Nanowrimo. De kop is eraf.

Nanowrimo.

nanowrimo 2016_webbadge_participant-150Het is dus officieel aan de gang, beste lezer.

Nanowrimo. De wedstrijd waarin schrijvers tegen zichzelf en de klok vechten om in één maand een boek te produceren. Het hoeft geen goed boek te zijn. Om het goed te maken is later tijd, als de correcties gemaakt kunnen worden. November is de tijd om gewoon als een gek te schrijven om al die woorden uit te kramen.

Op dit moment heb ik er ruim 3000 uitgekraamd. Dat is best veel. Per Nanowrimo-dag moet je er minstens 1667 schrijven om aan het eind van de maand aan 50.000 te komen. Ik zit dus al aardig over schema. Ik heb die buffer nodig, want er zijn een aantal dagen deze maand waarop ik niet of nauwelijks zal kunnen schrijven.

Naast die 3000 woorden heb ik ook nog 1100 woorden vertaalwerk gedaan aan ‘In de ban van de stier’. Daarmee ben ik tot het laatste hoofdstuk gevorderd; het is bijna gedaan.

Hoe ziet zo’n snelheidsgeschrijf eruit?

Zoals gezegd, als je dit doet let je niet echt op de belangrijke dingen. Schrijffouten, taalfouten, tikfouten, alles is aanwezig. Voor een kladversie is dat echter geen probleem.

Om een indruk te geven van hoe zoiets uit mijn vingers komt is hier de eerste helft van hoofdstuk 1:

Hoofdstuk 1.

Leif Rosdahl keek de jonge vrouw na die zojuist een bestelling had achtergelaten en de winkel verliet. ‘Alvar!’

‘Wat?’ Alvar Hjelle, medewerker in Leif’s supermarkt, kwam uit het magazijntje.

‘Bestelling. Voor de onderzoekers. Deze keer stuurden ze een hele mooie.’ Leif grijnsde. ‘Die mogen ze beslist nog eens sturen.’ Hij beschreef de jonge vrouw in detail.

‘En dan roep je me niet even,’ mopperde Alvar. ‘Mij laat je in het magazijn gewoon de voorraad opnemen.’ Hij zwaaide met het klembord. De pen aan het touwtje kletterde tegen de achterkant om zijn woorden kracht bij te zetten.

‘Kijk, daar gaat ze.’ Leif wees naar een zwarte auto die wegreed. Hij liep vlug naar de glazen deur die eigenlijk heel onverstandig was voor een plaatsje als Røkland. De kou van de komende winter trok er nu al doorheen. ‘Jammer hoor,’ zei hij terwijl de zwarte auto uit het zicht verdween.

‘Wat moeten ze toch met al die sinaasappelsap?’ vroeg Alvar zich af. Hij was de bestelling aan het bestuderen. ‘Elke week twintig liter.’ Dat was iets waar hij niets van snapte. De rest zag er redelijk normaal uit maar dat sap was onverklaarbaar. ‘Wanneer moeten ze het hebben?’ Hij liep ook naar de glazen deur en keek naar de lucht. Het had al een paar keer behoorlijk gesneeuwd. In het noorden van Noorwegen waren ze altijd vroeg aan de beurt. ‘Ik wil niet vast komen te zitten zoals vorige keer.’

‘Niet zeuren, je bent er toen zelf ook weer uit gekomen.’ Leif had geen tijd voor dat soort details. ‘En ze willen het morgenmiddag hebben.’

De twee mannen begonnen de bestelling vast bij elkaar te zoeken. Het merendeel was geen probleem. Er waren, zoals altijd, wel een paar buitennissige dingen bij zoals schoensmeer maar daar zou Leif nog wel voor zorgen. De leverancier voor zulke spullen was snel gebeld en die beloofde dat de bestelling de volgende morgen zou komen.

‘Ga maar vast naar huis,’ zei Leif tegen Alvar. ‘Het is toch bijna tijd en er komt geen hond meer.’

Alvar knikte. De hele dag was het druk geweest; iedereen in Røkland had zijn of haar kasten hartstikke vol zitten, dat kon niet anders. ‘Tot morgen dan.’ Hij haalde zijn jas op. ‘Hé, Leif? De verwarming in het magazijn doet het weer niet.’ De jas stond nog net niet stijf van de vorst. Er zat niets anders op dan het kledingstuk te ontdooien en dus maar even te wachten.

‘Alweer?’ Leif schudde zijn hoofd en dook onder de balie om zijn gereedschapskist te pakken.

‘Misschien toch eens een monteur laten komen?’ Alvar was dit gedoe onderhand zat.

‘Weet je wat dat kost?’

Leif’s standaard antwoord verbaasde Alvar niet. Hij duwde zijn jas wat steviger tegen de verwarming aan zodat hij snel naar huis kon.

##

‘Hallo, lieverd,’ zei Alvar toen hij binnenkwam. Zijn vrouw Karin was al in het kleine keukentje bezig met het eten.

‘Je bent laat.’

Hij snoof de geur op die hem tegemoet kwam. ‘Ruikt goed bij je.’ Hij liep de keuken in en gaf haar een snelle kus op de wang. Karin wilde niet gestoord worden bij het koken; dat was haar grote hobby.

‘Je bent koud,’ reageerde ze.

‘Weet ik. Ik moest mijn jas weer ontdooien en het vriest buiten.’

Karin keek even over haar schouder. ‘Het vriest al de hele week.’

Alvar begon de tafel te dekken en vertelde zijn vrouw dat hij de volgende dag weer naar het onderzoeksteam moest. ‘Ik snap niet wat die daar doen. Altijd als ik er kom is hun kamp verlaten.’

‘Ze zijn aan het onderzoeken,’ zei Karin. ‘En dat kunnen ze niet als ze binnen zitten te kaarten. Dat snap ik zelfs.’

‘Maar wat willen ze in hemelsnaam onderzoeken? Ze zitten daar midden in het meest verlaten stuk land. Niets dan ijs en sneeuw, en soms komt er een ijsbeer op de koffie.’

Karin zuchtte. Dit gesprek hadden ze altijd, de dag voordat hij daar moest leveren. ‘Rotsen, weet je nog wel? Er zijn ook rotsen. Met ersten en mineralen. Waardevol spul. Aan de kant.’ Snel zette ze de pan op tafel en liep terug voor de volgende. ‘Dat moeten ze dan eerst onderzoeken.’

Alvar knikte. ‘Hoe was jouw dag?’

Karin vertelde over het schooltje waar ze werkte. ‘Twee ziek, en wilde Nils heeft vandaag zijn been gebroken. Het was glad buiten en hij keek weer eens niet uit.’

‘Je zou ze moeten leren hoe ze ijs van de binnenplaats moeten krabben,’ zei Alvar met een grijns. ‘Dan zijn ze bezig en kan Nils niets meer breken.’

Karin keek hem aan en grinnikte terug. ‘Nils kan *altijd* wat breken. Ik weet niet wat zijn ouders hebben gedaan toen ze hem maakten en ik wil het niet weten. Gaan we vanavond nog naar mijn ouders?’ Ze hadden dat wel een beetje afgesproken. Karin’s ouders woonden niet zo ver weg.

‘Het is wel koud…’

‘Zeikerd. We gaan.’

Vreemde namen, Alvar en Leif. Dat klopt. Het verhaal speelt zich voor een deel in Noorwegen af. Ook op andere plaatsen maar ik zeg niet welke dat zijn; dan is de spanning er vanaf.

Tot zover dit eerste kijkje in mijn Nanowrimo-keuken!