Ottomar. Deel 2.

Welkom bij het vervolg van het verhaal van Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer.

Het stukje hieronder heet ‘Vuurdrinker’. Veel plezier!

Otto en Hille

2 – Vuurdrinker

Het was alsof ik vuur dronk. De vloeistof was warm en dik en gleed maar langzaam omlaag. Ik rukte me weg van de schaal en boog omlaag om het vuige spul uit mijn mond en keel te krijgen. Ik hoorde iemand lachen maar dat was niet aan mij besteedt. Met veel moeite wist ik het meeste van het goedje uit te spugen en keerde me naar de jonge vrouw die met kalm aankeek.

“Ik moest het proberen,” zei ze.

“Wat proberen,” zei ik. Mijn stem klonk alsof er grind in mijn keel zat. “Wie zijn jullie? Waar ben ik? En wat is er vannacht gebeurd?” Ik wilde opstaan maar dat lukte me niet.

De jonge vrouw zette de schaal op de grond. “Dat was niet vannacht. Dat was twee nachten geleden. Je bent er snel weer bij,” zei ze terwijl ze opstond. “Pier, jij moet hem vertellen wat er gebeurd is. Jij wilde de eerste beet, nu moet je ook de rest doen.”

De eerste beet? Onwillekeurig voelde ik aan mijn nek waar ik me de korte, brandende pijn herinnerde. Daar zat een plekje dat nog wel gevoelig was, maar niets waar ik me druk om hoefde te maken, wist ik. Mijn vingers kwamen schoon terug, zonder bloed. Schoon wilde in dit geval zeggen dat ze niet smeriger waren geworden, want ik zat onder het vuil van het vele vallen op het kerkhof.

Een kleine man in donkere kleren stond op van de tafel die ik niet eens gezien had. Hoe kon ik dit zien, vroeg ik me af. Er brandden geen kaarsen in deze kamer en de muren hadden geen ramen. De man plofte op de grond naast me neer. Met een grijns keek hij me aan. De man had al zijn tanden nog, viel me op. Net als de jonge vrouw, schoot me te binnen.

“Ik ben Pier,” zei de man. “Dat daar is Hille.” Hij wees naar de jonge vrouw die de schaal had opgepakt en wegliep. “En die daar is Straffe.” De man die nog aan de tafel zat hief een hand op en liet die met een dreun weer op het tafelblad vallen. “Luistert. Ik zeg dit maar ene keer. Ge zijt stom geweest om den kerkhof op te komen. Daarvoor moet ge boeten en dat is nu gedaan. Ge had den pech om ons te vinden – hah, of wij u – anders had ge er beter afgekomen. Ge had nog kunnen leven.”

De man sprak wartaal voor me dus vroeg ik of hij eindelijk eens wilde zeggen wat er eigenlijk aan de hand was. Ik moest weg, naar mijn huis en mijn werk. En naar Annegien die zich nu waarschijnlijk al vreselijke zorgen zou maken, net als mijn ouders en mijn twee zussen.

“Werk?” Pier, Straffe en Hille moesten daar allemaal om lachen. “Dat kunde ge vergeten, jong. Ge zijt nu gelijk ons. Ge zijt ‘nen vampier. Vampiers werken niet.”

“Wat?” Ik snapte niet waar de man het over had en ik besloot dat ik het niet wilde weten maar toen ik wilde opstaan hield hij me met één vinger tegen. Wat was die kleine man sterk! Ik schrok ervan.

“Niet weglopen, jong, of ge zijt met een paar uur kapot.” Pier stond op. “Kom. Aan tafel praat het beter.” Hij hield een hand uit en trok me overeind alsof ik niets woog. Op het moment dat ik op mijn eigen benen stond wist ik al dat er iets dramatisch anders was want alles aan en in me voelde vreemd.

