stond nogal onduidelijk. John had hem gevraagd om ‘zijn best’ te doen en daarna zou hij wel wat commentaar geven over hoe zijn zus er nu uitzag. Het zou dus meer een schilderij worden van hoe John zijn zus nu zag dan hoe ze er echt uitzag, maar ja, hij betaalde ervoor en dus mocht hij het zeggen. Wat een cadeau voor iemands vijftigste verjaardag.

Een paar uur, wat voortgang en een hoop glazen water later legde Ron de penselen neer. Hij moest er even uit, bewegen, het bloed weer laten stromen in de frisse lucht. Indirect natuurlijk, hij was niet van plan zichzelf leeg te laten lopen. Schilderen was leuk maar dit soort werk was alleen voor het geld. Het had zijn hart niet. Ron wilde de dingen schilderen die iets betekenden, die een essentie weergaven. Dingen die in mensen woonden, en hij wilde die dingen vinden door de beste weg naar iemands ziel. Inderdaad, door de ogen.

De zon was al aan het zakken. Het was de afgelopen dagen bloedheet geweest hier en vandaag was het amper anders. Ron vroeg zich af wat hij zou doen nu hij buiten was. Hij kon een stuk gaan wandelen, of naar het meertje in de buurt gaan om wat te zwemmen, of helemaal niets.

Het werd het tweede, het zwemmen, en dat zou worden gevolgd door nummer drie: helemaal niets doen. En daarna misschien nog wat werk aan Johns zus. Nou ja, aan haar schilderij dus. Als hij daar nog de puf voor op kon brengen tegen die tijd.

Zijn autootje bracht hem vlot naar het meertje. Daar ontdekte hij bij het parkeren al dat hij niet de enige was met dat idee. Het stond er bijna helemaal vol, en toen hij eenmaal naar de waterkant was gelopen zag hij dat het meer ook bijna helemaal vol was. Zwemmende mensen, surfplanken en zelfs een opblaasbare roeiboot wedijverden om wat water. De schilder had het snel genoeg gezien. Dit was niet de rust die hij voor ogen had, dus maakte hij rechtsomkeert en zat snel weer in de auto op de weg naar huis.