*

Je kunt je niet voorstellen hoe het is om op zo’n manier wakker te worden. Zo ben je blij en verliefd en dronken en zo ben je gebeten door een vampier, dood geweest en kom je weer bij bewustzijn maar dan zelf als vampier.

Het gekke is dat vampieren in die tijd helemaal niet bekend waren maar er liepen er genoeg rond. Nu nog, al zul je ze niet zo snel herkennen. En nu niet aankomen dragen met dat oude sprookje van zonlicht, zilveren kogels – o nee, dat is voor weerwolven – en wijwater. Zonlicht is juist lekker warm voor ons soort en van wijwater word je enkel nat als ze met genoeg gooien. Dat spul is verder nergens goed voor.

Ik zal je straks wat meer vertellen over wat er in die tijd met Pier, Hille en Straffe gebeurde. Momenteel heb ik het geluk dat ik bij een groot bedrijf werk, als computerprogrammeur. We verzorgen de automatisering voor de bevoorrading van supermarkten en zo, en dat bevalt me prima. Daar snap je denk ik niets van want dat past niet in het stereotiep van de vampier maar ook wij gaan met de tijd mee. Het zou wat wezen zeg, om in deze tijd met een lange zwarte mantel aan rond te lopen, met een degen te zwaaien en al dat soort ouderwets gedoe meer. Dan kom je snel genoeg in de problemen, tenzij het carnaval is.

Wat ik je kan vertellen is dat het goed is om wat kennissen te hebben die je lot delen. Ik bedoel dan niet iemand van het kaliber van Pier of Straffe. Die zijn al lang geleden tegen de verkeerde aangelopen. Hmm, misschien wel de goede want die hoeven niet meer met de tijd mee. Ze zijn weg. Ja, ook dood, maar dat waren ze al een tijdje. In de 19e eeuw, toen elektriciteit uit werd gevonden, waren ze net even te nieuwsgierig en zijn toen geëlektrocuteerd. Ik was er niet bij toen het gebeurde maar naar wat ik heb gehoord was dat geen prettig einde. Het duurde een hele tijd voordat ze echt weg waren, vertelde iemand. Ja, elektra is een manier om vampieren uit te schakelen, als het voltage maar hoog genoeg is. Voorlopig maar niet aan denken, want ik voel me in deze tijd wel op mijn gemak, en Hille kan zich hier ook aardig redden.

We wonen sinds een tiental jaren weer bij elkaar en dat gaat nog goed. We weten niet hoelang nog, maar dat zien we wel. Om een of andere reden kunnen we nooit echt lang bij elkaar blijven. Elke dertig jaar of zo dan krijgt een van ons de kriebels en dan zien we elkaar weer een tijdje niet. Dat moet dan gewoon. Tegenwoordig, sinds de uitvinding van de telefoon en zeker met die smartphones, is het wel een stuk makkelijker om contact te houden als je niet bij elkaar bent. Hille heeft een tijdje in Engeland gewoond en ook in Frankrijk en Italië. Ze spreekt haar talen dan ook bijna perfect na al die eeuwen oefening. Ik mocht willen dat ik dat kon maar aan mij kan iedereen meteen horen waar ik vandaan kom.

Hille lacht me nog vaak uit omdat ik soms die oude woorden gebruik, van vroeger, terwijl ik vind dat dat best meevalt…

Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer-2

Otto en Hille

Hier is deel 2 van het eerste stukje van Ottomar en Hille. Mocht je het gemist hebben, hier is het eerste deel. De volgende bijdrage wordt heel deel 2, want het verhaal begint erg gesmeerd te lopen… De eerste alinea heb je al in stukje 1 gezien, maar om je herinnering op te frissen…

In het begin was het lastig om op het kerkhof te lopen want ook overdag durfde bijna geen goed mens zich op het kerkhof te wagen, dus waren de vele paden amper onderhouden. Overal lagen takken en twijgen, en op veel plaatsen lagen de restanten van het slechte leven, achtergelaten door rovers en ander slecht volk. Ik was al verschillende keren gevallen en door de port in mijn aderen werd het opstaan steeds lastiger.

Het eerste besef dat er echt iets niet pluis was op het kerkhof kwam tot me toen ik de stank rook. Die was opeens overal om me heen en in het duister kon ik niets zien. Ik had een sierdegen bij me, niets waard in een gevecht, maar ik trok het ding toch. Het had al vaker idioten en agressieve dronkaards verjaagd, dus hoopte ik op hetzelfde hier. Niets was minder waar.

Er schoot iets langs me. Ik voelde het meer dan dat ik het zag, want ik zei al dat het stekeduister was. Het wezen sloeg de sierdegen uit mijn hand en brak tegelijk twee van mijn vingers. Ik denk nu nog dat mijn geschreeuw vele goede mensen van het oude Vlaardingen de schrik aangejaagd heeft op die avond. Ik hoor het ze zeggen: niet pluis, vol gespuis.

De klap die ik van achteren kreeg was pijnlijk en smeet me neer in de smurrie op de grond. Toen werd me duidelijk dat mijn laatste uur geslagen had. Dit kon alleen verkeerd aflopen. Drie gedaantes waren bij me. Een van hen knielde op mijn rug om me vast te houden. De geur van goedkope, rode wijn die om hem heen hing zal ik nooit vergeten. De tweede gedaante greep een van mijn armen en trok daaraan tot die bijna uit de kom schoot. De derde gedaante knielde daarna bij me neer.

“Ge had hier niet moeten komen, zwakkeling,” zei de stem met een zwaar buitenlands accent in mijn oor. “Ge weet toch wat dit voor ‘ne plaats is? Maar ge hebt geluk. We zullen u laten gaan. Niet zomaar, niet nu, maar ge moogt hier weg als alles gedaan is dat gedaan moet worden.”

“Ga van me af,” wist ik nog te zeggen voor ik een stomp tegen mijn hoofd kreeg waardoor mijn persoonlijke deel van de nacht verlicht werd door allerlei sterren die ik nooit eerder gezien had. (Ik heb ze daarna ook nooit meer gezien gelukkig.) Het laatste wat ik me van dat moment nog herinner is die korte, brandende pijn in mijn nek waarna ik in slaap viel. Tenminste, dat dacht ik toen.

Het vreemde voor mij was dat ik geen hoofdpijn had toen ik mijn ogen weer opende. De port uit de kelders van Annegiens vader had meestal hoofdpijn tot gevolg dus dit was een bijzondere ervaring. De andere vreemde ervaring was het plafond dat eruit zag als ruwe, houten planken.

“Hij is wakker,” hoorde ik iemand zeggen. Dat vreemde accent… Dat had ik vaker gehoord. Toen wist ik het: de avond tevoren, op het kerkhof. Ik ging rechtop zitten en kwam halverwege. Daarna werd ik misselijk en viel achterover, terug op het harde matras.

Een moment later voelde ik een hand onder mijn hoofd. Toen ik opkeek zag ik het gezicht van een jonge vrouw. Ze was smerig en had grote, donkere ogen in een bleek gezicht.

“Hier. Zitten. Drinken. Anders krepeer je,” zei ze. Ik verschoot. Jongedames bezigden zulke taal niet!

“Dat houdt-ie niet,” riep iemand, maar de jonge vrouw hielp me overeind en hield een schaal voor mijn lippen. Ik dronk.

Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer

Ja. Dat is nog eens een naam. Welkom bij een experiment.

Ik ben van plan een vampierenverhaal te schrijven. Een verhaal over Nederlandse vampieren, waarvan Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer er een is. Elke week zal ik een blokje van een hoofdstuk plaatsen onder de tag #Ottomar.

Welkom in de vreemde wereld van Ottomar, of zoals hij nu heet: Otto van Bree.

Lees “Ottomar van Breekelenburgh-Hoofmeyer” verder